Humanism in the Low Countries

boek

Jozef IJsewijn

Wat is humanisme? vroeg Irving Babbitt zich af in 1908 in een essay. Humanisme is cultivering door educatie, via de studia humanitatis, een teruggrijpen op de oude Griekse en Latijnse bronnen. De humanist, schreef Babbitt, ‘is geďnteresseerd in het perfectioneren van het individu meer dan in plannen om het welzijn van de mensheid als geheel te verheffen’. Voor de humanist geldt niet alleen Terentius credo Humani nihil a me alienum puto – ‘niets menselijks is mij vreemd’ – maar vooral de gedachte dat een mens in staat is tot zelfverbetering en daartoe ook een plicht heeft. Een humanist is niet alleen iemand die zich bekwaamd heeft in het Grieks en Latijn, maar iemand die leeft – bijna Christelijk – vanuit openheid van geest, sympathie met de medemens, en karaktervorming.

Aan de grote bibliotheek die aan het humanisme is gewijd en waar Babbitt begin twintigste eeuw zijn bijdrage leverde, is nu een bundel toegevoegd van eenentwintig essays van de Vlaamse classicus Jozef IJsewijn (1932-1998) getiteld Humanism in the low countries. De essays zijn geschreven in de periode 1966-1996 toen IJsewijn professor was aan de Katholieke Universiteit Leuven. IJsewijn publiceerde in de jaren zeventig en tachtig enkele werken over humanisme en (universiteiten in) de middeleeuwen, maar veel werk van hem is niet gepubliceerd. De nu verschenen vertaalde essays maken dat voor een groot deel goed. IJsewijn’s voormalig leerling Gilbert Tournoy heeft een prachtige selectie gemaakt van geschriften die karakteristiek zijn voor IJsewijn’s vakgebied, over een periode in de geschiedenis waar te weinig over wordt gelezen, maar die niettemin fascinerend blijft.

De afdaling van het humanisme in Italië naar de Lage Landen heeft een eigenaardige geschiedenis. Het voltrok zich in een groot gebied van het noorden van de Nederlanden tot het Oosten, langs Emden, Münster, de historische vestingstad Wesel, Keulen, langs de Rijn in de richting van het graafschap van Sponheim (dat later deel werd van het Heilige Roomse-rijk), en richting het zuiden langs Trier, het Franse Cambrai (waar eeuwen later de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog gegraven zouden worden), en Boulogne-sur-mere, met haar toen nog niet gebouwde Basilica de Notre Dame. De ontvouwing van het humanisme deed echter lang op zich wachten, schrijft IJsewijn, die een levendige schrijfstijl heeft en een grote hoeveelheid kennis in beperkte ruimte kwijt weet, voornamelijk vanwege twee fundamentele verschillen tussen Italië en de Lage Landen. De Renaissance in Italië was in eerste instantie een poging om het Romeinse rijk in culturele zin nieuw leven in te blazen.

In de Lage Landen kwam die nostalgie naar de Romeinen geenszins voor. De historische verbanden waarin er wel, maar die waren bij lange na niet zo sterk als in Italië, uiteraard het voormalig hart van de Romeinse heerschappij. In de Lage Landen heersten de vrome scholastici, de theologen, vergeten mannen als Heimericus de Campo, Henricus van Zomeren, Dionysius de Kartuizer (een Vlaamse mysticus), Petrus Crockaert, Wessel Gansfort en Petrus Dorlandus. ‘Terwijl in het Italië van het Trecento [veertiende eeuw]’ dichters en literatoren de dominante persoonlijkheden waren, schrijft IJsewijn, ‘waren hun vooraanstaande tijdgenoten in de Nederlanden mystici’, zoals Johannes Ruisbroek van Brussel en Geert Grote van Deventer, al had de laatste ook een humanistische inslag, zo blijkt uit zijn streven naar ‘Moderne Devotie’ (verinnerlijking en verdieping van het geestelijk leven).

Een tweede reden dat het humanisme zich maar moeizaam een weg baande in de Nederlanden was dat in Italië humanisten en universiteiten van het ‘nieuwe leren’ op geldelijke steun konden rekenen van magistraten en aristocraten, terwijl in de Nederlanden tot ver in de vijftiende eeuw het leren nog vooral plaats vond in kloosters. Adwert of Aduard, vlakbij Groningen, was bijvoorbeeld zo’n klooster. Tot ver in de vijftien eeuw waren de sporen van het humanistische leren daarbuiten nauwelijks zichtbaar.

IJsewijn suggereert zelfs dat de inwoners van de Nederlanden er niets van moesten hebben, zich er weinig gevoelig toonden. Karakteristiek is verhaal van Stephanus Surigonus, een dichter uit Milaan. In 1472 bezocht hij Leuven, en probeerde hij de studie van de Latijnse poëzie te introduceren aan de (katholieke) universiteit. Dat bleek echter onbegonnen werk. Professoren waren niet geďnteresseerd, evenmin als de lokale gegoede burgerij (mecenassen die zich interesseerden voor studie naar de littereae humaniores zouden zich pas in de zestiende eeuw roeren) Hij bood ook zijn diensten aan als Panegyrist – of ‘publiek spreker’ – maar de universiteiten van Leuven en Brussel reageerden afwijzend, en hij vertrok weer uit ‘het rijke land dat geen dichters kon waarderen’. Het is erg verleidelijk om die typering ook van toepassing te verklaren op de Lage Landen van vandaag.

Verandering kwam pas tegen het eind van de vijftiende eeuw. Daarvóór kon ook iemand als Rudolph Agricola, een vooraanstaand Nederlandse humanist (die de tand des tijds helaas niet zo goed heeft doorstaan als Erasmus) zich nog, zo zegt IJsewijn, ‘een banneling onder de barbaren voelen, toen hij na zijn terugkeer uit Ferrara, in dienst trad bij de stad Groningen’. Desondanks zou Agricola met zijn vertalingen van Griekse teksten de weg wijzen naar de latere opleving van het humanisme. Dat was zeer uitzonderlijk, zeker daar Agricola eerst als jurist werd opgeleid, maar, vermoeid door de droge teksten, zich richtte op de Klassieken. Het is fascinerend om te bedenken dat die ogenschijnlijk onbeduidende keuze om zijn eigen weg te gaan zo’n relatief grote invloed heeft gehad op het verloop van de geschiedenis.

Het humanisme in de Lage Landen arriveerde voor een groot deel, zo schrijft IJsewijn bijna ontroerend, ‘in de bagage’ van Italianen die zich vestigden in Leuven, Brussel, Brugge, en in de Noordelijke Nederlanden. Het is ook niet te begrijpen als het niet gezien wordt als een gedachtewisseling. De Europese beschaving is er überhaupt voor een aanzienlijk deel één van uitwisseling en gesprek, soms opgetekend in brieven, soms niet waarna de mondelinge overlevering veel heeft geconsolideerd. Wie zich echt verdiept in het humanisme – of in het Christendom wat dat betreft – ziet dat culturele verbondenheid van het oude continent niet alleen evident is, maar ook dat elke poging om de natiestaten van nu tot netjes afgebakende culturele eenheden te verheffen, er een karikatuur van maakt. Net als de Europese rivieren door de verschillende landen meanderen, zo lopen de culturen die we nu zo vaak van elkaar isoleren door de moderne staten van vandaag.

Het waren de pioniers van de humanistische leer, die de, zo schrijft IJsewijn met veel gevoel, hun ‘liefde voor het klassieke Latijn naar de Lage Landen brachten’. Anselmus Fabri van Breda en de Thomist Dominicus van Vlaanderen bijvoorbeeld. Of Gerardus de Lisa van Gent, die naar Venetië afreisde, zich uiteindelijk in Treviso vestigde, boekdrukker werd en geschriften verspreidde. Of Antonio Columbella de Recaneto en Lodovico de Garsiis, die betrokken waren bij de oprichting van de Universiteit van Leuven. Tekenend voor dit pionierschap is ook de correspondentie tussen Poggio Bracciolini – geleerde en ontdekker van Lucretius’ De Rerum Natura – en de Deken van de kathedraal van Utrecht Willem van Heze.

In december 1451 schreef Bracciolini hem het volgende: ‘Een geleerde man, de Deken Jacob van Borselen, kwam recent naar me en liet me enkele documenten van uw zien […]. Ik begreep daaruit dat u niet weinig aandacht besteed aan onze studia humanitatis. Ik verwonderde me over het feit dat een man zo hongerig naar eloquentie en de artes Liberales zo ver van Italië gevonden kon worden, het land waar deze studies zo gewoon lijken. Overal op aarde worden prachtige geaardheden geboren, geschikt voor allerlei soorten instructie, net als vruchtbare velden gecultiveerd worden als mensen de wens hebben er aandacht en zorg aan te besteden’. Poggio Bracciolini merkte op dat Willem van Heze veel van de oraties van Cicero niet in zijn bezit had, en hij beloofde die op te sturen. Ook zou hij navragen of andere werken van Cicero beschikbaar zouden zijn in Florence, waar hij woonde. ‘Werkelijk’, schreef hij, ‘die boeken zijn zelden beschikbaar, en wie ze hebben wil zal ze moeten laten kopiëren.’

Er zouden drie periodes kunnen worden onderscheiden van de verspreiding van het humanisme. Eerst zijn er de jaren zestig van de vijftiende eeuw, waar de aandacht voor de nieuwe leer slechts bij een enkeling bestond. Vervolgens is er de periode van de pioniers, grofweg van 1470 tot 1485. Agricola en anderen en ‘reizende dichters’ of corresponderende geleerden legden het fundament voor de latere culminatie van het humanisme in de Lage Landen van 1550 tot 1650, veel later dan de Italiaanse Renaissance. Rond het begin van de zestiende eeuw vonden, schrijft IJsewijn, ‘elementen van Italiaans humanisme in het algehele culturele milieu van de Lage Landen te wortelen’, al zouden de sacrae litterae nooit helemaal verdrongen worden. Bovendien zou de preoccupatie met hervorming van het Christendom zich opnieuw naar de voorgrond dringen. Het is ook een karakteristiek voor de Lage Landen dat de scholastiek niet écht verdween, en ook naast het humanisme kón bestaan. Dat getuigde van grote intellectuele tolerantie.

IJsewijn spreekt van de Erasmiaanse tijd om de periode aan te duiden waarin de humanistische leer ook in universiteiten een ingang vond. De grammatica, jurisprudentie, medische leer, en wiskunde werden langzaam gegeven door opgeleide humanisten, bekend met de studia humanitatis en de Latijnse taal. Het was volgens IJsewijn een ‘transformatie die niet alleen hun [van de nieuwe leermeesters] taal beďnvloedde, maar ook de methodes, de manier van lesgeven, en de onderzoeksmethodes.’ In de vijftiende eeuw kon er nog grotendeels worden gebouwd op boeken en vertalingen uit Italië, maar gaandeweg kregen studenten hun eigen bloemlezingen, handboeken, vertalingen, en adagia. Erasmus, Maarten Dorpius – de boekdrukker en uitgever met een grote liefde voor literatuur –, Laurens van den Beeck, en de dichter Petrus Pontanus (Van der Brugge) bijvoorbeeld droegen daar grotendeels aan bij, maar ook een Spaanse geleerde als Juan (of Johannes) Vives, die het grootste deel van zijn leven in Nederland leefde.

Wie IJsewijn’s essays leest wordt heen en weer gegooid tussen bewondering en lichte droefheid. De bundel is – ook voor niet Latinisten – plezierig en inspirerend om te lezen. Tegelijkertijd doen al die vergeten namen de lezer achter de oren krabben. Vrijwel alle pioniers van een evident invloedrijke historische periode maken geen deel uit van het geschiedenisonderwijs. Dat is vreselijk zonde, want wie het continent Europa wil begrijpen, de verschillen én overeenkomsten van toen en nu wil doorgronden, kan niet volstaan met geďsoleerde kennis van prominenten figuren of gladgestreken globale periodes (‘De Renaissance’, ‘De Middeleeuwen’, ‘De Verlichting’). Wat dat betreft lijkt IJsewijn’s bundel te zeggen: verbreed en verdiep de canon! Zorg dat een vak algemene vorming door alle bacheloropleidingen van de universiteiten heen loopt. Geef geschiedenis een prominenter plaats in het middelbaar onderwijs. Schijn opnieuw licht op de geschiedenis, voed, zoals Babbitt in zijn essay schreef – en waar de humanisten om bekend stonden – ‘what Emerson calls a canine appetite for knowledge.’


Recensie door Daniël Boomsma

Jozef IJsewijn, Humanism in the low countries, Leuven University Press, 2015

Links
mailto:Daniel_Boomsma@hotmail.com
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be