Voor wat hoort wat, naar een nieuw sociaal contract

boek vrijdag 07 oktober 2011

Patrick Janssens

Als Gentse beleidsmaker, onder meer verantwoordelijk voor werkgelegenheidsbeleid, was ik meer dan benieuwd naar het nieuwe boek van de Antwerpse burgemeester Patrick Janssens, Voor wat hoort wat, naar een nieuw sociaal contract. In Gent wordt immers vaak gekeken naar en vergeleken met Antwerpen. Dat is niet onlogisch gezien Antwerpen en Gent de twee grootste Vlaamse steden zijn met vergelijkbare problemen en uitdagingen. Een daarvan is de strijd tegen de (kans)armoede en de werkloosheid. In Gent komt daar een snelle, nieuwe migratiegolf bij vanuit de nieuwe EU-landen als Bulgarije en Slovakije. Maar hoe die strijd voeren in een tijd waar het draagvlak voor die strijd onder druk komt te staan door allerhande factoren? Hoe kijkt een ‘flinkse’ burgemeester als Janssens daarnaar? En hoever staat zo’n (f)links, socialistisch discours af van een liberaal antwoord?

Vooreerst beschrijft Janssens hoe de moderne welvaartsstaat tot stand is gekomen. De sociale zekerheid is gegroeid vanuit vrijwillige verzekeringen die later werden veralgemeend tot een verplicht systeem van sociale zekerheid. Bijdragen verlenen het recht op uitkeringen wanneer een bepaald risico (ziekte, werkloosheid,…) zich voordoet. Maar vandaag zien we nieuwe risico’s opduiken die niet iedereen op eenzelfde manier treffen of waar sommigen (door achtergrond en/of eigen keuzes) kwetsbaarder voor zijn. Bovendien staan we niet meer stil bij de verworvenheden van de sociale zekerheid, vinden we één en ander té vanzelfsprekend. Hiermee samenhangend is het voor velen niet meer duidelijk dat tegenover rechten ook plichten staan. Voor wat hoort wat dus. En net dat laatste kan het draagvlak van de sociale zekerheid versterken en het voortbestaan ervan verzekeren.

Janssens vroeg zijn geestesgenoot Frank Vandenbroucke om die wederkerigheid verder uit te werken. Vandenbroucke vertrekt daarbij van een principieel pleidooi voor gelijkheid en koppelt dat meteen aan verantwoordelijkheid, met een afbakening van de notie ‘individuele verantwoordelijkheden’. De nieuwe welvaartsstaat moet antwoorden bieden op nieuwe sociale risico’s (laaggeschooldheid, combinatie arbeid en gezin bijvoorbeeld). Het beste antwoord is deze nieuwe sociale risico’s voorkomen door te investeren in activering en emanciperende dienstverlening als onderwijs en kinderopvang. Om het complexer te maken is er de vaststelling dat de persoonlijke levensloop (maar toegegeven: niet alleen de persoonlijke levensloop) van mensen toch wel mede bepaalt in welke mate men vatbaar is voor deze nieuwe sociale risico’s. Dit laatste zorgt ervoor dat wederkerigheid in de nieuwe welvaartsstaat veel complexer is dan het verzekeringscontract dat we voor oudere sociale risico’s afsloten en waar de wederkerigheid evidenter was, juist omdat de individuele verantwoordelijkheid daarvoor minder aan de orde was.

Vandenbroucke beschrijft verder de nieuwe welvaartsstaat in België en de keuzes die zijn gemaakt om tot een actieve welvaartsstaat te komen met een rijkere opvatting over rechten en plichten. De resultaten van de ommekeer van het laatste decennium zijn positief, denk maar aan de toename van de vrouwelijke tewerkstelling. Maar voor sommigen (ouderen, laaggeschoolden) blijft de afstand tot de arbeidsmarkt hoog. Bovendien had deze ommekeer een hoge kostprijs, zeker als we aan systemen zoals de dienstencheques denken. Maar misschien zijn we in onze keuzes om tot een actieve welvaartsstaat te komen juist niet ver genoeg gegaan. Een aantal activerende instrumenten zijn de voorbije 10 jaar niet gehanteerd omdat dit voor velen onbespreekbaar was. Denken we maar aan de beperking van de werkloosheidsvergoeding in de tijd, de hoge ontslagbescherming, de vrijblijvendheid van activering, de verplichte pensionering,… Heel veel verworvenheden zijn blijkbaar moeilijk in vraag te stellen.

Patrick Janssens gaat in het volgende deel van het boek verder in op het ‘voor wat, hoort wat-principe’ en hoe dit op heel wat domeinen wordt toegepast in Antwerpen. Dit is niet altijd een evidente keuze maar in een stad als Antwerpen meer dan een noodzakelijkheid, door de sociale en demografische evoluties die zich in een stad als Antwerpen scherper stellen en om het systeem op termijn ook te vrijwaren. Naar mijn persoonlijke inschatting is er in Antwerpen ook een groot, groter draagvlak voor dit discours. Noodzaak, draagvlak én sterke eensgezindheid tussen de lokale beleidsmakers zorgen ervoor dat het wederkerigheidsprincipe in de vele domeinen van het lokaal sociaal beleid werd ingevoerd. Als lokale beleidsmaker heb ik deze hoofdstukken over leefloon, integratie, onderwijs, sociale huisvesting en hulpverlening enthousiast gelezen. Ze zijn doorspekt met voorbeelden van concrete acties en projecten en ik trek er lessen uit om ook in Gent verder mee aan de slag te gaan.

Janssens voelde de behoefte om zijn boek te eindigen met enkele kritische kanttekeningen bij het ‘voor wat, hoort wat-principe’ door Bea Cantillon. Cantillon stelt vast dat het sociale beleid nieuwe dimensies heeft gekregen die vroeger verwaarloosd werden. Er gaat vandaag meer aandacht naar preventie, meer ontwikkeling van diensten in plaats van tranfers van middelen, meer nadruk op activering en investering in talenten, minder op beschermen. Zij betreurt echter dat die sociale zekerheid minder genereus, minder beschermend, minder sociaal en minder zeker is geworden voor zij, die moeilijk te activeren zijn, pech hebben gehad of minder mogelijkheden hebben. Ze wijst daarbij in het bijzonder op het feit dat de sociale achtergrond van mensen nog steeds voor een groot stuk bepalend is voor hun opleiding en scholing en dat de laaggeschoolden ook weinig hebben geprofiteerd van de jobgroei.

Uit de bijdrage van Cantillon blijkt echter vaak een weinig geloof in het kunnen van het individu, in de mogelijkheid van éénieder om zijn eigen leven in handen te nemen. Zij lijkt te betreuren dat de slinger verder is doorgeslagen in de richting van activering en investeren in talenten; terwijl net daar de sleutel ligt voor het behoud van het systeem. Net door ervoor te zorgen dat iedereen het systeem als rechtvaardig ervaart, zal het overeind blijven. Dat is de boodschap die Janssens probeert te geven in voor wat hoort wat en waar weinig tegen in valt te brengen. Voor mij is dit boek een duidelijke boodschap van een burgemeester die met beide voeten op de grond staat. Het feit dat er ook op dit boek, zelfs binnen zijn eigen SPA-rangen kritiek kwam, bewijst dat dit een boodschap is die moet gebracht worden. Alleen jammer dat Janssens zijn eigen verhaal gedeeltelijk ondermijnt door de bijdrage van Cantillon; of was dat net om de interne kritiek alvast voor te zijn?


Recensie door Sofie Bracke


Patrick Janssens, Voor wat hoort wat, naar een nieuw sociaal contract, De Bezige Bij, 2011, 175 p.

Links
mailto:Sofie.Bracke@gent.be
Share |

De Arabische Revolutie:

tussen droom en werkelijkheid

Op woensdag 5 april 20.00 uur

Afspraak in De Markten (Oude graanmarkt 5, 1000 Brussel) voor een avond met Koert Debeuf,

schrijver, columnist, directeur van het Tahrir Institute for Middle East Policy Europe en onderzoeker aan de Universiteit van Oxford.

Zijn recentste boek is "Inside the Arab Revolution. Three Years on the Front Line of the Arab Spring".

Koert zal gebaseerd op zijn persoonlijke ervaringen de Arabische Revolutie trachten te kaderen door parallellen te trekken met de Franse Revolutie en door een aantal inzichten te bieden in het Midden Oosten.

Uw aanmeldingsmail aan info@liberales.be geldt als inschrijving.

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be