Het huis van de vrijheid

boek vrijdag 02 maart 2012

Rutger Claassen

Soms loop je door de boekwinkel en valt je oog min of meer toevallig op een boek. Het overkwam mij bij Het huis van de vrijheid van Rutger Claassen, docent politieke filosofie aan de Universiteit Leiden. Ik kende de auteur nog van zijn eerste boek, Het eeuwig tekort. Een filosofie van de schaarste (Ambo, 2004). Destijds was ik nog student en was het een van mijn eerste kennismakingen met een filosofisch kader, in dit geval een beschouwing over het begrip schaarste. En zoals zo vaak bij eerste kennismakingen, blijven die je lang heugen. Dus toen ik Claassens tweede boek toevallig op de planken zag liggen, kon ik niet anders dan er vol enthousiasme induiken. Met zijn nieuwe boek mengt Claassen zich in de zeer actuele vraag wat vrijheid is; en specifieker gezegd hoe ver die vrijheid gaat. We kennen dat debat allemaal: betekent vrijheid dat ieder individu onbegrensd mag doen en laten wat hij wil? Als we, misschien intuïtief, menen dat er ‘ergens’ een grens ligt, wie bepaalt en bewaakt die grenzen dan?

Een poging de dichotomie tussen negatieve en positieve vrijheid te ontstijgen

Claassen start met het bekende onderscheid dat Isaiah Berlin maakte tussen het negatieve en het positieve vrijheidsbegrip. Claassen erkent Berlins vrees voor een al te activistisch overheidsingrijpen. Toch is hij – niet verwonderlijk natuurlijk voor een boek waarin de grenzen van overheidsingrijpen worden onderzocht – van mening dat een overheid die vrijheidsbevordering opvat als streven naar meer autonomie de waarschuwingen van Berlin kan pareren. In zijn eigen woorden: “De staat hanteert een idee van het goede leven, namelijk het autonome leven. Maar omdat het doel is individuen vrij te maken, blijft het toch ook een vrijheidsideaal. De staat moet weliswaar meer inspanningen verrichten om individuen positief vrij te maken, maar dat is nog lang niet hetzelfde als een inhoudelijk welzijnsideaal nastreven (ook al kan de grens in de praktijk dun zijn)¬”.

Op bovenstaande wijze heeft Claassen in het eerste deel van het boek zijn conceptueel kader uiteengezet. Natuurlijk refereert hij daarbij ook aan de klassieke links-rechts¬ tegenstelling in de politiek. Dat “conflict gaat over de vraag wat de gemeenschap moet doen voordat we kunnen zeggen dat individuen echt autonoom zijn en verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor hun daden”. Wie er daarbij gelijk heeft, is meestal niet te zeggen; of iemand die zonder werk ‘lui’ is of een duwtje in de rug nodig heeft’ zijn geen zaken waar een objectief antwoord op bestaat. Dat blijft altijd onderwerp van interpretatie en dus van politiek debat.

Bevordering van autonomie als collectieve verantwoordelijkheid

De weg die Claassen vervolgens inslaat, is interessant en verfrissend. Want veel van de huidige politieke issues refereren niet zozeer naar individuele gevallen van succes of falen (de oude links-rechts tegenstelling) maar hebben betrekking op collectieve verantwoordelijkheid. Claassen deelt deze kwesties op in drie deelgebieden. Ten eerste: Wanneer mondt verheffing van het individu uit in een moralistische opstelling door ‘vadertje staat’ (rookbeleid, vettaks, het Nederlandse zeilmeisje Laura)? Ten tweede: Hoe moeten we aankijken tegen economische groei in relatie tot duurzaamheid (is er sprake van geleden milieuschade door toekomstige generaties als deze mensen nog niet geboren zijn, dus in feite nog niet bestaan)? En ten derde: Hoe zit het met recht op een eigen (culturele) identiteit versus collectieve of nationale gemeenschapszin?

Bij deze kwesties toetst Claassen de vraag wanneer het streven naar een bepaald politiek ideaal (verheffing, duurzaamheid, integratie) een nadere invulling is van het autonomiebegrip of wanneer het een welzijnsideaal op zichzelf is. Anders geformuleerd: Wanneer draagt een politiek ideaal bij aan toenemende autonomie op individueel niveau en wanneer wordt datzelfde ideaal teveel een van bovenaf opgelegde visie op het Goede Leven?

Claassen geeft geen kant-en-klare antwoorden

Veel van de zinnen hierboven sloot ik af met een vraagteken. Dat is geheel in lijn met de stijl van Claassen. Lang niet altijd komt hij tot expliciete antwoorden of conclusies. Dat is een bewuste keuze van de auteur, die daarmee aan zowel politiek links- als rechtsgeoriënteerde lezers een hand wil reiken hoe zij, vanuit autonomie als gedeeld uitgangspunt, hun eigen denken kunnen aanscherpen en waar mogelijk de tegenstellingen kunnen overbruggen. Het niet bieden van hapklare antwoorden heeft zowel voor- als nadelen. Het grootste voordeel van deze aanpak is dat de auteur nauwelijks te betichten is van vooringenomen standpunten. Bovendien is de transparantie en de eerlijkheid van Claassen prijzenswaardig. Zijn eigen twijfels over welk concreet standpunt te verbinden aan deze of gene theoretische beschouwing deelt hij met zijn lezers. En er zijn ook momenten waarop hij zegt dat op basis van dezelfde als de door hem gebruikte argumenten, toch – op basis van politieke intuïtie bijvoorbeeld – een ander (politiek) standpunt in kan worden genomen.

Het grootste nadeel van een dergelijke aanpak is dat Claassen het analytische niveau slechts mondjesmaat overstijgt. Wie zoekt naar een meeslepend verhaal van een auteur die met enig pathos zijn visie op het vrijheidsbegrip beschrijft, zou ik daarom een andere literatuur aanbevelen. Dat wil overigens absoluut niet zeggen dat Claassen geen enthousiasme in zijn betoog legt. Je proeft steeds dat hij veel plezier in het lees- en denkwerk heeft gehad. Maar een auteur die in één en hetzelfde boek telkens zijn eigen standpunten nuanceert, relativeert en becommentarieert is eerder een fijnzinnig dan een ‘groots’ denker.

Realpolitik of democratische dictatuur?

Aan de hand van het volgende wil ik duidelijk maken hoe een van Claassens meest essentiële denklijnen op twee manieren kan worden geapprecieerd. Hij maakt het onderscheid tussen kernvrijheden die niet kunnen worden betwist (onder andere de vrijheid van meningsuiting, van vergadering, van godsdienst), met daartegenover ‘gewone’ vrijheden die niet tot onze basisvrijheden behoren. Een klein voorbeeld: Claassen rekent de mogelijkheid om op zondag wel of niet te winkelen (in Nederland tijdens de verkiezingen van 2010 een veelgebruikt debatonderwerp) niet tot de basisvrijheden. Daarom kan er met een beroep op het vrijheidsbegrip geen salomonsoordeel worden geveld tussen voor- en tegenstanders van vrije winkelopeningstijden op zondag. Aangezien voor dit soort zaken wet- en regelgeving toch noodzakelijk is – juist omdat het een twistpunt is – rest ons alleen de mogelijkheid om de besluitvorming over te laten aan de democratische meerderheid van stemmen.

Enerzijds zullen er mensen zijn die Claassen vanwege het zojuist genoemde voorbeeld een realpolitiker noemen. Zij redeneren dat het terecht en reëel is dat een auteur niet over elk politiek twistpunt een eigen mening hoeft te hebben, dat neigt naar een ethisch absolutisme van ‘ik weet het beter’; verstandiger is het om, net zoals Claassen, te erkennen dat de werkelijkheid van alledag een democratie is en dat besluitvorming dus op basis van meerderheidsstemming plaatsvindt. Anderzijds ben ik er zeker van dat er een andere groep lezers zal zijn die van mening is dat Claassen niet in staat is gebleken zijn eigen probleemstelling te ontstijgen als zijn conclusie luidt dat we op de uitkomsten van democratische processen moeten vertrouwen in al die gevallen waar een vorm van vrijheidsafbakening op het spel staat. Claassen, zo kan men beweren, levert vrijheden uit aan de grillen van de meerderheid. Dat hijzelf daarbij een onderscheid maakt tussen kernvrijheden en gewone vrijheden, zal als een niet-relevant onderscheid worden afgedaan.

De klassieke links-rechts tegenstelling is niet meer afdoende

Het huis van de vrijheid is een continue aftasting van de vraag of er in een gegeven kwestie sprake is van een kernvrijheid dan wel een gewone vrijheid. Daarbij bespreekt Claassen niet wat we moeten doen als twee kernvrijheden (lijken te) botsen, bijvoorbeeld de vrijheid van meningsuiting en die van godsdienst. Maar het aftasten vindt plaats op het niveau van die kwesties waarvan we niet meteen kunnen zeggen met welk type vrijheid we van doen hebben. Claassen verkent in die gevallen minutieus of zijn autonomiebegrip uitsluitsel kan bieden. Als hij vervolgens op grond van het autonomiebegrip geen doorslaggevend argument vindt, beschouwt hij het onderhavig probleem als een ‘vrije kwestie’ – wat wil zeggen dat de democratische meerderheid mag beslissen. Daarbij geeft hij soms aan wat volgens hemzelf de beste uitkomst is – om andere reden dan louter het autonomiebegrip. In andere gevallen houdt de auteur zijn mening voor zich en laat hij het oordeel over aan de lezer.

Tot slot merkt Claassen over dat laatste op dat die lezer telkens wisselende keuzes kan maken: de ene keer kies je een meer ‘linkse’ politiek, de ander keer voor een meer ‘rechtse’. Hij schrijft overtuigend dat in het huidige tijdsbestek de klassieke (economische) links-rechts tegenstelling lang niet altijd parallel meer loopt met bijvoorbeeld een (cultureel-)progressief of conservatief maatschappijbeeld. Je kunt per individuele kwestie tussen deze virtuele assen switchen, zonder inconsistent te worden omdat, zoals Claassen zelf zegt, de “vereiste interpretatie van autonomie per probleemgebied andere vragen oproept”.


Recensie door Rob Kuppens

Rutger Claassen, Het huis van de vrijheid. Een politieke filosofie voor vandaag (2011) Uitgeverij Ambo (371 blz)

Links
mailto:rob-kuppens@hotmail.com
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be