Dankbaar en aandachtig

boek

Ger Groot en Samuel IJsseling

Samuel IJsseling, geboren in Delft in 1932 in een goed katholiek nest, ging op internaat bij de Norbertijnen en deed daar zijn interesse voor filosofie op. Naar aanleiding van zijn tachtigste verjaardag had Ger Groot (hoogleraar Filosofie en Literatuur aan de Radboud Universiteit Nijmegen) een aantal gesprekken met IJsseling over zijn denken, zijn leven, herinneringen en overtuigingen. Dit boek moest er volgens Hans Achterhuis (die een voorwoord heeft in het boek) komen omdat IJsselings persoon een spiegel is van een Nederlands en Europees verleden dat niet mag verloren gaan.

Eén van de opdelingen die je over filosofie kan maken is die tussen continentale en Angelsaksische (of analytische) filosofie. Continentale filosofie wordt historisch vooral getypeerd door de negentiende en twintigste eeuwse filosofische ontwikkelingen in Duitsland en Frankrijk; vandaar de benaming ‘continentaal’. IJsseling behoort uitdrukkelijk tot de continentale filosofie, voor hem is filosofie in de eerste plaats een zaak van lezen en schrijven. De Nederlandse filosoof is uiterst kritisch voor die filosofie die leeft van de pretentie volkomen autonoom en principieel inzichtelijk te zijn. Die pretentie kan ze nooit waarmaken stelt Ijsseling. Het is volgens hem met name de literatuur die ons de werkelijkheid van de menselijke verhoudingen toont in heel hun ingewikkeldheid. IJsseling pleit voor een ‘historisch filosoferen’, dat is niet over iemand schrijven maar die zijn denken aan het werk te zetten. Ijsseling is een belichaming van de ontmoeting van de Duitse en Franse denktradities, met Heidegger en Derrida als belangrijkste inspiratiebronnen.

In 1953 trad IJsseling in bij de Augustijnen te Eindhoven. Daar was het dat een van zijn docenten hem op het spoor zette van Heidegger, en die Heidegger zou Ijsseling niet meer loslaten. Daarnaast waren de Augustijnen in Eindhoven vol lof over de universiteit van Leuven. Na zijn studie in Rome en priesterwijding in 1959, kreeg Ijsselings opleiding dan ook een logisch verlengde aan het Hoger Instituut voor Wijsbegeerte van de KU Leuven. Tien jaar later trad de Nederlandse filosoof er aan als hoogleraar moderne en hedendaagse filosofie. In 1974 werd hij er zelfs directeur van het Husserl-Archief. Vlak voor de tweede wereldoorlog had Herman van Breda de hele nalantenschap van Edmund Husserl naar Leuven overgebracht om het te behoeden voor vernietiging door de nazi’s. Bijna alle filosofen met enige belangstelling voor de fenomenolgie of de geschiedenis van de hedendaagse wijsbegeerte zijn voor korte of lange tijd te gast geweest op het archief. Leuven was een voorloper op het gebied van fenomenologie, en daar zat dus Samuel IJsseling.

Misschien was IJsseling wat te intellectualistisch en te weinig religieus. In ieder geval liet hij in 1975 weten aan de Nederlandse provinciaal dat hij zichzelf niet langer beschouwde als lid van de orde. IJsseling zegt daarover dat hij zich niet langer meer kon verzoenen met het spreken namens een instituut waarin hij niet meer kon geloven. IJsselings denken stond niet stil. Het bracht hem van katholicisme naar het heidens polytheisme, en van existentialisme naar postmodernisme. IJsseling stelt dat hij zich heeft moeten vrijmaken van het klassieke waarheids-ethos van de filosofie om oog te krijgen voor de kracht van de retoriek. Zo houdt IJsseling een pleidooi voor pluralisme en wijst hij het zoeken van de waarheid als filosoof af. Argumenten moeten volgens hem niet alleen onderzocht worden op hun geldigheid maar ook op hun feitelijk functioneren. De pretentie de waarheid te spreken is een verleidingsstrategie, persuasieve communicatie.

Elk wijsgerig geschrift zit vol retorische trucs, maar die worden onzichtbaar wanneer de filosofie haar eigen tekstuele karakter als een niet ter zake doende buitenkant begint te beschouwen. Ijsseling verwijst naar een beroemde uitspraak van Derrida: ‘Il n’y a pas de hors-texte‘; elke tekst heeft een contekst en deze is medebepalend voor de betekenis. Maar ook die contekst ligt niet definitief vast. Zelfs aan de schrijver of spreker zélf ontgaan de effecten van wat men zegt of schrijft. Derrida noemde dat ‘disseminatie’; de betekenisproduktie is niet volkomen beheersbaar. Die gedachte is IJsseling dierbaar: “Al wat is verwijst altijd naar iets anders, en is daarop aangewezen om te kunnen bestaan en te kunnen worden verstaan.” Terwijl de fenomenologie zich helemaal richtte op het bewustzijn en dat centaal stelde, benadrukten denkers als Derrida dat het bewustzijn op zijn beurt een effect is van iets anders. De werkelijkheid draait niet om het ‘ik’ maar brengt dat laatste net voort.

“Het meest wezenlijke wat wij ontvangen is ons zijn.” zegt IJsseling en “Het denken is het wezen van de mens.” Het kennen is voor IJseling secundair. Bij Husserl is het subject nog betrokken op de wereld in een ken-relatie. “Bij Heidegger wordt dat: in-der-Welt-sein. Het is door en door betrokken op de wereld, in een bepaalde gestemdheid, en opgenomen in een relatie van zorg.” Voor wie niet vertrouwd is met continentale filsofie kan dit wat raadselachtig klinken. Dergelijk taalgebruik staat in ieder geval ver af van wat analytische filosofie doet. IJsling betreurt dat de academische filosofie steeds een meer technische richting uitgaat. Analytische filosofie is voor hem een bepaald soort wetenschap “die heel belangrijk is voor het ontrafelen van redeneringen, et cetera”. Hij staat er niet vijandig tegenover, maar vindt het wel een ander terrein.

Wat opvalt in het boek is dat het heel weinig gaat over wat we als mens moeten doen. IJsseling is ongetwijfeld dankbaar en aandachtig maar het is me helemaal niet duidelijk welke richting we volgens hem zouden moeten uitgaan. Hij noemt zichzelf eerder een epicurist dan een stoïcijn, maar denkt nu ook vaak: “het is één grote puinhoop.” De grootste drijfveer is voor IJsseling de gedachte dat een leven dat niet reflecteert op zichzelf geen menswaardig leven is. Ik kan dat beamen, maar als dat reflecteren niet gericht is op de toekomst en geen hoop kan bieden dan schiet het voor mij te kort. IJsseling geeft verklaringen over het leven, geen rechtvaardigingen over hoe we zouden moeten leven.

In dit boek is ethiek een opvallende afwezige. Hoe we moeten handelen en samenleven, het staat er niet in. Maar dat mag ons misschien niet verbazen. Een belangrijk uitgangspunt voor IJsseling is immers dat ‘de waarheid’ een problematische notie is. Dat maakt het vinden van consensus of een norm extra problematisch. IJsseling spreekt liever over alètheia, over onverborgenheid dan over de waarheid. Alètheia is geen waarheid als overeenkomst van de woorden met de werkelijkheid. De waarheid moet volgens IJsseling in zekere zin gesticht worden. Aan de andere verborgenheid ontworsteld.” Waarheid is niet een ding, maar een soortbegrip, ze wordt gesticht en voortgebracht in het spreken zelf. Het denken houdt zich op in ‘een weefsel van reeds bestaande teksten en van nieuwe mogelijke teksten’.

Ger Groot houdt zich als kronikeur van dienst meestal op de achtergrond maar naar het einde toe wordt het toch wat heftiger als Groot stelt dat de Verlichtingsdenker in hem tegenover IJsseling ‘hardnekkig op zijn ponteneur’ blijft. Tegen IJsseling in werpt Groot op dat één gedachte fundamenteel is, namelijk “dat alle mensen gelijk zijn. Zo fundamenteel dat wij haar boven alles stellen en er een soort transcendente status aan verlenen. Wij kunnen het niet stellen zonder een eenheidspunt waar we ons denken en doen, onze politiek en wetgeving afstemmen”. En verder wijst Groot op het relativistisch gevaar in IJsselings denken door te stellen dat als je verdeeldheid als uitgangspunt neemt, “dan kom je uit bij een stel warlords die elkaar bestrijden”. Maar IJsseling blijft tegenover wat hij noemt “de fascinatie met de eenheid -één redelijkheid, één wetenschap, en één ware filosofie” een pleidooi houden voor de veelheid, voor pluralisme in alle mogelijke vormen. Aanvaarding van veelheid is volgens de Nederlandse filosoof een opgave van filosofisch realisme.

Dit boek geeft de lezer een blik op een stuk Europese filosofische geschiedenis (spijtig dat er geen index is opgenomen) en op het leven en denken van de continentaal filosoof Samuel IJsseling. Het is een boek dat je naar mijn mening met de nodige bedachtzaamheid moet (her)lezen. Tot slot, een uitspraak die ik volmondig met IJsseling kan delen is deze: dat de grote politieke rampen van de twintigste eeuw zijn veroorzaakt vanuit het verlangen om de realiteit naar eigen hand te zetten, tot eenheid te dwingen. “Zoek je naar eenheid als politiek beginsel, dan kom je juist bij de dictaturen en tirannieën uit.”


Recensie door Claude Nijs

Links
mailto:claudenijs@me.com
Share |

De Arabische Revolutie:

tussen droom en werkelijkheid

Op woensdag 5 april 20.00 uur

Afspraak in De Markten (Oude graanmarkt 5, 1000 Brussel) voor een avond met Koert Debeuf,

schrijver, columnist, directeur van het Tahrir Institute for Middle East Policy Europe en onderzoeker aan de Universiteit van Oxford.

Zijn recentste boek is "Inside the Arab Revolution. Three Years on the Front Line of the Arab Spring".

Koert zal gebaseerd op zijn persoonlijke ervaringen de Arabische Revolutie trachten te kaderen door parallellen te trekken met de Franse Revolutie en door een aantal inzichten te bieden in het Midden Oosten.

Uw aanmeldingsmail aan info@liberales.be geldt als inschrijving.

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be