Ik, de ander

boek vrijdag 27 november 2009

Imre Kertész

Nobelprijswinnaar Imre Kertész werd in 1945 als vijftienjarige jongen naar Auschwitz gedeporteerd en enkele maanden later bevrijd uit Buchenwald. Net als Primo Levi is hij sindsdien op zoek naar het waarom van de Holocaust. In zijn boek Ik, de ander reist de Hongaarse schrijver naar Berlijn, Tel Aviv, Munchen, Hamburg en Amsterdam, waarbij hij terugblikt op de verlossing van het fascisme en het communisme en op zijn rol van eeuwige buitenstaander. Dat laatste hoeft niet te verwonderen. Als jood werd hij buitengesloten uit de fascistische maatschappij, als schrijver werd hij nadien buitengesloten uit het communistische Hongarije. ‘Ik ben het onverbeterlijke product van dictaturen, en gebrandmerkt te zijn is mijn specialiteit’, schrijft Kertész, en het lijkt wel of hij zich daar zelf schuldig voor voelt. Auschwitz en de Goelag hebben aangetoond dat de universele God ons verlaten heeft. De mens is in ethische zin vandaag meer dan ooit op zichzelf aangewezen, aldus Kertész. Het is nu aan de mens om vanuit de rede onschendbare wetten in stenen tafelen te beitelen. Hij stelt daarvoor zijn hoop op het Europese ideaal en de creatie van gemeenschappelijke waarden die sterker zullen blijken dan de destructieve krachten van het nationalisme. Met als voortdurend ijkpunt de Holocaust en Auschwitz. En die wil de auteur in herinnering houden.

‘Voor de geschiedenis van het antisemitisme is Auschwitz een even belangrijk keerpunt als voor de natuurkundige de kwantummechanica’, aldus Kertész die tegelijk wijst op het feit dat Auschwitz niet geliquideerd werd omdat het zo’n monsterlijke instelling was, maar gewoon omdat de oorlogskansen waren gekeerd. Daarmee geeft hij aan dat de Endlösung geen te betreuren misstap was in de geschiedenis, maar een logisch gevolg van een denkproces waarin afkeer voor de joden als moordenaars van Christus centraal stond. In grote delen van Europa, ook in Frankrijk bijvoorbeeld, bestond een latent antisemitisme dat voortdurend werd aangemoedigd door het christendom. ‘Er is een lijn te trekken van Christus naar Auschwitz’, noteert de auteur, alhoewel hij daar niet wil bij stilstaan. Of Auschwitz echt een keerpunt voor deze bedenkelijke gedachtegang vormt zal de toekomst uitwijzen. Het risico bestaat immers dat met het verdwijnen van de laatste getuigen, de laatste overlevenden van de Holocaust, de vergetelheid en onverschilligheid toeslaat. ‘De moderne mens zal met de hem eigen flexibiliteit alles vergeten en het troebele bezinksel van zijn verleden als koffiedik wegfilteren’. In die zin is het werk van Kertész en andere auteurs over deze periode en gebeurtenissen zo belangrijk.

Centraal in dit boek is de vraag van Kertész wie hij nu zelf eigenlijk is. Een criticus betitelde hem als ‘een Hongaarse schrijver’ omdat zijn verhalen zich meestal afspelen in een Hongaarse omgeving en omdat hij bijna altijd in het Hongaars schrijft. Daar is de auteur het helemaal niet mee eens. Blijkbaar trachten nationalisten mensen steeds op te sluiten in een vermeende collectieve identiteit, zelfs als de betrokkenen daar niet zelf voor gekozen hebben. In die zin voelt hij zich dan ook eerder een jood. Comfortabel is dat niet want zo schrijft hij, ‘jood is degene over wie je in het meervoud kunt praten, diegene die is zoals de joden over het algemeen zijn’. Hierin ligt de veralgemening, de verwijdering en uiteindelijk de uitsluiting van het individu. In zijn boek Identity and violence heeft Amartya Sen scherp aangetoond hoe gevaarlijk het is dat mensen in één collectieve identiteit worden opgesloten. In zijn jeugd zag hij hoe hindoes een moslim afmaakten, terwijl ze eigenlijk allen arbeider waren en derhalve ook gemeenschappelijke raakvlakken hadden. Van zodra men dat ontkent en de diverse aspecten van iemands identiteit verengt tot één dominant groepsaspect ontneemt men mensen hun vrijheid om zelf relaties en loyaliteiten aan te gaan.

Net dat vormde het drama van heel wat Duitse joden die zich perfect geassimileerd hadden – sommigen hadden voor ‘hun vaderland’ gevochten tijdens de Eerste Wereldoorlog en zelfs militaire onderscheidingen ontvangen – en met verbijstering en ongeloof vaststelden dat ze onder nazi’s uiteindelijk weer onderdrukt, vervolgd en vermoord werden omwille van hun joodse afkomst. Denk aan de Duits-joodse filosoof Karl Löwith die als goed geassimileerde jood gedurende de Eerste Wereldoorlog als vrijwilliger vocht in het Duitse leger, gewond raakte en drie jaar in een Italiaans krijgsgevangenkamp zat. Löwith werd pas met zijn joods-zijn geconfronteerd door de wet van 1933 die joden uitsloot van ambtelijke functies zoals lesgeven aan universiteiten. Hij moest dan ook uitwijken naar het buitenland. Hetzelfde gebeurde met Hannah Arendt die zich als geassimileerde joodse niet bewust was van haar ‘joods’ zijn en er pas na veel problemen in slaagde om te emigreren naar de Verenigde Staten. Het is die ervaring die bij Kertész de existentiële vraag naar zijn eigenheid stelt. ‘Al jarenlang ben ik niet meer op zoek naar een vaderland of een identiteit. Ik ben anders dan zij, anders dan een ander, anders dan mezelf’, zo schrijft hij.

Kertész verwijst niet toevallig naar de Oostenrijks-Britse filosoof van joodse afkomst Ludwig Wittgenstein waarvan hij een aantal teksten vertaalde. Wittgenstein diende als vrijwilliger in het Oostenrijkse leger tijdens de Eerste Wereldoorlog, raakte bekend met zijn boek Tractatus Logico-Philosophicus, en kon zijn familie pas in 1938 met veel geld uit het Reich krijgen. Toch voelde hij zich helemaal niet joods. Zo wou hij zich met alles identificeren behalve met wat hijzelf was: een jood. Kertész heeft het over zijn ‘joodse zelfhaat’ en ‘een gebrekkig gevoel van eigenwaarde’. Tot enkele jaren terug werd de auteur niet erkend in Hongarije en emigreerde naar Berlijn waar hij momenteel woont, nog steeds worstelend met de vraag wie hij nu eigenlijk is.


Recensie door Dirk Verhofstadt

Imre Kertész, Ik, de ander, Uitgeverij Van Gennep, 2001

Links
mailto:verhofstadt.dirk@pandora.be
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be