Vrijheid verplicht

boek vrijdag 27 januari 2006

Menno Hurenkamp en Monique Kremer

Keuzevrijheid is een belangrijke verworvenheid van onze tijd. Meer nog, het is een essentieel kenmerk van maatschappijen waarvan democratie en vrije markt de grondslagen vormen. De mogelijkheid om zelf keuzes te maken over de invulling van zijn of haar leven, de aankoop van producten en het bekomen van diensten is zodanig ingeburgerd dat men zich moeilijk kan indenken dat men dit zou terugdraaien. Keuzevrijheid is typisch zo’n idee dat op papier iedereen gelukkig maakt. Alle politici zijn er dan ook voor. Maar wat als mensen eigenlijk niet willen kiezen? Of als ze niet kunnen kiezen omdat ze daar om een of andere reden niet toe in staat zijn? Krijg je, als je niet kiest, nog steeds kwaliteit, of heb je dan je rechten op fatsoenlijke behandeling verspeeld? Is keuzevrijheid in morele vraagstukken niet van een heel andere orde dan keuzevrijheid in consumentenkwesties? Over de grenzen van de keuzevrijheid schreven zestien wetenschappers onder redactie van politicoloog Menno Hurenkamp en sociologe Monique Kremer het interessante boek Vrijheid verplicht. Over tevredenheid en de grenzen van keuzevrijheid.

In hun inleiding stellen de twee eindredacteurs vast dat keuzevrijheid niet per definitie meer kwaliteit of geluk betekent en dat heel wat mensen kampen met ‘keuzevermoeidheid’ en ‘keuzestress’. Ze verwijzen naar de terughoudendheid van heel wat consumenten om in de vrijgemaakte energiemarkt of de meer gepersonaliseerde zorgverzekering uit hun vertrouwde systeem te stappen, dit in tegenstelling tot de markt voor de telefonie waar de liberalisering blijkbaar succesvol was. Het lijkt hen te verbazen maar in feite is dit heel gewoon en zegt dit eigenlijk weinig over de ‘waarde’ van het kunnen kiezen. In onze democratische en welvarende samenleving kunnen mensen zich inderdaad permitteren om bepaalde keuzes net ‘niet’ te hoeven maken zonder dat dit een wezenlijke impact heeft op hun leven. De échte waarde van de keuzevrijheid lijkt me essentiëler wanneer we het hebben over samenlevingen waarin mensen helemaal geen mogelijkheden hebben om hun eigen levensplan te volgen, om te beslissen met wie ze gaan huwen of niet, of ze kinderen krijgen of niet, waar ze zich zullen vestigen, welk beroep ze zullen uitoefenen, enzovoort. Nauwelijks zestien jaar geleden ontbrak die keuzevrijheid voor honderden miljoenen mensen in Oost Europa en de Sovjet-Unie, en ook vandaag nog leven talloze mensen in samenlevingen waarin ze om politieke, culturele of religieuze redenen elke vrijheid ontberen.

Dat neemt niet weg dat ook in vrije en democratische samenlevingen de keuzevrijheid voor velen louter theorie is. In zijn bijdrage De homo economicus als tevredenheidsdier wijst econoom Olav Velthuis terecht op het feit dat het maken van keuzes niet los kan gezien worden van ‘socialisatie en imitatie’ en dat het succes van de keuzemaatschappij staat of valt met de mate waarin mensen over sociale verbanden, instituties en technologie beschikken die burgers helpen met de veelheid aan keuzes waarvoor ze staan. En zelfs dan blijft het voor heel wat mensen moeilijk om te kiezen. Vaak omdat ze niet beschikken over adequate informatie of mogelijke consequenties van hun keuzes. Ewald Engelen geeft het voorbeeld van een gecompliceerde botbreuk waarbij het onmogelijk is vooral in te schatten wat de kosten ervan zullen zijn, terwijl dat in een systeem van complete marktwerking toch moet gebeuren. Dit en andere voorbeelden geven aan dat marktwerking, zeg maar privatisering van bepaalde publieke sectoren zoals het onderwijs en de sociale zekerheid, onwenselijk is. Dit standpunt staat lijnrecht tegenover bepaalde ideeën van libertariërs en marktfundamentalisten die menen dat private verzekeringen in de gezondheidszorg zullen leiden tot meer efficiëntie. De realiteit is dat heel wat kwetsbare mensen dan uit de boot zullen vallen. ‘Als de gewone man zijn been breekt dan wil hij gips, geen offerte’, zo schreef Menno Hurenkamp ooit in De Groene Amsterdammer en hij heeft gelijk.

Ook Monique Kremer wijst er terecht op dat de verplichte solidariteit een andere vrijheid terug geeft. Het lijkt een paradox maar dat is het niet. Net een sterke sociale zekerheid biedt ouderen, zieken, gehandicapten en andere behoeftigen de kans om invulling te geven aan hun eigen levensplan. Ze verwijst daarbij naar de liberale filosoof John Rawls en zijn gedachteexperiment rond de ‘sluier van onwetendheid’ waarbij mensen vanuit een oorspronkelijke situatie – als men niet weet of men vandaag rijk of arm, gezond of ziek, man of vrouw, blank of zwart is – over de verdeling van de welvaart tot een goed evenwicht zullen komen tussen vrijheid en rechtvaardigheid. ‘Solidariteit is het stevigst wanneer mensen denken dat ze zelf ook belang hebben bij een goede verzekering’, zo schrijft ze. Het woord ‘denken’ lijkt me nog te beperkt, een geruststellender woord is hier ‘weten’. Naast de in onze contreien brede consensus over de noodzaak van een sociaal zekerheidssysteem zien we ook bij tal van goed-doel-acties dat mensen waarlijk solidair zijn en bereid zijn te delen. Althans voor zover ze zeker zijn dat hun bijdrage ten goede komt aan wie het echt nodig heeft. Het is net de onduidelijkheid of het geld wel naar de échte noodlijdenden vloeit dat oorzaak is van de legitimiteitscrisis van de sociale zekerheid. Daarom hebben we alle belang om het systeem efficiënt en transparant te maken. Dat neemt niet weg dat Kremers centrale stelling dat een goede verzorgingsstaat mensen meer vrijheid geeft, in plaats van minder, overeind blijft.

‘Dokters moeten niet kijken wie het rijkst, het liefst, het braafst of het belangrijkst is, zij moeten kijken wie er het ergst aan toe is en die patiënt komt het eerst’, aldus Margo Trappenburg en Stef Groenewoud in hun bijdrage over de nieuwe ongelijkheden in de gezondheidszorg. Hiermee vertolken ze de gelijkheidsgedachte van de Verlichting en raken aan de kern van het humanisme. Het willen toereiken van meer individuele keuzevrijheid binnen de gezondheidszorg is vaak een verdoken vorm om het sociale beschermingssysteem zoals we dat in een aantal West-Europese landen kennen onderuit te halen, maar dat zou bijzonder nadelig zijn voor de zwakken in de samenleving. Ook deze auteurs baseren zich op de klassieke rechtvaardigheidstheorie van John Rawls die stelde dat sociaal-economische ongelijkheid te rechtvaardigen is voor zover ook de minstbedeelden erop vooruit gaan. In dezelfde zin betogen Niels Noorlander en Paul Zoontjens voor een onderwijssysteem dat gericht moet zijn op de ontwikkeling en verwezenlijking van het vrije individu. Hoe moet het dan met de praktijk op islamitische scholen? Uit de recente publicatie Haram van kinderjuf Fenny Brinkman in de islamitische basisschool As-Siddieq, in het stadsdeel De Baarsjes in Amsterdam, blijkt alvast dat van een opvoeding tot ‘vrije’ individuen geen sprake is. De auteurs relativeren dit evenwel en wijzen erop dat uit onderzoek van de AIVD blijkt het om uitzonderlijke gevallen gaat.

In zijn bijdrage onderzoekt hoogleraar Hans Boutellier de moeilijke verhouding tussen vrijheid en veiligheid. Hij stelt dat keuzevrijheid onherroepelijk gepaard gaat met de dwang om te kiezen en dat klopt ook, al lijkt me opnieuw dat dit beter is dan het gewoon niet hebben van enige keuze. Hij verwijst naar Zymunt Bauman die stelt dat de riskante vrijheid leidt tot een ‘overwhelming feeling of uncertainty’. Mensen zouden daardoor gemakkelijk te verleiden en te misbruiken zijn door de markt en vatbaar zijn door eenieder die enige zekerheid biedt. Dit sluit aan bij Marcel Van Dams uitspraak dat mensen blijkbaar gemakkelijker kiezen voor het ongemak van het status-quo dan voor de onzekerheid van de verandering. Tal van onderzoeken bevestigen dit, maar wat moet je daarmee? Moeten we dan terug naar een maatschappij met vastgeankerde identiteiten ingebed in tradities en gewoontes zoals communitaristen en cultuurpessimistische filosofen als Ad Verbrugge voorstaan? Of moeten we leren omgaan met twijfel als een onderdeel van het postmoderne leven?

Hier ligt net de moeilijke taak voor diegenen die blijven geloven in de principes van de Verlichting en de moderniteit. De twijfel en het besef van onzekerheid vormen net de basis voor verdraagzaamheid, respect voor anderen en de vrijheid om zijn eigen mening te volgen. Onzekerheid en twijfel zijn inherent aan het individualisme en staan ook haaks op de evidenties en dogma’s die vanuit een collectivistisch en communitaristisch gedachtegoed geproclameerd worden. Deze gedachtegang werd pas echt scherp gesteld door Karl Popper. Hij stelde dat de waarheid nooit kan bereikt worden of minstens ‘voorlopig’ is. Alleen hypotheses zijn mogelijk en die hypotheses moeten dan steeds opnieuw onderworpen worden aan kritiek. Deze houding is fundamenteel progressief. Het is pas als men aanvaardt dat eigen inzichten geen absolute geldingskracht hebben – dus dat men twijfelt – dat men open kan staan voor de mening van anderen en dat men bereid is om zijn uitgangspunten bij te sturen. Dat vrijheid angst en onzekerheid kan teweegbrengen is juist, maar daarvoor hoeft ze niet aan banden gelegd te worden. Net om die reden moeten we elke illusie dat we als overheid zouden kunnen zorgen voor absolute veiligheid – zoals Bush graag laat uitschijnen in zijn war on terror – laten varen, en mogen we onze fundamentele rechten en vrijheden niet laten aantasten of inleveren voor een ‘virtuele’ veiligheid.

Ook publicist Jos van der Lans wijst erop dat er geen zuivere keuzevrijheid bestaat, maar tegelijk maakt hij duidelijk dat kunnen kiezen een basiskwaliteit is voor menselijk leven. Hiermee spoort hij met ideeën van liberale denkers als Amartya Sen en Martha Nussbaum die beklemtonen dat zonder onderwijs, openbaar vervoer, elektriciteit en andere infrastructuur vrijheid een leeg begrip is. Vrijheid betekent ergens toe in staat zijn, dat is wat de capabilities approach van Nussbaum duidelijk maakt. Mensen moeten de mogelijkheid hebben om te kunnen kiezen en voor zichzelf kunnen opkomen. Daar zou men nog kunnen aan toevoegen dat vrijheid voor iedereen moet gelden, want zolang niet iedereen vrij is, is vrijheid niets meer dan een voorrecht, en voorrechten kunnen moeilijk de morele basis voor onze samenleving zijn. Het maakt dat mensen die afhankelijk of hulpeloos zijn in hun burgerschap worden beperkt. Vrijheid is derhalve geen evidentie, maar een na te streven positie. Mogen kiezen is een voorrecht dat we moeten koesteren en beschermen.

De diverse auteurs geven een wat pessimistisch beeld van de keuzevrijheid. Steeds opnieuw wijzen ze op het feit dat mensen eerder hunkeren naar zekerheid en kiezen lastig vinden want te moeilijk en te complex. Daarbij focussen ze heel sterk op de problematiek van de zorg en daar hebben ze gelijk. Maar op tal van andere vlakken is de toegenomen keuzevrijheid net een enorme verrijking en bevrijding voor tal van mensen en dat wordt al te weinig of niet beklemtoond. Op tal van essentiële vlakken is de keuzevrijheid toegenomen, vooral van vrouwen. Zoals de keuze van een partner, de keuze om al dan niet kinderen te krijgen, de keuze om een beroep uit te oefenen. Zaken die vroeger opgelegd werden door de familie, door de man of door de ‘natuur’. Maar ook op andere vlakken hebben we momenteel meer vrijheid. Neem de situatie in België. Daar kende men tot tien jaar geleden een staatsmonopolie inzake telefoonverkeer, waarbij men maanden moest wachten op een aansluiting - tenzij men een minister kende – en dit aan onvoorstelbaar hoge prijzen. Vroeger kende men in België één luchtvaartmaatschappij: Sabena. Meer dan vijftig jaar vloog die door de overheid gesubsidieerde maatschappij met verlies. Vier jaar geleden werd ze opgeheven, er kwam een private onderneming in de plaats en sindsdien maakt ze (een bescheiden) winst. Vroeger bestond er één door de overheid betaalde televisiezender. Nu bestaat er een ruim aanbod van programma’s die kwalitatief beter zijn.

Meer keuzevrijheid kan lastig zijn en de ‘dwang’ om te kiezen drukkend. Maar die vervelende bijwerkingen vervallen in het niets tegenover situaties waarin mensen gewoon geen enkele keuze hebben. Op dat ogenblik beseft iedereen hoe waardevol keuzevrijheid is. Met keuzevrijheid is het zoals met de liefde. Het is onmogelijk om die te exact definiëren en concreet af te bakenen. Tot we ze verliezen of moeten ontberen. Pas dan beseffen we hoe belangrijk ze is en hoezeer we ze nodig hebben om een menswaardig bestaan te leiden.


Recensie door Dirk Verhofstadt

Menno Hurenkamp en Monique Kremer (red), Vrijheid verplicht, Van Gennep, 2005

Links
mailto:verhofstadt.dirk@pandora.be
Share |

De Arabische Revolutie:

tussen droom en werkelijkheid

Op woensdag 5 april 20.00 uur

Afspraak in De Markten (Oude graanmarkt 5, 1000 Brussel) voor een avond met Koert Debeuf,

schrijver, columnist, directeur van het Tahrir Institute for Middle East Policy Europe en onderzoeker aan de Universiteit van Oxford.

Zijn recentste boek is "Inside the Arab Revolution. Three Years on the Front Line of the Arab Spring".

Koert zal gebaseerd op zijn persoonlijke ervaringen de Arabische Revolutie trachten te kaderen door parallellen te trekken met de Franse Revolutie en door een aantal inzichten te bieden in het Midden Oosten.

Uw aanmeldingsmail aan info@liberales.be geldt als inschrijving.

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be