Inventing Human Rights. A History

boek vrijdag 16 januari 2009

Lynn Hunt

1.

Het einde van de 18de eeuw is een bijzondere boeiende periode. Ontegensprekelijk moeten we dit tijdsgewricht zien als één van de meest invloedrijke momenten in de vorming van het moderne westen. Ideeën die opdoken tijdens de renaissance, de wetenschappelijke revolutie en de Verlichting culmineerden tijdens deze periode in idealen en principes die werden verkondigd door de Amerikaanse en de Franse revolutie. Het einde van de 18de eeuw was ook het moment waarop er voor het eerst openlijk en ruimverspreid werd gesproken over mensenrechten. Denken we maar aan de verklaringen van de rechten van de mens en de burger in het heetst van de strijd van de Franse revolutie of aan de baanbrekende woorden van Thomas Jefferson die gewag maakte van de zelfevidente en onvervreemdbare rechten van de mens in de Amerikaanse verklaring van onafhankelijkheid opgetekend in 1776. De Amerikaanse historica Lynn Hunt gaat in haar nieuwste boek op zoek naar het ontstaan van de centrale positie van mensenrechten binnen de westerse cultuur. Daarna schenkt ze ook aandacht aan de geschiedenis van het denken over mensenrechten tijdens de loop van de 19de en het begin van de 20ste eeuw. Het eindresultaat is een helder en krachtig boek over één van de meest progressieve idealen van de westerse wereld. In de volgende paragrafen zal het boek Inventing Human Rights. A History van Lynn Hunt worden besproken. Eerst volgt wat achtergrondinformatie over de schrijfster en haar wetenschappelijke positionering.

Lynn Hunt is als Eugen Weber professor geschiedenis verbonden aan de universiteit van Californië in Los Angeles. Ze staat bekend als een vooraanstaand kenner van de Franse geschiedenis tijdens de periode van de Franse revolutie en droeg als theoreticus bij aan het denken over de academische subdiscipline van cultuurgeschiedenis. Dit is een tak binnen de geschiedschrijving die de laatste jaren aan belang heeft gewonnen door middel van de inspanningen van Peter Burke. Samen met Burke stond Lynn Hunt mee aan de wieg van de zogenaamde culturele omwenteling binnen de westerse geschiedschrijving. In 1989 publiceerde ze het invloedrijke boek The New Cultural History. Cultuurgeschiedenis kan aanzien worden als geschiedschrijving met bijzonder veel aandacht voor de rol van het denken van gewone individuen en voor cultuur in de meest brede zin van het woord op de ontwikkeling van gebeurtenissen. Daar waar traditionele historici vaak uitsluitend aandacht schenken aan grote figuren of belangrijke evenementen, proberen wetenschappers zoals Peter Burke en Lynn Hunt de aandacht van geschiedschrijving zo breed mogelijk te houden. Deze benadering is goed zichtbaar in het laatste boek van Hunt. Op een briljante manier slaagt ze er in om culturele ontwikkelingen aan het einde van de 18de eeuw te verbinden met de belangrijke politieke revoluties. Cultuurgeschiedenis is een historische subdiscipline die er in slaagt om diep door te dringen binnen de diepe structuren van cultuur zoals beschreven door de antropoloog Clifford Geertz. Dit levert dan ook vaak boeiende narratieven op die een groot inzicht opleveren in cruciale periodes uit het verleden. Dat is in dit boek niet anders.

2.

De factor waarmee we rekening moeten houden bij het analyseren van de opkomst van mensenrechten is de opkomst van de briefroman. Deze vorm van schrijven werd bijzonder populair in het midden van de 18de eeuw en had een grote invloed op de mensen van die tijd. Briefromans werden gretig gelezen en hadden een grote invloed op het denken over mens en maatschappij. De meest vooraanstaande briefromanschrijvers waren de Franse filosoof Jean Jacques Rousseau en de Britse schrijver Samuel Richardson. Laatstgenoemde schreef in respectievelijk 1740 en 1748 de werken Pamela en Clarissa. Rousseau publiceerde in 1761 zijn immens populaire Julie, ou la nouvelle héloise. De reden waarom briefromans zoveel invloed hadden is volgens Hunt het nieuwe mensbeeld dat werd gepresenteerd in dit soort werken, alsmede de thematiek. In tegenstelling tot gewone romans in voorafgaande periodes handelden briefromans over het leven van gewone mensen. Op deze manier vonden ze aansluiting bij de leefwereld van gewone lezers op een manier dat onmogelijk was voor andere romans. Critici klagen tegenwoordig vaak over de langdradigheid en saaiheid van briefromans, maar lezers tijdens de 18de eeuw werden net door deze kwaliteiten aangetrokken tot het genre. Bovendien besteedden deze briefromans bijzonder veel aandacht aan het innerlijke leven. Dit kwam onder andere door het feit dat briefromans niet geschreven zijn vanuit het perspectief van een alwetende verteller (de auteur), maar vanuit het perspectief van de personages in casu de schrijvers van de brieven die het onderwerp uitmaken van de briefroman.

Briefromans openden het pad naar empathie. Dit wil zeggen dat ze het voor het eerst mogelijk maakten dat veel mensen in staat werden om zich in te leven in het reilen en zeilen van anderen. Het werd mogelijk om zich in te beelden dat andere individuen beschikten over morele autonomie. De briefromans maakten duidelijk dat andere mensen konden voelen, redeneren en handelen op een rationele en autonome manier. Bijgevolg was er iets aanwezig dat mensen met elkaar deelden en dat hen maakte tot lid van datgene wat gepopulariseerd zou worden onder de termen mensheid en beschaving. Hunt schrijft dit op bladzijde 39 neer op de volgende wijze: “Novels made the point that all people are fundamentally similar because of their inner feelings, and many novels showcased in particular the desire for autonomy.”

Opvallend in deze reflecties over de relatie tussen romans, psychologie, moraliteit en politiek zijn de overeenkomsten tussen de redeneringen van Lynn Hunt en het denken van de Amerikaanse filosofe Martha Nussbaum. Zij schreef reeds in enkele boeken uitvoerig over de rol van emoties binnen de westerse cultuur en politiek. In 2001 verscheen bij Cambridge University Press van haar hand het omvangrijke Upheavals of Thought. The Intelligence of Emotions waarin ze aan de hand van grote denkers en schrijvers doorheen de complete westerse geschiedenis de rol van emoties analyseert. Een minder omvangrijk essay van Nussbaum over dit onderwerp verscheen in 1995 bij Beacon Press en is getiteld Poetic Justice. The Literary Imagination and Public Life. Ook in nagenoeg al haar andere werken besteed ze aandacht aan de invloed van het lezen van bepaalde romans op ons denken. Zo kunnen we in Frontiers of Justice uit 2006 lezen over mogelijkheden om ons in te leven in het denken van mentaal gehandicapten en dieren door middel van het lezen van romans over desbetreffende. Opvallend genoeg valt er over Nussbaum niets te lezen bij Hunt. Misschien heeft dit te maken met een diepgewortelde terughoudendheid van historici om gebruik te maken van inzichten uit de filosofie. Voor lezers van Nussbaum is het echter snel duidelijk dat de invloed van briefromans op het denken aan het einde van de 18de eeuw, zoals dat wordt beschreven door Lynn Hunt, erg nauw aansluit bij het omvangrijke denken van deze vooraanstaande filosofe hieromtrent.

Empathie leidde volgens Hunt tot het ontstaan van een nieuwe psychologie die de basis zou gaan vormen van een nieuwe sociale en politieke orde. Op deze manier hadden briefromans een zeer diepgaande invloed op de westerse geschiedenis. Het leggen van deze complexe verbanden is het bedrijven van cultuurgeschiedenis op zijn best. De briefromans verschenen echter niet zomaar vanuit het niets op het toneel. Groot was de invloed van de het verlichte denken en de nadruk op autonomie dat terug te vinden is binnen het denken van de verlichting. Hierbij moeten we volgens Hunt denken aan de roman Robinson Crusoe van Daniel Defoe of het bekende essay van Immanuel Kant waarin deze beschrijft dat de Verlichting betekent dat de mens zich losmaakt van de ketens van traditie en onwetendheid. Het denken van de Verlichting legde een nadruk op autonomie en onafhankelijkheid die de voedingsbodem zouden gaan vormen voor de aandacht op het innerlijke van de briefromans. Door de opkomst van autonomie te situeren aan het einde van de 18de eeuw sluit dit boek aan bij de conclusies die werden getrokken door de Amerikaanse filosoof Jerome Schneewind in zijn boek The Invention of Autonomy: A History of Modern Philosophy uit 1998. Ook deze beweert dat het denken over autonomie ontstond tijdens deze cruciale periode in de geschiedenis. Schneewindt en zijn bevindingen worden goedkeurend aangehaald door Hunt.

In combinatie zorgden nieuwe filosofische inzichten samen met de brievenromans voor een nieuwe benadering van de mens. Deze werd aanzien als autonoom en onafhankelijk. Het is duidelijk dat zulk een mensbeeld noodzakelijk was voor het formuleren van mensenrechten. Zonder het idee van een autonoom individu is het ondenkbaar om te spreken van mensenrechten. Mensenrechten in het politieke domein konden pas naar boven komen na een culturele omslag die was gebaseerd op een nieuw mensbeeld. Dit mensbeeld was dit van de verlichting en werd gecultiveerd door de briefromans van Richardson, Rousseau en anderen. Zo kunnen we ook denken aan het boek Die Leiden des jungen Werthers van de Duitse romantische poëet Johan Wolfgang Goethe. Opmerkelijk genoeg ontbreekt dit werk in de analyse van Hunt. Allicht heeft dit te maken met haar benadrukking van ontwikkelingen in Frankrijk. Andere landen geraken hierdoor helaas uit het vizier.

De opkomst van het autonome individu is ook zichtbaar aan de hand van de schilderkunst. Steeds meer werden gewone mensen het onderwerp van schilderijen. Het einde van de 18de eeuw zag het ontstaan van de grote populariteit van het portretschilderij. Een belangrijk figuur binnen deze ontwikkelingen was de Britse schilder Joshua Reynolds die leefde tussen 1723 en 1792. Zijn portretschilderijen worden tot op de dag van vandaag wereldwijd bewonderd als meesterwerken. De proliferatie van portretschilderijen is een krachtig bewijs voor het argument dat het autonome individu in de decennia voorafgaand aan de Amerikaanse en Franse revolutie een centraal aandachtspunt werd binnen de westerse cultuur. Niet alleen was er van bovenaf een groeiende belangtelling om gewone mensen te schilderen, ook van onderaf ontstond een enorme vraag om afgebeeld te worden. Het hoogtepunt van deze ontwikkelingen vinden we bij de Franse muzikant en graveur Gilles-Louis Chrétien die in 1786 een apparaat uitvond waarmee op mechanische wijze profielen konden gereproduceerd worden.

3.

Aan het begin van de 18de eeuw was het een alomtegenwoordige praktijk om mensen zwaar te martelen tijdens en na gerechtelijke processen. Dit was een periode waarin het menselijk lichaam nog steeds werd aanzien als een object dat onbegrensd kon worden bestraft. Lichamelijke straffen werden vanuit christelijke hoek ook aanzien als een manier om op collectieve wijze samenlevingen te zuiveren van zonden. Marteltechnieken die tegenwoordig worden beschreven als barbaars waren aan het begin van de 18de eeuw schering en inslag en werden aanzien als een normaal onderdeel van het juridische proces. Bijzonder veel ophef veroorzaakte de veroordeling en marteling van Jean Calas. Hij werd in 1762 in Toulouse onderworpen aan een onmenselijk harde behandeling vanwege het vermeende vermoorden van zijn zoon omdat deze zich zogezegd wilde bekeren van het protestantisme tot het katholicisme. Met name Voltaire gaf veel ruchtbaarheid aan deze zaak en wijdde er zijn befaamde essay over tolerantie aan. De lezers van dit essay over tolerantie worden op een schokkende manier diets gemaakt van de manier waarop criminelen over de helft van de 18de eeuw werden behandeld door de rechterlijke macht.

Hoewel Voltaire aanvankelijk vooral aandacht schonk een de religieuze dweepzucht die ten grondslag lag aan de behandeling van Calas, verschoof zijn focus langzaam maar zeker naar de praktijk van martelen. Gaandeweg de 18de eeuw ontstond er meer en meer verzet tegen dit gebruik. Reeds in 1754 werd het in Pruisen verboden door Frederick de Grote. Frankrijk volgende dit spoor in 1789. Ook de invoering van de guillotine moet gezien worden binnen deze context volgens Hunt. Het invoeren van snelle onthoofding als bestraffing stond immers haaks op de lange en pijnlijke behandelingen die kenmerkend waren voor de martelpraktijken. De afschaffing van de doodstraf kwam er onder invloed van verlichte denkers over het strafrecht. Prominent hierbij was de Italiaan Cesare Beccaria. Hij publiceerde in 1764 een essay over criminaliteit en het rechtssysteem dat in de jaren nadien doorheen gans Europa gretig werd vertaald en gelezen. Hij stelde het gebruik van martelingen aan de kaak en propageerde een systeem van straffen dat gebaseerd was op rationele en verlichte principes. Een strafmaat mocht nooit de omvang van een misdaad overstijgen, zo niet zou de legitimiteit van het hele rechtstelsel worden ondermijnd. De ideeën van Beccaria beïnvloedden de Britse jurist William Blackstone die we kunnen beschrijven als één van de meest invloedrijke figuren in het formuleren van het Britse gewoonterecht. In Frankrijk had het werk van Beccaria een grote invloed op Jacques-Pierre Brissot de Warville. Deze publiceerde in Zwitserland tussen 1782 en 1785 het tiendelige Philosophical Library of the Legislator, Politician and Jurist. Dit monumentale werk is de basis van het rechtshumanisme in Frankrijk en maakte een expliciete verbinding tussen de afschaffing van marteling en de creatie van een menswaardig rechtssysteem gebaseerd op mensenrechten. Later zou hij zich ook opwerpen als één van de eerste Franse verdedigers voor de afschaffing van slavernij via een organisatie die de rechten van de zwarten verdedigde.

Belangrijk in het werk van Cesare Beccaria over het strafrecht was zijn nadruk op gevoelens en sentimenten. Zijn denken over het recht was een onderdeel van de opkomst van empathie aan het einde van de 18de eeuw. Als één van de eersten verplaatste hij zich binnen het denken van de veroordeelde en probeerde van daaruit het toekennen van straffen binnen het rechtstelsel te begrijpen. Vanuit deze positie begreep hij de onmenselijkheid van het martelen en de inefficiëntie van martelen als een systeem. Hunt beschrijft het denken van Beccaria als verlicht humanitarisme en dicht hem zeer veel invloed toe in de ontwikkeling van een humaan en rechtvaardig rechtstelsel. Beccaria’s denken was dan ook ingebed binnen de culturele omslag die een groter belang toekende aan individuele autonomie. Het was gefundeerd op nieuwe benaderingen van het menselijk lichaam, het individu en pijn. Het individu werd aanzien als beschikkend over bepaalde rechten waarvan fysieke integriteit er één was. Beccari was daarmee de voorloper van het idee dat alleen het individu soeverein is over zijn eigen lichaam, een ideaal dat tijdens de 19de eeuw met veel kracht zou worden verdedigd door John Stuart Mill. Het toedienen van pijn aan een individu werd door Beccaria afgekeurd. Het lichaam werd aanzien als onaantastbaar. Zelfs criminelen hebben recht op zelfbeschikking en fysieke integriteit. Deze ideeën legden de basis voor de transformatie van het rechtssysteem. Dit was niet langer gebaseerd op het zo hard mogelijk straffen van misdadigers, maar op het toekennen van strafmaten met het oog op een herintegratie van misdadigers in de maatschappij na het uitzitten van hun straf. Fysiek toetakelen maakte plaats voor heropvoeding. Op bladzijde 112 vinden we een goede samenvatting van deze evolutie: “Torture ended because the traditional framework of pain and personhood fell apart, to be replaced, bit by bit, by a new framework, in which individuals owned their bodies, had rights to their separation and bodily inviolability, and recognized in other people the same passions, sentiments, and sympathies as in themselves.”

Tijdens het hoogtepunt van de Franse revolutie werd er een commissie opgericht met als doel de hervorming van het penaal recht. Op 23 mei 1791 verklaarde Louis-Michel Lepeletier de Saint-Fargeau vanop het spreekgestoelte op zijn beurt fundamentele principes van het rechtshumanisme. Lynn Hunt beschrijft zijn tussenkomst op de volgende wijze: “He denounced the atrocious tortures imagined in barbaric centuries and nonetheless retained in centuries of enlightenment, the lack of proportion between crimes and punishments and the generally absurd ferocity of the previous laws. The principles of humanity would now shape the penal code, which would in the future rest on rehabilitation through work rather than sacrificial retribution through pain.”

Essentieel is het om de afschaffing van marteling en de transformatie van het rechtssysteem te zien binnen de opkomst van empathie zoals eerder in dit stuk beschreven. De toename van de capaciteit tot inleving in het voelen en denken van andere mensen leidden tot een humanere manier van denken over bestraffing. Deze afschaffing hing samen met vervanging van een heel raamwerk van denken en handelen. Veelzeggend is het citaat dat Lynn Hunt ontleent van de Amerikaanse geneesheer Benjamin Rush. Deze schreef in 1787 het volgende neer: “We should not forget that even criminals possess souls and bodies composed of the same materials as those of our friends and relations. They are bone of their bone.”

4.

Lynn Hunt kruipt in de huid van filosofe wanneer ze in de hoofdstukken 3 en 4 reflecteert over het belang van het afkondigen van mensenrechten in officiële documenten. De bespiegelingen die hier naar voor komen doen erg denken aan de invloedrijke woorden van de Canadese politieke filosoof Michael Ignatieff in diens invloedrijk werk Human Rights as Politics and Idolatry uit 2001. Hunt beschrijft het belang van het afkondigen en neerschrijven van mensenrechten in documenten voor het openen van nieuwe intellectuele en politieke horizonten. Het verklaren van rechten op papier creëert de ruimte voor intellectuele en politieke debatten en kan zodoende aanzien worden als beschikkend over een eigen logica. Eens ze worden neergepend is het onvermijdelijk dat er over de rechten gesproken wordt. Eens de debatten losbreken is het onmogelijk om de klok terug te keren en te doen alsof de woorden nooit zijn uitgesproken of neergeschreven. Het neerschrijven van rechten in een document bezit zo een performatieve kracht die invloed uitoefent op de realiteit. Deze dynamiek wordt in dit boek aannemelijk gemaakt via een analyse van de invloed van zowel de Amerikaanse onafhankelijkheidsverklaring in 1776 als de Franse verklaring van de rechten van de mens en de burger in 1789.

In 1776 schreef de Britse filosoof Richard Price een vlammend traktaat in het voordeel van de principes van de Amerikaanse revolutie en de Amerikaanse onafhankelijkheid ten aanzien van de Britten. Dit werk had als omslachtige titel Observations on the Nature of Civil Liberty, the Principles of Government, and the Justice and Policy of the War with America. In dit pamflet verdedigde Price de Amerikaanse onafhankelijkheid door een beroep te doen op de natuurrechten van de mens. Het hoeft weinig betoog dat zijn tussenkomst veel controverse veroorzaakte onder Britse denkers uit zijn tijd. Onder andere de utilitarist Jeremy Bentham reageerde furieus en noemde mensenrechten niets meer dan retorische onzin op stelten. Echter, ondanks de kritiek was de verspreiding van de idealen van Price onvermijdelijk. Langzaam aan geraakten natuurrechten ook ingeburgerd in Britse debatten tussen politici intellectuelen. Volgens Hunt introduceerde Richard Price een terminologie die een invloed had over heel Europa en in Frankrijk in het bijzonder.

Na de Franse verklaring van de rechten van de mens was het Edmund Burke die venijnig uithaalde naar het idee van mensenrechten. In zijn boek Reflections on the Revolution in France uit 1790 hekelde hij mensenrechten als abstracte boosdoeners die moesten worden bergraven in het voordeel van tradities en gewoontes. De Franse revolutie beschreef hij als een aberratie van het denken van de verlichting met potentieel desastreuze gevolgen in het verschiet. Een reactie liet niet op zich wachten. In 1791 schreef Thomas Paine een reactie op Edmund Burke: Rights of Man: Being an Answer to Mr. Burke’s Attack on the French Revolution. Het belang van dit traktaat werd recentelijk uit de doeken gedaan door de Amerikaanse essayist Christopher Hitchens in een zeer verdienstelijk boek uit 2006. Belangrijk is het om te zien dat de Franse revolutie en de bijhorende verklaring van de mensenrechten een debat teweegbrachten over mensenrechten dat onomkeerbaar was. Paradoxaal gingen ook de tegenstanders van het idee van natuurrechten en mensenrechten de verspreiding van het geloof in mensenrechten in de hand werken. We zouden kunnen zeggen dat er een discours van de moderniteit ontstond die dat op heden aanwezig is in de westerse cultuur. Hunt spreekt in dit opzicht van human rights language en de politieke vistas die werden geopend na het neerschrijven van deze rechten in officiële documenten. Deze benadering is vergelijkbaar met de benadering van moderniteit die we terugvinden bij de Duitse filosoof Jürgen Habermas, de Duitse historicus Reinhart Koselleck, de Britse filosoof Anthony Grayling en de Britse politieke wetenschapper John Schwarzmantel. De introductie van het idee van mensenrechten, hun verkondiging en de schriftstelling er van lanceerden een bepaald discours dat niet meer terug te keren viel.

Het introduceren van het discours van mensenrechten impliceert echter geen eenvoudige omzetting van theorie in praktijk. De geschiedenis van de rechten van de vrouw tonen ons het tegendeel. Toch moeten we ook hier de impact van officiële documenten erkennen. Zo schreef de Franse filosoof Condorcet in 1790 een essay waarin hij betoogde dat vrouwen gelijke rechten moesten krijgen dan de man. Ook zij hadden recht op burgerschap. Condorcet was op deze manier één van de enigen die durfde om radicale conclusies te trekken uit de verklaringen van de rechten van de mens. Zo waren er natuurlijk ook Olympe de Gouge en Marry Wollenstonecraft die onmiddellijk na de Franse revolutie pleitten voor meer rechten voor de vrouw. Uiteraard vonden zij weinig gehoor. Organisaties die pleiten voor de rechten van de vrouw werden verboden en vrouwenrechten werden categoriek afgewezen door de leidende politici in die tijd. Hier zien we echter opnieuw dat net deze daden van onderdrukking bijdroegen aan de verspreiding van het denken over mensenrechten toegepast op de situatie van vrouw. Volgens Lynn Hunt waren er in persoonlijke Amerikaanse bibliotheken meer exemplaren aanwezig van het werk van Mary Wollenstonecraft dan van de pamfletten van Thomas Paine.

5.

De geschiedenis van de mensenrechten is echter geen uitgesproken optimistisch verhaal. Tussen 1789 en 1945 werden de mensenrechten met de regelmaat van de klok met de voeten getreden. De twee wereldoorlogen en de Holocaust zijn de meest essentiële voorbeelden van de overtreding van mensenrechten. Volgens Lynn Hunt verdween het universele denken met betrekking tot mensenrechten uit beeld tijdens de 19de eeuw. Dit thema vormt het onderwerp van hoofdstuk 5 van dit boek. Dit hoofdstuk eindigt met de verklaring van de universele verklaring van de rechten van de mens door de Verenigde Naties in 1948 na de bloedige oorlogen aan het begin van de 20ste eeuw. De analyse die hier naar voren komt is scherpzinnig doch minder overtuigend dan de rest van dit boek. Als cultuurhistorica komt Hunt minder beslagen op het ijs wanneer ze evoluties over langere tijdsperiodes moet beschrijven en verklaren. Dit is een tekortkoming die kenmerkend is voor cultuurgeschiedenis in zijn geheel. Historische periodes komen nogal eens naar voren als afzonderlijke blokken. De relaties onderling zijn soms moeilijk te vatten. Het moet wel worden gezegd dat er aandacht wordt besteed aan dit hiaat in de geschiedenis van de mensenrechten. Op bladzijde 176 lees ik dan ook de volgende woorden: “The long gap in the history of human rights, from the initial formulation in the American and French Revolutions to the United Nations’ Universal Declaration in 1948, has to give anyone to pause.” Dit is een moedige erkenning.

Tijdens de 19de eeuw waren er ontelbare critici op het idee van mensenrechten. Zo was er Karl Marx die mensenrechten beschreef als een bedenksel van de bourgeoisie. Een ander voorbeeld was de reactionaire katholieke denker Louis de Bonald. Hij hekelde mensenrechten als het resultaat van de boosaardige invloed van de verlichtingsfilosofie, atheïsme, protestantisme en vrijmetselarij. Zoals zo vaak gebeurde bij katholieke denkers tijdens de 19de eeuw, smeet hij al deze stromingen op één hoopje om de ondergang van het katholicisme en de kerk te kunnen begrijpen. Zelfs aan het begin van de 21ste eeuw vinden we nog zulke denkers. Een voorbeeld hiervan is de veelbesproken historicus Michael Burleigh die in zijn recent boek Sacred Causes. Religion and Politics from the European Dictators to Al Qaeda uit 2006 het westers modernisme veroordeelt in termen die sterk doen denken aan Louis de Bonald . Ook John Robison deed zijn duit in het reactionaire zakje en castigeerde als professor moraalfilosofie aan de universiteit van Edingburgh aan het begin van de 19de eeuw de verspreiding van het denken over mensenrechten onder de gewone mensen als een bijzonder kwaadaardig verschijnsel.

Om de ondergang van de invloed van mensenrechten te duiden doet Hunt een beroep op twee verklaringen. Ten eerste was er de opkomst van het nationalisme dat de nadruk legde op particularisme en de natie. Dit nationalisme was grotendeels het gevolg van het beleid van Napoleon en de Napoleontische oorlogen. Deze legde de institutionele basis voor nieuwe natiestaten en creëerde verlangens van nationalisme in volkeren die bevrijd wilden worden van het juk van koloniale dominantie. Ten tweede was er de fundering van verschillen op biologische gronden dat kenmerken was voor een periode na de afkondiging van universele gelijk van de mens. Omdat dit laatste veruit het belangrijkste punt is van Hunt moet het nader worden toegelicht.

De Franse revolutie zorgde voor de afschaffing van de traditionele standenmaatschappij. Het verklaarde het principe van universele gelijkheid en plaatste alle mensen op dezelfde voethoogte. Op een ironische manier wekte dit echter toenemende inspanningen om verschillen tussen mensen te verklaren in de hand. Verdedigers van de status quo wilden zich immers onder geen enkel beding neerleggen bij het idee dat alle individuen gelijk zijn en gingen naarstig op zoek naar verschillen. Hierbij namen ze een toevlucht tot de opkomende biologische wetenschappen. Er ontstonden steeds meer theorieën die probeerden om echte en vermeende verschillen tussen mensen te verklaren op biologische gronden. Hunt schrijft hierover het volgende op pagina 187: “The sweeping claims about the natural equality of all humankind called forth equally global assertions about natural difference, producing a new kind of opponent to human rights, more powerful and sinister even than the traditionalist ones.” De biologische manieren om verschillen te verklaren zijn seksisme, racisme en anti-semitisme. Notoire racisten zoals Arthur de Gobineau en Stewart Houston Chamberlain presenteerden omvangrijke werken waarin ze op basis van de biologie verklaringen aanboden voor verschillen tussen mensen. Uiteindelijk beschreven zij de superioriteit van het Arische ras en plaveiden ze de weg voor de gruwelen van het nationaal-socialisme. Angstwekkend is de vaststelling van Hunt dat de felheid van dit soort claims alleen maar toenam naarmate het principe van gelijkheid werd ingevoerd in de praktijk. Veel van deze racistische denkers reageerden immers zowel direct als indirect op de verspreiding van de massademocratie via uitbreiding van het stemrecht als op de het beginnende fenomeen migratie op grote schaal. Hunt kan dan ook alleen maar besluiten door te wijzen op de paradoxale invloed van mensenrechten op de westerse geschiedenis zoals deze zich heeft ontrold. Wanneer ze dit schrijft voelen we als lezer een zeker gevoel van onmacht en troosteloosheid.

6.

Het laatste hoofdstuk van dit boek lijkt de algemene thesis tegen te spreken. Tijdens de 19de en 20ste eeuw bleef er nog weinig over van de invloed van de principes die werden verkondigd tijdens de Franse en Amerikaanse revoluties. De theorie dat het articuleren en neerschrijven van mensenrechten een discours lanceert dat onomkeerbaar is, lijkt niet overeind te blijven. In plaats van een toename van vrede en stabiliteit zagen we tijdens de decennia na de Franse revolutie alleen maar een toename van barbarij en onmenselijkheid. Het is de verdienste van Lynn Hunt dat ze dit gegeven erkent. Op een moedige manier poogt ze om dit gegeven te incorporeren in dit boek. Ze vervalt niet in een naïef optimisme dat de historische waarheid uit de weg gaat. Desondanks toont ze ook aan waarom progressieve denkers allerhande belang moeten blijven hechten aan de waarden van mensenrechten. Volgens de Britse filosoof en cultuurpessimist John Gray is morele vooruitgang onmogelijk. De mens kan volgens hem niet leren van zijn fouten en is van nature een boosaardig en beestachtig wezen. De laatste jaren heeft hij zich opgeworpen als de meest vooraanstaande criticus van de westerse moderniteit. In zijn werken negeert hij iedere positieve invloed van de verlichting en haalt hij uit naar alles en iedere die het waagt om te spreken over vooruitgang.

Lynn Hunt toont aan dat een pessimisme zoals we dat lezen bij Gray niet noodzakelijk is. Het is mogelijk om zowel positief te kijken naar de principes van de verlichting en de moderniteit als om open te staan voor het voorkomen van misdaden tegen de mensheid die zich tot op de dag van vandaag nog steeds voordoen. Door te wijzen op de manier waarop er sinds de 18de eeuw een soort van spreken werd ingevoerd over mensenrechten dat was gebaseerd op specifieke concepties van individuele autonomie en moraliteit, toont ze aan dat het formuleren van mensenrechten inderdaad een proces op gang trekt dat niet valt tegen te houden. Het is belangrijk om in te zien dat dit proces echter niet onvermijdelijk betekent dat mensenrechten ook altijd en overal zonder problemen worden ingevoerd. Ook zijn bepaalde vormen van regressie niet uit te sluiten. Dit maakt het des te belangrijker dat verdedigers van mensenrechten ten allen tijden op hun hoede blijven. Ze mogen niet vervallen in zelfgenoegzaamheid en veronderstellen dat de strijd afgelopen is. Dit is het onvermijdelijke lot van de moderniteit. Wanneer we willen blijven voortvaren op de vooruitgangsgolven van de moderniteit is het nodig dat we blijven geloven geloofwaardig uit te dragen. Het boek Inventing Human Rights. A History is een belangrijke bijdrage in deze onderneming.


Recensie door Christophe Andrades



Literatuurlijst:

Hunt, L. (2008). Inventing Human Rights. A History. New York: W&W. Norton.

Burleigh, M. (2006). Sacred Causes. Religion and Politics from the European Dictators to Al Qaeda. London: HarpersPress.

Gray, J. (2005). Heresies. Against Progress and Other Illusions. London: Granta Books.

Gray, J. (2007). Black Mass. Apocalyptic Religion and the Death of Utopia. London: Allen Lane.

Grayling, A.C. (2007). Toward the Light of Liberty. The Sruggles for Freedom and Rights that made the Modern World. New York: Walker & Walker.

Habermas, J. (1990). The Philosophical Discourse of Modernity: Twelve Lectures. MIT Press.

Ignatieff, M. (2001). Human Rights as Politics and Idolatry .New Jersey: Princeton University Press.

Kosseleck, R. (2000). The Eighteenth Century as the Beginning of Modernity. In: R. Kosseleck, The Practice of Conceptual History. Timing History, Spacing Concepts. (pp. 154-169).

Nussbaum, M. (1995). Poetic Justice. The Literary Imagination and Public Life. Boston: Beacon Press.

Nussbaum, M. (2001). Upheavals of Thought. The Intelligence of Emotions. Cambridge: Cambridge University Press.

Nussbaum, M. (2006). Frontiers of Justice. Disabolilty, Nationality, Species Membership. Cambridge: The Belknapp Press of Harvard University Press.

Schwarzmantel, J. (1998). The Age of Ideology: Political Ideologies form the American Revolution to the Post-Modern World. New York: New York University Press.

Lynn Hunt, Inventing Human Rights. A History, New York: W&W. Norton, 2008

Links
mailto:C.Andrades@PHILOSOPHY.unimaas.nl
Share |

De Arabische Revolutie:

tussen droom en werkelijkheid

Op woensdag 5 april 20.00 uur

Afspraak in De Markten (Oude graanmarkt 5, 1000 Brussel) voor een avond met Koert Debeuf,

schrijver, columnist, directeur van het Tahrir Institute for Middle East Policy Europe en onderzoeker aan de Universiteit van Oxford.

Zijn recentste boek is "Inside the Arab Revolution. Three Years on the Front Line of the Arab Spring".

Koert zal gebaseerd op zijn persoonlijke ervaringen de Arabische Revolutie trachten te kaderen door parallellen te trekken met de Franse Revolutie en door een aantal inzichten te bieden in het Midden Oosten.

Uw aanmeldingsmail aan info@liberales.be geldt als inschrijving.

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be