Onder de Franstalige linkse politieke denkers is Sophie Heine een unicum. Daar waar de meeste van haar collega’s het belang van een groep of een collectiviteit vooropstellen, vertrekt Heine van het eigenbelang. Daar waar vele Franstalige, zich vooruitstrevend noemende, filosofen het individualisme verketteren, plaatst zij het individu centraal in haar politiek denken. Een progressief politiek project moet volgens haar niet draaien rond gelijkheid, maar rond echte vrijheid voor iedereen. Heerlijk onklassiek links dus. Alleen jammer dat de inhoud van veel van haar concrete voorstellen zo onheerlijk oerklassiek links is. Sophie Heine is een dame met een missie. En die missie is niet van de poes. Met Pour un individualisme de gauche wil ze de basis voor een nieuw wervend links politiek project leggen. Het is haar ambitie om een concept naar voren te brengen dat zo veel mogelijk burgers en kiezers moet aanspreken.

Datzelfde begrip moet eveneens de concrete beleidsmaatregelen kunnen schragen. Het moet gaan om een doelstelling die tegelijkertijd uitnodigt tot actie én kan worden gebruikt als de toetssteen voor de politieke beslissingen. Van een denker ter linkerzijde zou je dan verwachten dat die de gelijkheid zou vooropzetten. Sophie Heine schuift echter de vrijheid als leidend beginsel naar voren. Haar definitie van het begrip vrijheid behelst twee aspecten. Enerzijds ziet ze de vrijheid als de afwezigheid van iedere mogelijkheid tot willekeurige inmenging in andermans leven. Anderzijds omschrijft ze de vrijheid als de kans om een leven te leiden zoals men dat zelf wil en dat men de moeite waard vindt. Voor Heine komt een progressief politiek project er dan ook op neer dat zo veel mogelijk hinderpalen die mensen in een ondergeschikte positie plaatsen en die hen beletten om hun leven in eigen handen te nemen dienen te worden opgeruimd.

Persoonlijke motieven en verstandelijke argumenten

Waarom kiest Sophie Heine voor de vrijheid als fundament voor haar politieke visie? Daar heeft ze op de eerste plaats persoonlijke redenen voor. Sophie Heine is immers een intellectueel wier politieke opvattingen niet los staan van haar leefwereld. Integendeel, haar denken is voor een groot deel door haar eigen subjectieve ervaringen gekleurd. Zo voelt ze zich, als wetenschappelijk onderzoekster die nog aan het begin van haar carrière staat, in haar vrijheid beknot door het feit dat de ene overeenkomst voor bepaalde duur bij één universiteit wordt gevolgd door een andere overeenkomst voor bepaalde duur bij een andere universiteit en dat een vaste benoeming zo moeilijk te krijgen is. Hoe kun je ergens je thuis vestigen als je het daaropvolgende jaar al op een andere plaats of zelfs in een ander land je professioneel heil moet gaan zoeken? Hoe kun je dan iets stabiels uitbouwen?

Ook de genderdimensie speelt een prominente rol. Bij wijze van voorbeeld stipt Sophie Heine aan dat ook nu nog vrouwen niet altijd als een evenwaardige gesprekspartner worden aangezien. Zelfs de zogenoemde progressieve middens zijn hier niet vrij van. En als je het nog maar waagt om hen hier opmerkzaam op te maken, zijn verwonderde blikken je deel. Toch spelen vooral rationele overwegingen mee in Heines keuze voor de vrijheid als basis voor haar politiek project. Aan alle hedendaagse linkse stromingen zijn er immers aspecten verbonden waarmee Sophie Heine (terecht) problemen heeft. Ze oppert in het bijzonder vier grote bezwaren. Ten eerste zijn veel progressieve ideologieën gewoonweg niet praktisch uitvoerbaar. Neem nu de klemtoon op individuele actie die onder andere waarneembaar is in het ecologisme, met credo’s als: “Voortaan zult gij alleen maar duurzame en niet-vervuilende goederen kopen”. Dat zorgt voor schier onoplosbare dilemma’s: “Moet ik nu echt bijna alle chocolade laten liggen omdat er altijd wel kritiek te leveren is op alle multinationals die chocolade produceren? Ik lust nochtans zo graag chocolade. Moet ik nu echt om die reden aan dat moment van genot verzaken? Nee toch?”

Een tweede kritiek luidt dat middel en doel vaak met elkaar worden verward. Zo is de democratie voor veel progressieven een doel, in de zin dat zo veel mogelijk mensen zelf hun zegje moeten kunnen doen. In directe of participatieve democratie ziet men het summum van de vrijheid. Nochtans is volgens Sophie Heine democratie niet meer dan een middel om tot het doel, zijnde echte vrijheid voor iedereen, te komen. Daarbij zijn directe of participatieve democratie vaak niet de beste middelen. Hoe vaak immers wordt een ‘volksvergadering’ niet gekaapt door de luidste roepers? Sophie Heine verkiest de klassieke representatieve democratie waarbij via verkiezingen een mandaat wordt verleend aan bepaalde politici. Vervullen die hun mandaat niet naar behoren, dan kunnen ze bij de volgende verkiezingen teruggefloten worden. Eventueel kan dit aangevuld worden met een mechanisme om politici die echt zwaar in de fout gaan tussen twee verkiezingen in, te kunnen afzetten.

Op de derde plaats koesteren velen aan de linkerkant van het politieke spectrum te idealistische denkbeelden. Ze gaan uit van een wensdroom dat voor de meeste van hun medemensen veel te hoog gegrepen is. Volgens Sophie Heine is het beter om van een realistischer mensbeeld te vertrekken. Zo zou de staat, via onder meer het onderwijs, positieve gevoelens als altruïsme, empathie of medeleven moeten aanwakkeren. Heeft wetenschappelijk onderzoek immers niet uitgewezen dat de mens van oudsher onzelfzuchtig gedrag aan de dag legt? Welaan, laten we dan dergelijk gedrag stimuleren! Sophie Heine gelooft helemaal niet in de slaagkansen van dergelijke ondernemingen. Ja, belangeloosheid lijkt bij de mens aangeboren te zijn, maar dergelijke houding zal hij toch veeleer voorbehouden aan mensen die dicht bij hem staan en waarvoor hij affectieve gevoelens koestert. Het lijkt op zijn zachtst gezegd naïef te veronderstellen dat een ingesteldheid die men vooral ten aanzien van naasten tentoon spreidt, zomaar zou kunnen worden uitgebreid naar alle volks- of landgenoten.

Idealistische ideeën hebben ook vaak een potentieel om mensen in een bepaald carcan te stoppen en zo hun vrijheid te beperken. Neem nu de ‘care’-filosofie die enkele jaren geleden bon ton was in bepaalde feministische en progressieve kringen. Volgens die denkwijze moeten kinderen van jongs af de nodige stimulansen meekrijgen om zich sociaal te gedragen en rekening te houden met de wensen en belangen van anderen. En wie is er beter geplaatst om voor deze stimulansen te zorgen dan de moeder? Al gauw glijdt dit af naar een opvatting dat vrouwen zich maar beter opnieuw op hun moederrol zouden toeleggen en voor het huishouden zouden instaan. Vrouwen terug naar de haard dus. Van een echte keuze voor vrouwen om buitenshuis de kost te verdienen en zich via betaalde arbeid te ontwikkelen en te ontplooien, komt dan uiteraard maar weinig meer in huis.

Altruïsme en eigenbelang

Voorts merkt Sophie Heine met reden op dat bij bijna ieder altruïstisch gedrag een vorm van eigenbelang gemoeid is. Waarom help je een andere persoon die in nood verkeert? Toch ook een beetje omdat je hoopt dat je zelf geholpen wordt wanneer je je in een vergelijkbare noodsituatie bevindt. Waarom doe je aan vrijwilligerswerk? Toch ook een beetje omdat je hoopt daar een zekere voldoening aan te ontlenen, je nuttiger te voelen, in contact te komen met leuke mensen etc. Waarom zou dan een progressief project niet kunnen of mogen uitgaan van dergelijk welbegrepen eigenbelang?

Ten slotte brengen vele ‘progressieve’ voorstellen geen echte oplossingen aan. In plaats van een oplossing dichterbij te brengen, lijken ze die eerder in de weg te staan. Zo zijn velen ter linkerzijde van mening dat de zaken pas ten goede kunnen keren wanneer mensen zich eerst betrokken kunnen voelen bij een groter geheel, zich deel voelen uitmaken van een grotere groep, een gemeenschap zoals ‘de arbeiders’, ‘de proletariërs’, ‘het volk’, ‘de natie’ of ‘de republiek’. Binnen de gemeenschap zou er ook een zekere eensgezindheid moeten zijn over de waarden die deze collectiviteit wil uitdragen en promoten bij haar leden. Er zou eerst een onderlaag van gemeenschapszin moeten worden gelegd voordat men zou kunnen overgaan tot positieve hervormingen.

Nochtans zijn er volgens Sophie Heine helemaal geen gemeenschapsbesef en helemaal geen maatschappelijke consensus over wat het goede leven zou zijn nodig om de steun van zo veel mogelijk mensen voor een bepaald streefdoel te verwerven. Je eigen dromen waarmaken omdat je over de mogelijkheden beschikt om die te realiseren en zo je eigen leven invullen zoals jij dat wenst, is dit niet reeds voldoende als basis voor een aanlokkelijk politiek project? Bovendien deelt niet iedereen dezelfde dromen. Aan de grote diversiteit aan individuele toekomstplannen, aan de grote verscheidenheid aan invullingen die mensen zelf aan het begrip ‘een goed leven’ geven, moet je recht doen. Dus liever geen morele politie die bepaalde toekomstdromen als superieur aanziet en andere als inferieur brandmerkt.

Zodoende vermijdt men eveneens de valkuilen van het communautarisme, de stroming die gemeenschappen een zekere voorrang geeft op de individuele vrijheid. Dergelijke gedachten draaien al te gemakkelijk uit in een onproductief denken tussen ‘wij’ en ‘zij’, tussen die mensen die tot de gemeenschap gerekend worden en die mensen die daar niet toe behoren. Aan dergelijke opsplitsingen tussen ‘wij’ en ‘zij’ hangt vaak een meerderwaardigheidscomplex vast, hetgeen de zaken eerder op de spits drijft dan vereenvoudigt. Tot slot dreigt men geen oog meer te hebben voor de vele breuklijnen die er binnen een bepaalde gemeenschap altijd zijn.

Een emanciperende politieke ideologie

De blik van Sophie Heine op wat de finaliteit van een emanciperende politieke ideologie zou moeten zijn, is op zijn minst verfrissend te noemen. Kijkt men echter naar haar concrete beleidsvoorstellen, dan moet het oordeel helaas anders luiden. Daar blijkt ze steken in een discours waarvan men toch zou mogen denken dat die achterwege zou blijven in een boek dat pretendeert een project voor de 21ste eeuw te schetsen. Neem nu haar pleidooi voor een collectieve arbeidsduurvermindering. Men zou toch van een hedendaags academicus mogen verwachten dat die niet meer zou trappen in de val van de lump of labour fallacy. Het is niet door de werknemers minder te laten werken dat er meer banen voor werklozen zullen vrijkomen. Integendeel, het is door meer werknemers langer te laten werken dat er banen voor werklozen worden geschapen. Hoe meer er gewerkt wordt, hoe meer jobs er bijkomen. Hoe minder lang er gewerkt wordt, hoe harder de huidige werknemers zullen moeten presteren om binnen de mindere arbeidstijd even veel of zelfs meer te produceren.

Daarnaast valt moeilijk in te zien hoe een verplichting voor iedereen om minder te gaan werken – want dat is in wezen een collectieve arbeidsduurvermindering – te rijmen is met het idee van individuele vrijheid dat Sophie Heine zelf voorstaat. Het kan een bewuste keuze van mensen zijn om zich vooral via het werk te ontplooien, in betaalde arbeid hun voornaamste bron van bevrediging en bezieling te zien. Als ze hiervoor lange uren willen werken, dan zou dit toch moeten kunnen. Sophie Heine schrijft zelf dat het begrip ‘vrijheid’ open of neutraal moet worden ingevuld. Wat voor de ene persoon waardevol is, is dat niet voor een andere persoon. Dat zou dan toch met zich moeten brengen dat wie in hard en lang werken zijn belangrijkste levensdoel ziet, daar moet voor kunnen opteren, net zoals iemand die zijn lotsbestemming niet in hard en lang werken zoekt even goed voor een alternatief moet kunnen kiezen.

Niettemin kun je je niet van de indruk ontdoen dat in Pour un individualisme de gauche Sophie Heine een keuze voor betaalde arbeid als middel van zelfontplooiing in se minderwaardig vindt. Hoe moet je anders een passage die stelt dat betaalde arbeid in de huidige samenleving overgewaardeerd wordt begrijpen? Even verder wordt een lans gebroken voor zogezegd meer échte vrije tijd, wat alleen maar zou kunnen door de arbeidstijd op een geprogrammeerde manier te reduceren, zonder loonverlies (sic). Verder poneert Heine in Pour un individualisme de gauche dat ze politiek en cultureel liberaal is, maar het economisch liberalisme verwerpt. Om beter te begrijpen wat hierachter schuil gaat, moet je haar vorige boek uit 2010, Osons penser à gauche, erop naslaan. Dan blijkt dat ze onder politiek liberalisme in wezen de rechtsstaat bedoelt, terwijl ze cultureel of filosofisch liberalisme duidt als pluralisme en tolerantie.

Onder het economische liberalisme begrijpt ze dan de private eigendom en de vrijheid van ondernemen. Ja, inderdaad, u leest het goed: ze wijst privé-eigendom en de vrijheid van ondernemen af, omdat die alleen maar zouden leiden tot onderwerping en onderdrukking van de meerderheid van de bevolking. Het stokoude Eigendom is diefstal! dus, maar dan in een moderner en hipper jasje gestopt. Wat is dan in de ogen van Heine het alternatief voor economisch liberalisme? De ondertitel van Osons penser à gauche spreekt in dit verband boekdelen: Pour un réformisme radical, met name het ‘reformistische socialisme’ van Eduard Bernstein, een Duits socialistisch theoreticus en politicus, zoals ontwikkeld rond 1900: een economie gedomineerd door de staat waarbij dit streefdoel niet wordt bereikt via een revolutie, zoals in het communisme, maar door middel van de politieke democratie.

Hoeft het dan te verwonderen dat Heine in Osons penser à gauche onverbloemd pleit voor een nationalisatie van heelder takken van de economie? In ieder geval, een politiek project dat moet aanspreken voor mensen van de 21ste eeuw bouwen op een fundament en op noties van de tweede helft van de 19de eeuw, het is op zijn minst iets zeer vreemds en onrealistisch. Ook hier verliest Heine uit het oog dat veel mensen in het ondernemen een belangrijk doel in hun leven zien. Zelf een bedrijf uit de grond stampen, zelf een idee ontwikkelen en op de markt brengen, velen zien hierin een droom die ze willen verwezenlijken. Als vrijheid erop neerkomt dat iedereen zijn eigen droom moet kunnen volgen, dan moeten die mensen die ambitie via het ondernemen kunnen waarmaken. Anderszins vind je die persoonlijke invulling van de individuele vrijheid toch maar inferieur.

Tegenspraak

Tevens lijkt Heine zich hier eveneens tegen te spreken. Aan de ene kant stelt ze dat alle rechten van de mens volledig verwezenlijkt dienen te worden om tot echte vrijheid voor iedereen te komen. Aan de andere kant verwerpt ze het eigendomsrecht en de vrijheid van ondernemen, hoewel die even goed erkend zijn als mensenrecht. Het eigendomsrecht is onder andere beschermd door artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM). De vrijheid van ondernemen is geproclameerd in artikel 16 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie. Daarnaast lijkt Heine niet te beseffen dat in de sociale zekerheid het eigendomsrecht juist een beschermende functie heeft. Sinds meer dan 15 jaar geleden aanvaardt het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg dat het eigendomsrecht kan worden ingeroepen in betwistingen die betrekking hebben op sociale uitkeringen.

Door een beroep te doen op het eigendomsrecht kunnen burgers of hun vertegenwoordigers een vermindering van sociale uitkeringen aanvechten. Soms lukt dat ook zelfs, zoals in Letland waar enkele jaren geleden het Grondwettelijk Hof een serieuze vermindering van de pensioenen afblokte door onder andere te verklaren dat die maatregel inging tegen het eigendomsrecht van de gepensioneerden. Daarnaast leidt de toepassing van het eigendomsrecht in rechtszaken inzake sociale zekerheid ertoe dat de nationaliteit minder en minder aanvaard wordt als een criterium om te bepalen wie recht heeft op een bepaalde uitkering en wie niet. Meer en meer wordt gesteld dat al wie in een bepaald land woont, recht zou moeten hebben op de uitkeringen die in dat land kunnen worden toegekend. Aldus leidt het eigendomsrecht paradoxaal tot een evolutie waarvoor Sophie Heine juist pleit in Pour un individualisme de gauche.

Tot slot dringt zich de vraag op of Sophie Heine het vrijheidsbegrip niet te breed opvat. Zoals gezegd vult ze de individuele vrijheid op twee verschillende manieren in. Enerzijds vult ze de vrijheid in als de mogelijkheid om zelf te bepalen wat een leven is dat het waard is om geleefd te worden. Anderzijds ziet ze in alle situaties waarin de ene persoon zich in een ondergeschikte positie bevindt tegenover een andere persoon een belemmering en zelfs een negatie van de vrijheid. Zeker die tweede omschrijving is problematisch. Zo postuleert ze dat het niet zou mogen dat een werkgever vrij kan beslissen om een werknemer al dan niet verder in dienst te houden als diens arbeidsovereenkomst voor een bepaalde duur verstrijkt. De werkgever bevindt zich dan immers in een machtspositie tegenover de werknemer. De werknemer hangt van de beslissing van de werkgever af om te weten of hij verder in dienst mag blijven of niet.

Heine ziet hierin een situatie van dominantie die niet verenigbaar zou zijn met de vrijheid. Vanuit haar standpunt niet onlogisch, nu ze de legitimiteit van de vrijheid van ondernemen afwijst. Als je daarentegen de vrijheid van ondernemen wel in aanmerking wil nemen, dan moet je toch aan de werkgever minstens de kans geven om na te gaan of de werknemer voldoet. Voldoet de werknemer, dan mag hij blijven. Voldoet de werknemer niet, kan hij maar beter gaan.

Besluit

Om allerhande redenen is Pour un individualisme de gauche een interessant boek. Het legt haarfijn een aantal tekortkomingen bloot waarmee progressieve politieke projecten thans kampen. Het bevat een gefundeerde waarschuwing tegen de valse lokroep van het communautarisme. Tevens toont het aan dat vrijheid een politiek neutrale finaliteit is. Echte vrijheid voor iedereen kan een ideaal zijn waarachter mensen van de linker- én rechterzijde van het politieke spectrum zich kunnen scharen. Alleen is het spijtig dat de inhoud van een boek dat waarschuwt tegen strikte carcans waarin de eigenheid van mensen dreigt te verstikken, zelf te strak gevangen zit in een keurslijf dat nog van de 19de eeuw dateert. Voor haar volgende publicatie zou Sophie Heine zich beter laten leiden door de volgende tekstregel van De Internationale: “Sterft, gij oude vormen en gedachten!”


Recensie door Lieven Monserez

Sophie Heine, Pour un individualisme de gauche, Parijs, Editions Jean-Claude Lattès, 2013, 287 blz.

Links
Mailto:lieven.monserez@telenet.be
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be