Samuel IJsseling heeft als docenten R.C. Kwant en N. Luypen gehad en hij citeert uit Delfgaauws studie van de jonge Marx, dat als doel had deze atheïstische denker voor het christendom aannemelijk te maken. Dat zijn nu juist drie van de filosofen met wie ik, zo een vijftig jaar geleden, in de beginperiode van mijn filosofisch leven, via aulaboekjes, in contact ben gekomen. In de lijst van geciteerde werken komen ook heel wat bekende namen van toen weer terug. Het lezen van IJsseling ervaar ik dan ook een beetje als terug thuis komen in de existentiële fenomenologie. Het is bovendien merkwaardig hoe vertrouwd de manier van schrijven en het ontwikkelen van ideeën nog overkomt, zij het dat ik thans, in de overtuiging van het belang van een brede liberale beweging en in een afwijzing van denken in collectivistische zin, er een enigszins andere invulling aan geef. Bij IJsseling heb ik dat linkschristelijke gedachtegoed niet meer expliciet terug gevonden.

Heidegger, die zelf het woord fenomenologie niet opgeplakt wenste te krijgen, is niettemin sterk beïnvloed door het denken van Husserl, de stamvader van deze denkrichting. En IJsseling, die overigens ooit directeur van het Husserlarchief in Leuven is geweest, heeft zich, voor zijn promotie naar Heidegger toegewend. Het heruitgegeven boek Heidegger: Denken en danken. Geven en zijn is daarvan de weergave. Aanvullend is in het boek nog een ander en later werk van IJsseling opgenomen, namelijk Het zijn en de zijnden: Over de ontologische Differenz, dat een aanvulling op het proefschrift vormt.

Het boek is evenwel geen beschrijving van de filosofie van Heidegger stricto sensu, maar een eigen ontwerp vanuit een zo getrouw mogelijke Heideggeriaans standpunt. IJsseling heeft gepoogd in de huid van Heidegger te kruipen om een aantal filosofische zaken te onderzoeken. Daartoe moet hij het vanzelfsprekend voortdurend over het denken van Heidegger hebben, zodat dan toch weer het denken van Heidegger centraal komt te staan. Nochtans blijft hij ook ten overstaan van deze filosofische reus kritisch. Dat wordt duidelijk als hij stelt dat deze het morele aspect van het bestaan volkomen negeert en als hij dat corrigeert met uitspraken van Levinas, die nu juist aan het morele een primordiale plaats toekent.

Een cruciaal begrip in de filosofische wereld van Heidegger is het denken en haar connectie met het zijn en de taal. Het denken en het danken zijn, naast hun etymologische verwantschap, eveneens qua betekenis nauw verbonden. IJsseling hoopt vanuit de verbondenheid van die twee concepten tot een nieuwe bevraging van fundamentele problemen in de wijsbegeerte te komen. Hij maakt daartoe, in navolging van Heidegger, een onderscheid tussen het berekende denken (‘rechnende Denken’) en het contemplatieve denken (‘besinnliche Nachdenken’) om houvast te krijgen op het begrip. Het is kenmerkend voor het denken van Heidegger dat hij het berekend, mechanische denken niet echt als een denken aanziet. In de beschrijving van het berekende denken, dat wetenschappelijk en technisch is en op nuttigheid gericht, worden de contouren van het echte denken aangekondigd.

Het berekende denken is niet beperkt tot wetenschap en techniek maar tot alle objectiverend denken dat aan de Heideggeriaanse wezensvraag voorbij gaat. Vanuit die optiek wordt de bewering dat ook de metafysica, net als de wetenschap en de techniek, geen echt denken is, maar een nihilisme, evident. Heidegger spreekt van een ‘Seinsvergessenheit’. Voor de betekenis van het overwinnen (‘Überwindung’) van die metafysica confronteert IJsseling Heidegger met de dialectiek van Hegel (‘Aufhebung’) en diens opvolger-opponent Karl Marx, maar ook met de existentialist, Sartre. Met ‘die Kehre’ bedoelt Heidegger dan een herdenken van de metafysica en al het denken dat in zich het authentieke denken verscholen houdt.

Als ik Heidegger lees en over hem lees, kan ik mij nooit van de indruk ontdoen dat hij zo moeilijk te lezen is omdat hij vaak iets in gedachten heeft dat niet echt gezegd kan worden, maar enkel gesuggereerd. Men zou taal natuurlijk altijd als een suggererend medium kunnen opvatten, maar de ideeën die Heidegger wil uitdrukken verschillen danig van haar alledaagse inhoud en toch verwijst hij naar dingen die door iedereen zouden kunnen ervaren worden. Verwonderlijk is het dan ook niet dat de negatieve benadering, met andere woorden zeggen wat het niet is, een belangrijke plaats inneemt in zijn vertoog. Het verklaart ook de omslachtigheid in de poging om de bedoeling duidelijk te maken, in het herhaaldelijke, maar telkens op enigszins andere wijze uitleggen, het beroep doen op etymologische ondersteuning, het construeren van eigen woorden. Hij voelt zich gehinderd door de taal zelf, omdat onze taal deze van het ‘rechnende Denken’ is. Dat is zo wanneer hij het heeft over het zijn, of het Dasein en dat is zo in de behandeling van het ‘besinnliche Nachdenken’. IJsseling kan er in zijn uiteenzetting dan ook niet aan voorbij die negatieve benadering van Heidegger te ontplooien en bondig in de sporen te stappen van de weg voor het begrijpelijk maken van al de facetten. De negatieve benadering is bovendien vereist om het volgens Heidegger foute of ontoereikende denken uit het verleden te corrigeren.

Uiteindelijk berust het ‘besinnliche Nachdenken’ op verwondering, terwijl de twijfel, zoals bij Descartes, leidt naar het ‘rechnende Denken’. Om de oorspronkelijke zijnservaring te leren kennen is geen analytische ingesteldheid vereist, maar een ontvankelijk zijn. Het moeilijke voorbereidende werk is gelegen in een zich ontdoen van beredeneerdheid en open te staan voor de originele ervaring van het zijn. Het blijft een menselijke activiteit, maar is niet te herleiden tot de psychologie. Wat de mens ontdekt, of beter; vindt, staat op zich, maar is niet mogelijk zonder de mediëring van de mens.

Als intermezzo van mijn bespreking vestig ik graag even de aandacht op het volgende. Om Heidegger te begrijpen helpt het hem te situeren in een historische ontwikkeling in de filosofie. Hij staat bijvoorbeeld in de traditie van het antipsychologisme in de logica en de filosofie van het eind van de 19e eeuw, waardoor de verklaring van bepaalde ervaringen of inzichten niet tot een psychologisch gegeven kunnen herleid worden, zoals het positivisme, een tegengestelde beweging waartegen Heidegger ageert, stelt. Een positivist zou even goed van een menselijke en oorspronkelijke zijnservaring kunnen spreken, maar hij zal deze niet reserveren tot een afzonderlijk gebied van kennis, maar reduceren tot een psychologische ervaring. Heidegger zou deze houding als een ‘Seinsvergessenheit’ afdoen en rangschikken onder het ‘rechnende Denken’.

Voeg daaraan toe dat deze verschillende interpretaties aanleiding kunnen geven tot een verschillende manier van omgaan met de dingen. Deze laatste bewering zou in het voordeel van Heidegger kunnen uitvallen, zij het dat het verschil in omgaan met de dingen niet noodzakelijk volgt uit het verschil in interpretatie. Heidegger heeft nog wel meer argumenten tot zijn beschikking, maar die kunnen telkens weerlegd worden. Zo zegt hij dat het zijn in al het zijnde aanwezig is, terwijl een positivist (niet elke positivist) zal stellen dat de zijnservaring slechts aanwezig is in een bewuste mentale activiteit. Heidegger zal dan weer spreken van een toewending naar het zijn. Enz.

Tot het ‘rechnende Denken’ zou ook de opvatting behoren dat taal enkel communicatie is. Dat is niet helemaal correct omdat ook in de Angelsaksische taalanalyse taal andere functies toebedeeld krijgt. Ik denk dan onder andere aan de illocutionaire en performatieve aspecten van de taal, maar dat is wellicht nog niet door IJsseling gekend op het ogenblik van het schrijven van zijn dissertatie. Zijn proefschrift dateert van 1964, terwijl John Austins Performative Utterances in 1962 verscheen. De belangrijkste werken van Heidegger waarop IJsseling steunt zijn van voor 1961. Dat ligt allemaal niet ver in de tijd uiteen, maar ook in de academisch filosofische wereld hebben ideeën tijd nodig om door te dringen. Bovendien is de kruisbestuiving tussen de continentale en de Angelsaksische filosofie niet altijd even intens geweest als thans en wat verder in de tijd terug zelfs nagenoeg onbestaande. Sleutelfiguren spelen vaak een centrale rol in de verspreiding van nieuwe ideeën. Een voorbeeld daarvan is in Engeland de verbreiding van het neokantiaanse, idealistische werk van Hermann Lotze door Bernard Bonsanquet. Frankrijk kwam in contact met Heidegger dank zij het werk van Jean-Paul Sartre, Herbert Marcuse en Alexander Kojève. In het Nederlandse taalgebied werd hij geïntroduceerd door Alphonse De Waelhens en IJseling zelf.

Wel is het zo dat Heideggers behandeling van de taal opnieuw een fenomenologisch eigen contemplatieve invulling krijgt die dieper de existentie binnendringt dan in de Angelsaksische taalfilosofie. Men gaat er echter meestal aan voorbij dat de zoektocht naar de originele betekenis van een woord een herijken van dat woord inhoudt in functie van een nieuwe betekenishorizon, terwijl de alledaagse betekenis of betekenissen verloren gaan. Bovendien is de werkelijkheid veel rijker dan de tegenstelling tussen het rekenende en het contemplatieve laat zien. Nietzsches perspectivisme stelde dat de werkelijkheid altijd slechts fragmentarisch gekend is. Een oergrond is onkenbaar. Zowel Heidegger als IJsseling promoten een bepaald ideaalbeeld en contrasteren dat met een tegengesteld en als te mijden voorstelling.

Voor IJsseling staat het begrip danken in het middelpunt van het denken van Heidegger, bij de laatste wellicht opgeroepen door de gedichten van Hölderlin. Heidegger heeft het begrip danken echter niet zo uitdrukkelijk gesteld en heeft het alleszins niet uitgewerkt. Denken, danken, gave, geven en zijn worden met elkaar in verband gebracht, alsof het puzzelstukken zijn van een geheel. Dat alles is herkenbaar voor wie al met Heidegger in contact kwam. De aanzet over de filosofie van de dankbaarheid door Heidegger gegeven, is voor IJsseling echter een opdracht geworden om dit aspect verder uit te werken en daarbij ook bij andere filosofen te gaan zien wat ze daarover te zeggen hebben. De ontologische dankbaarheid zetelt in het bewustzijn van het ontvangen cultureel erfgoed en in het mythologisch herdenken van de schepping, dat zowel een historisch als een actuele dimensie bezit. IJsseling legt uit dat deze verhalen niet zozeer mythisch, dan wel ontologisch zijn. In de herdenkingsmomenten wordt het verleden terug werkelijkheid.

Verschillende denkers passeren de revue. Dooreen vernoemd geeft dat: Paul Ricoeur, Karl Jaspers, George Gusdorf, René Descartes, Godfried Leibniz, Georg Hegel, Edmund Husserl, Friedrich von Schelling; Emmanuel Levinas, Gabriel Marcel, Jean-Paul Sartre, Maurice Merleau-Ponty, enz. Omdat het boek ontstond als een doctoraatsthesis, komen er af en toe Oudgriekse woorden in voor en één enkele keer een volledige zin, alsook Latijns filosofisch jargon, die niet vertaald werden, maar voor de onkundige in de klassieke taal, zal een kleurig zijwegje verloren gaan, doch zal het verloop van het lezen op de hoofdweg niet echt gestoord zijn. Onvermijdelijk komen ook talrijke Duitse woorden en citaten voor. Zij maken wel een meer constituerend deel uit van de uiteenzetting, zij kunnen vaak niet in het Nederlands omgetaald worden, maar dat is nu juist deel van de opdracht van IJsseling: het duidelijk maken wat Heidegger heeft bedoeld.

De filosofie van Heidegger wordt vaak afgedaan als woordenkramerij, maar dan gaat men er aan voorbij dat zijn denken als het ontrafelen met een fijn scalpel is, waarbij eigenzinnigheden ontbloot worden. Een meer gegronde kritiek is wellicht dat hij zijn denken als een authentiek ontdekken voorstelt, terwijl het niet los kan gezien worden van zijn culturele binding. Af en toe is het idiosyncratisch. De beperktheid van zijn denken komt bijzonder tot uiting als IJseling hem confronteert met de kritiek vanuit de ethisch geïnspireerde filosofie van Emmanuel Levinas. Door deze kritiek wordt de afwezigheid van het begrip samenzijn in Heideggers denken duidelijk. Een probleem in de filosofie is dat zij exhaustieve pretenties heeft die zij nooit kan waar maken. IJsseling erkent dat ook ergens in zijn tekst. Hij noemt dat het echec van elke filosofie.

Een aspect dat in IJsselings dissertatie ontbreekt, is een verwijzing naar een zwarte bladzijde in het leven van Heidegger, namelijk zijn openlijk heulen met het nazi-regime. De joodse wijsgeer Levinas, die de nazi-wandaden persoonlijk meemaakte, schenkt daar wal aandacht aan en integreert het zelfs in zijn denken. In het voordeel van IJsseling pleit echter dat in de jaren zestig dat verleden van Heidegger nog niet zo gekend was. De heftige veroordeling van Heidegger door Adorno kwam er bijvoorbeeld in 1964. Dan was het proefschrift van IJsseling al klaar.

Het tweede deel van het boek focust op de ontologische Differenz. Het is de rode draad doorheen het gehele oeuvre van Heidegger en houdt in dat niet het zijnde of de zijnden, dus dat wat is, voorwerp is van zijn onderzoek, maar het zijn, dat zonder de zijnden en evenmin zonder de mens niet zou kunnen bestaan, maar ook onlosmakelijk met de zijnden verbonden is. Als ik daar net schreef ‘dat wat is’, waag ik mij al op glad ijs, want het werkwoord zijn refereert naar het zijnde en niet naar het zijn, maar dat wordt in het boek uitvoerig behandeld. De helderheid van de uitzetting en de ontwikkeling van de redenering in dit tweede deel toont aan dat IJsseling tot een rijping gekomen is, dat hij alles nog verder doordacht heeft. Hij heeft telkens, net als Heidegger, nieuwe, meer adequate vormen van spreken uitgetest om duidelijk te maken waar het om gaat. Ze hebben gaandeweg ook voor zichzelf meer duidelijkheid gekregen. In de wijsbegeerte hangt immers veel af van de wijze waarop de ideeën geformuleerd worden, want de formulering is in zekere zin al de idee.

Omdat in het tweede gedeelte van het boek de filosofie van Heidegger het duidelijkst en compleets is weergegeven zou ik de lezer aanraden daarmee te beginnen. Het eerste gedeelte zal dan veel vlotter begrepen worden. Ondanks mijn randbemerkingen is dit werk van Heidegger zeer waardevol als introductie tot het denken van Heidegger en ook van hoe IJsseling daarmee omspringt: vooral de ontwikkeling van het concept danken dat Heidegger niet uitgewerkt heeft en ook het morele aspect, geïnspireerd door de Joodse denker Levinas. Dat laatste opent tevens de deur naar een christelijke filosofie, maar die opmerking is een toevoegsel van mijzelf.


Recensie door Hendrik Vanmassenhove, Ph.D.

Samuel IJseling, Heidegger: Denken en danken. Geven en zijn, Vantilt, 2015, 207 p.

Links
mailto:hendrik.vanmassenhove@hotmail.com
Share |

De Arabische Revolutie:

tussen droom en werkelijkheid

Op woensdag 5 april 20.00 uur

Afspraak in De Markten (Oude graanmarkt 5, 1000 Brussel) voor een avond met Koert Debeuf,

schrijver, columnist, directeur van het Tahrir Institute for Middle East Policy Europe en onderzoeker aan de Universiteit van Oxford.

Zijn recentste boek is "Inside the Arab Revolution. Three Years on the Front Line of the Arab Spring".

Koert zal gebaseerd op zijn persoonlijke ervaringen de Arabische Revolutie trachten te kaderen door parallellen te trekken met de Franse Revolutie en door een aantal inzichten te bieden in het Midden Oosten.

Uw aanmeldingsmail aan info@liberales.be geldt als inschrijving.

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be