God is not Great. The Case Against Religion

boek vrijdag 11 januari 2008

Christopher Hitchens

AtheÔsme is opnieuw een veelbesproken thema binnen de westerse wereld. De afgelopen jaren hebben een stortvloed van nieuwe literatuur rondom dit thema voortgebracht. In de lage landen hoeven we maar te denken aan het AtheÔstisch Manifest van de filosoof Herman Philipse of aan de politieke en intellectuele strijd tegen het moslimfundamentalisme van Ayaan Hirsi Ali. In Frankrijk is er de filosoof en schrijver Michel Onfray die in 2005 de religieuze wereld op zijn grondvesten deed daveren met een atheÔstisch manifest gericht tegen alle monotheistische religies die het westen heeft voortgebracht. De kers op de spreekwoordelijke taart is echter ontegensprekelijk het immens veel gelezen boek The God Delusion van de Engelse bioloog Richard Dawkins dat verscheen tijdens de laatste maanden van 2006. Hoewel Dawkins door een grote meerderheid van intellectuelen wordt neergesabeld als onwetenschappelijk wanneer hij het heeft over religie is het opvallend dat de recensies en de reacties op zijn boek ondertussen niet meer te verzamelen zijn in een bibliotheek van normale omvang. Opvallend is dat de debatten rondom het bestaan van god en het nut van religie in het algemeen altijd gepaard lijken te gaan met de nodige opwinding. Analyses en rustige betogen dreigen al snel uit te lopen in loze verdachtmakingen en lichtelijk hysterisch taalgebruik. Het moet worden toegegeven dat sommige atheÔsten in hun werken soms het harde taalgebruik niet schuwen. Anderzijds mogen we niet vergeten dat ook atheÔsten zelf vaak het mikpunt zijn van ronduit beledigende opmerkingen. Zo is er de Britse theoloog Alister McGrath die in zijn boek The Twilight of AtheÔsm niet-gelovigen gelijkschakelt met Hitler en Stalin of het Duitse nationaalsocialisme en het Sovjet-communisme. Een afwezigheid van een geloof in god leidt volgens hem altijd tot chaos, moord en brutaliteit. Eenzelfde tendens zien we in het boek Sacred Causes van de Britse historicus Michael Burleigh dat ik reeds op deze paginaís van Liberales ruimschoots heb proberen samen te vatten. Ook hij stelt onomwonden dat een afwezigheid van geloof ten gevolge van het denken van niet-gelovige intellectuelen de deur openzet voor nihilisme en barbarij en het westen op de rand van de morele afgrond plaatst. Het minste dat we hierover kunnen zeggen, is dat diegenen die beweren dat atheÔsten in hun taalgebruik vaak over de schreef gaan zelf niet vies zijn van een flinke portie schelden en perfide verdachtmakingen. Veelzeggend in deze context is dan ook de inleiding van een onlangs verschenen bundel korte artikelen uitgegeven door Oxford University Press in 2007 waarin seculiere denkers in het kort hun standpunten uit de doeken doen. Vooraanstaande hedendaagse filosofen zoals Daniel Dennet, Simon Blackburn en Joseph Levine hebben hun medewerking verleend aan dit boek. Opvallend is de inleiding geschreven door Louise Antony, een professor filosofie aan de universiteit van Massachusetts. Bijna verontschuldigend probeert ze aan de lezer duidelijk te maken dat atheÔsten geen immorele en gewetensloze mensen zijn die de wereld naar de verdoemenis willen bombarderen door ons te beroven van moraliteit of betekenis. Integendeel. Het zijn volgens haar mening zeer terecht seculiere denkers die tegenwoordig aan het voorfront staan van het bedenken van nieuwe en meer humanistische, pluralistische en kosmopolitische manieren van samenleven die geschikt zijn voor de 21ste eeuw, een eeuw die zal gekenmerkt worden door intens contact met vreemde culturen en mensen met verschillende geloofsovertuigingen of zonder geloof.

Hierbij kunnen we ook denken aan het uitstekende boek Cosmopolitanism. Ethics in an Age of Strangers van de Ghanese filosoof Kwame Anthony Appiah dat een lang pleidooi omvat voor een kosmopolitische moraal gefundeerd in de volgens hem altijd kosmopolitische literaire en poŽtische producten van de creatieve menselijke geest. Beweren dat atheÔsten niet begaan zijn met ethische dilemmaís, moraliteit of de openbare orde is dan ook zeer kort door de bocht tot ronduit leugenachtig. Een toename van het aantal zelfmoorden is voor atheÔsten bijvoorbeeld een even groot probleem als voor gelovigen. Ook aan het degelijk opvoeden van kinderen kleeft geen religieus voorrecht. Beargumenteren dat atheÔsten niet begaan zouden zijn het aanleren van deugdzaam gedrag aan hun nageslacht is zelfs ronduit lachwekkend te noemen. Zelfs de titel van het boek geredigeerd door Antony draagt een lading van zelfrechtvaardiging met zich mee: Philosophers without Gods. Mediations on Atheism and the Secular Life.

Wanneer we de kritiek op het atheÔsme vanuit historisch perspectief bekijken kunnen we bovendien alleen maar draaierig worden van de brutale manier waarop niet-gelovigen werden aangepakt door seculiere en religieuze autoriteiten. De personen die doorheen de geschiedenis op de brandstapel belandden enkel en alleen omdat ze bepaalde fundamenten van georganiseerde religie in vraag durfden stellen, zijn ontelbaar. De lijst in oneindig, de redenen die werden gegeven door autoriteiten om mensen te liquideren wegens hun ideeŽn lachwekkend.

Binnen dit verhaal moeten we ook kijken naar het boek God is not Great. The Case Against Religion van de Engelse journalist en schrijver Christopher Hitchens. In dit boek van 285 bladzijden trekt ook hij hard van leer tegen de invloed van religie op de westerse samenleving. Het taalgebruik van Hitchens lijkt meermaals van het goede te veel. Woorden als domkoppen, idioten, hypocrieten zijn schering en inslag wanneer hij het heeft over gelovigen en de middelen die zij gebruiken om standpunten van niet-gelovigen te counteren. Iedere kritiek op deze vrijpostige stijl schiet echter tekort wanneer er niet wordt gekeken naar de historische en morele context waarbinnen het atheÔsme debat zich de afgelopen decennia en eeuwen in het westen heeft afgespeeld.

In dit boek kijkt de auteur zowel naar het heden als naar het verleden. Ook is het zo dat hij zich niet beperkt tot wat algemeen wordt beschouwd als de westerse wereld. Hitchens neemt de lezer ook mee op uitstapjes naar Afrika, AziŽ en het Midden-Oosten. Op deze manier speelt hij zijn ervaring als internationaal journalist maximaal uit. Interviews met dubieuze figuren zoals de Oegandese rebellenleider Joseph Kony of nabije medewerkers van de Noord-Koreaanse dictator Kim Jong-Il larderen het boek. Het mag ondertussen duidelijk zijn dat in de rest van deze recensie een analyse zal worden gemaakt van het boek van Hitchens. Belangrijk is het daarom om even stil te staan bij de achtergrond van de auteur. Het gaat immers om een man die tegenwoordig kan aanzien worden als ťťn van de meest vooraanstaande intellectuelen in de Angelsaksische wereld. Daarmee doel ik niet alleen op zijn inhoudelijke en kwalitatieve verwezenlijkingen maar ook op de omvang van zijn artikelen, publicaties en zijn invloed op publieke debatten.

Daarnaast is zijn intellectuele en ideologische achtergrond bijzonder moeilijk vast te pinnen. Zoals geen ander bevindt hij zich tussen het linkse en rechtse spectrum van het politieke en ideologische denken. Deze moeizame positionering is volgens mij symptomatisch voor de tijd waarin we leven. Problemen zoals het globale terrorisme, het moslimfundamentalisme, de globale economie en de multiculturele samenleving zorgen er voor dat de traditionele scheidslijnen tussen rechts en links steeds moeilijker te trekken vallen. Hitchens, en per uitbreiding dit boek, zijn hier een duidelijk voorbeeld van.

Christopher Hitchens zag in 1949 het levenslicht in Groot BrittanniŽ. In dit boek beschrijft hij de indrukken die hij als jonge knaap kreeg tijdens zijn opvoeding in de buurt van het stadje Dartmoor in het zuidwesten van Engeland. De sfeer die hij hier tijdens de jaren vijftig en zestig aantrof was er ťťn van religieus conformisme en een puriteinse moraal die mede de rest van zijn intellectuele loopbaan zouden gaan bepalen. Zo beschrijft hij in dit boek de invloed van lerares Jean Watts. Zij was zowel zijn lerares natuurkunde als godsdienst. Het is vooral deze combinatie waar het volgens Hitchens allemaal fout liep. Op hetzelfde moment dat zij haar leerlingen de wonderen der natuur probeerde bij te brengen, kon deze dame het niet nalaten om er op te hameren dat al de pracht van praal het werk was van god. Hij was de schepper van al dit moois. Deze conclusie was voor de jonge Hitchens onbevredigend en zette hem op weg naar een bijzonder kritische blik ten aanzien van de funderingen en de aanspraken van religieuze denkers. Het zou hem recht in de armen drijven van een robuuste verdediging van wetenschap en rationaliteit. In eerste instantie als de beste manier om de natuur en de kosmos te verklaren, in tweede instantie als begrip van de basisbeginselen voor moraliteit en politiek. Vooraleer zich echter voluit toe te leggen op religie was Hitchens een overtuigd Trotskist. Net zoals zoveel intellectuelen uit deze tijd was de aantrekkingskracht die uitging van de humanistische aspecten van deze vorm van het Marxisme onweerstaanbaar. Toen hij in de smiezen kreeg dat ook het Trotskisme ten prooi viel aan dogmatisme liet hij deze linkse idealen voor wat ze waren en koos hij voor een nieuwe intellectuele oriŽntatie. Toch kan de invloed van deze vroege jaren niet volledig worden weggecijferd. Zo schreef Hitchens in 2006 nog een boek over een icoon van de westerse communistische intellectuelen tijdens de jaren zestig en zeventig: de vooraanstaande Engelse schrijver Georg Orwell. Ook mogen we niet vergeten dat het atheÔsme tijdens de voorbije decennia vaak opvallend aanwezig was onder linkse intellectuelen. Een feit dat tegenwoordig al te gemakkelijk uit het oog wordt verloren.

De laatste jaren zijn er twee opvallende feiten die het intellectuele profiel van Hitchens hebben bepaald. Ten eerste was hij in 2003 een voorstander van de Amerikaanse invasie in Irak. Als tegenstander van dictatoriale regimes en voorstander van het verspreiden van individuele vrijheid over de hele wereld stond hij positief ten aanzien van de verwijdering van Saddam Hoessein als leider van Irak. Hitchens hekelde vooral wat hij het linkse relativisme noemde van de hardnekkige tegenstanders van de invasie van Irak. Omdat zij hun steun weigerden te verlenen voor een militaire operatie tegen Saddam verloochenden zij op deze manier het universele recht op vrijheid van de bevolking van Irak, in het bijzonder de Koerden en Sjiieten die jaren door de Soennitische Baathpartij onder de knoet werden gehouden. Sinds deze vurige debatten distantieert Hitchens zich openlijk van het linkse intellectuele landschap. Dit betekent echter niet dat hij zich beschouwt als een rechtse neoconservatief. Hij blijft zeer kritisch ten aanzien van het radicale neoliberalisme zoals dat werd uitgevoerd door Ronald Reagan tijdens de jaren tachtig van de vorige eeuw. Ook hier spelen zijn voormalige linkse standpunten hem duidelijk parten. Hitchens kan zich ook niet verzoenen met de oerconservatieve religieuze invloeden op het neoconservatisme van G.W. Bush en de zijnen. Dat mag zelfs voor een leek duidelijk zijn.

Een tweede aspect waarmee Hitchens zich in de schijnwerpers plaatste is zijn onvoorwaardelijke steun aan Ayaan Hirsi Ali sinds zij haar toevlucht heeft gezocht in de Verenigde Staten. In polemische stukken en essays hekelt hij de manier waarop zij door de Nederlandse politieke klasse is behandeld. Recentelijk noemde hij het een schande dat de regering van Balkenende niet meer wil instaan voor het betalen van de beveiliging van Hirsi Ali in de VS. In eenzelfde beweging haalde hij daarbij ook hard uit naar de linkse Nederlandse intellectuelen die Hirsi Ali in de steek hebben gelaten. Opnieuw hekelt hij op dit vlak het relativisme dat sommige linkse denkers in een wurggreep houdt. Weigerachtig om de westerse waarden van vrijheid te verdedigen hebben de linkse denkers in Nederland te veel toegevingen gedaan aan de moslimfundamentalisten die door Hirsi Ali zo zwaar op de korrel worden genomen, aldus Hitchens.

Interessant het is daarom om via Hitchens een parallel te trekken met de Nederlandse schrijver en essayist Joost Zwagerman. Ook hij veroordeelt veel linkse standpunten die de laatste jaren naar voren werden gebracht zonder te vervallen in een traditioneel rechts discours. Denken we maar aan zijn pamflet De schaamte voor Links dat door Liberales enkele maanden geleden nog werd gerecenseerd door Dirk Verhofstadt. De lofprijzingen van Hitchens aan het adres van Hirsi Ali vielen niet in dovemansoren. In de pocketversie van het boek Infidel van Hirsi Ali mocht hij de inleiding schrijven. Tegenwoordig is Hitchens vooral actief als redacteur en schrijver van het Amerikaanse blad Vanity Fair dat ook online gemakkelijk te raadplegen valt. De themaís waarmee hij zich bezighoudt zijn naast religie en internationale politiek ook literatuur. Zo schreef hij onlangs uitstekende recensies over de laatste boeken van de schrijvers Ian McEwan en Philip Roth.

Tot zover de achtergrond van de auteur, nu de inhoud van het boek. Omdat er in het werk van Hitchens sprake is van een overvloed aan gegevens die worden verspreid over niet minder dan negentien hoofdstukken heb ik er voor gekozen om een aantal themaís naar voren te lichten die de hoofdmoot uitmaken van dit boek. Het spreekt vanzelf dat volledigheid in deze niet mogelijk is. Toch lijkt het me dat deze aanpak leidt tot een zo grondig mogelijk begrijpen van het boek. Het is allicht ook nuttig om er op te wijzen dat we hier eigenlijk eerder te maken hebben met een pamflet dan met een boek in de traditionele wetenschappelijke zin van het woord. De auteur probeert aan de hand van zoveel mogelijk voorbeelden een bepaald standpunt duidelijk te maken. Bepaalde wetenschappelijke conventies spelen in dit genre een minder belangrijke rol. In veel gevallen worden situaties aan de lezer voorgelegd zonder een grondige historische contextualisering. De lezer krijgt hierdoor de indruk dat er soms nogal voor de vuist weg wordt uitgehaald met halfuitgewerkte argumenten. Het is ook ontegensprekelijk dat Hitchens geen aandacht heeft voor de sociale aspecten van religie.

In zekere zin is dit een jammerlijk gemis. Anderzijds moeten we ons ook realiseren dat het doel van dit boek is om een bepaald argument in onze oren knopen: namelijk dat het geloof in god en het aanhangen van religies met absolute waarheidsaanspraken onnoemelijk veel ellende met zich meebrengt. Gemeten volgens dit doel, en het genre van het pamflettisme, is dit boek wel degelijk het predicaat meesterwerk waardig.

Hitchens probeert ons via meerdere wegen diets te maken van de negatieve gevolgen van geloof op het dagelijkse leven. In hoofdstuk twee gaat hij in op het ontstaan van religieus geweld. Hiervoor gebruikt hij de beschrijving van vijf wereldsteden die allemaal beginnen met de letter B: Bagdad, Belfast, Beiroet, Bombay en Belgrado. Wat deze steden met elkaar gemeen hebben is dat ze in de loop van de afgelopen decennia allemaal op ťťn of andere manier werden geteisterd door sektarisch geweld. Hieruit kunnen we de lering trekken dat er bij religie altijd een tendens bestaat om te zorgen voor het ontstaan van wederzijdse haat. Dit komt doordat religies zichzelf moeten blijven definiŽren ten aanzien van hun religieuze tegenhangers. Vaak gaat dit gepaard door de aanspraken van andere geloven te beschrijven als onwaar. In een volgende fase wordt deze onwaarheid beschreven als een vorm van corruptie en een potentiŽle bedreiging voor het eigen geloof. Wanneer deze angst zich nestelt in de hoofden van religieuze denkers ontstaat het gevaar voor het uitbreken van haat en geweld. Vooral in gebieden, zoals steden, waar veel mensen met verschillende geloofsovertuigingen naast elkaar leven creŽert dit explosieve situaties met mogelijk catastrofale gevolgen. Zeker wanneer deze onderlinge religieuze animositeit vermengd geraakt met politieke aangelegenheden. Hitchens wijst hier terecht op de problemen tussen katholieken en protestanten in Noord-Ierland of de Maronitische christenen, sjiieten en soennieten in Beiroet. Religie is op deze manier een bedreiging voor het vreedzaam co-existeren van mensen. Om een indruk te krijgen van de gepassioneerde schrijfstijl van Hitchens quoteer ik hem in deze kwestie op bladzijde 18: ďIn Belfast, I have seen whole streets burned out by sectarian warfare between different sects of Christianity, and interviewed people whose relations and friends have been kidnapped and killed and tortured by rival religious death squads, often for no other reason than membership of another confession.Ē

Ook op de menselijke gezondheid heeft religie vaak op directe en indirecte manieren kwalijke invloeden. Dit komt volgens Hitchens omdat religie in wezen afkering staat ten aanzien van wetenschap, rationaliteit en dus ook geneeskunde. Dit argument wordt uitgewerkt in hoofdstuk vier. Twee voorbeelden springen hier in het oog. Ten eerste is er een schrijnend verhaal over de bestrijding van polio binnen de islamitische wereld. In 2001 organiseerde UNICEF hierover een zeer optimistisch congres in Calcutta. Medische vooruitgang en een prijsdaling van het polio vaccin brachten een oplossing voor de vele kinderen met polio in de derde wereld zeer nabij. Dit was echter buiten de mening van enkele radicale mullahís in Nigeria gerekend. Zij verklaarden met veel bombast dat de polio vaccins niets minder waren dan imperialistische wapens van het westen in een poging om de islam te onderwerpen. De resultaten van deze tussenkomst waren volgens Hitchens zeer nefast. De polio bestrijding in islamitische landen kreeg een serieuze knauw. Ouders weigerden hun zieke kinderen te vaccineren met de noodzakelijke druppels. Een tweede en gelijkaardig voorbeeld heeft te maken met het Vaticaan. Meer bepaald met een schandelijke uitspraak van de president van de pontificale raad voor familie, Alfonso de Trujillo. Deze man verklaarde dat condooms geen bescherming bieden tegen overdracht van het AIDS/HIV virus via seksuele contacten. Volgens hem maken producenten microscopisch kleine gaten in condooms waar de zaalcellen van de man alsnog doorheen kunnen sijpelen. Bedoeld als een uitspraak om een rigoureuze seksuele moraal te prediken is het ontegensprekelijk dat dit soort uitspraken een zware hypotheek plaatsen onder de moeizame pogingen om de verspreiding van het AIDS/HIV virus in ontwikkelingslanden een halt toe te roepen. Een schoolvoorbeeld van de schadelijke invloed die religieuze idiotieŽn kunnen hebben op de gezondheid van mensen. Bijna vanzelfsprekend wordt er door Hitchens ook verwezen naar het verbod van Jehovaís op bloedtransfusies waardoor veel jonge Jehovaís overlijden aan ziektes die tegenwoordig relatief gemakkelijk kunnen worden verholpen door de westerse geneeskunde.

Een opmerkelijke relatie tussen gezondheid en religie valt er te trekken door te kijken naar de drang van religieuzen om op zoek te gaan naar mirakels, al dan niet in de hoop om iemand heilig te kunnen verklaren. Zo is er het befaamde voorbeeld van moeder Theresa. Zij werd al enkele maanden na haar dood zaligverklaard omdat zijn een Indische vrouw had genezen van baarmoederkanker door middel van handoplegging. Hitchens ging echter op zoek naar de arts van deze vrouw en vond bij hem stemmen van ontevredenheid. Niet de mythische krachten van handoplegging waren de oorzaak van de genezing van de vrouw, maar de inspanningen van de geneesheer en de inzet van geneeskundige middelen. Op zich een onschuldig voorbeeld van religieuze goedgelovigheid zo zou men kunnen zeggen, ware het niet dat dit soort verhalen heel wat mensen op weg zet naar een omarming van roekeloze charlatans en kwakzalvers die allerlei wondermiddelen aanbieden om mensen te genezen die last hebben van zware ziektes. In plaats van de nodige medische hulp, krijgen deze mensen op deze wijze geen adequate behandeling en kunnen relatief behandelbare ziektes fataal worden. Ongetwijfeld is moeder Theresa een figuur met belangrijke verdiensten. Een benadrukking van het bestaan van zogenaamde bovenaardse krachten om mensen te genezen is echter indirect een bedreiging voor de gezondheid van miljoenen zieken die hun geloof in de geneeskunde verzaken onder invloed van gewetensloze kwakzalvers.

Ruime aandacht is er ook voor de problematische omgang van religies met het lichaam. Zeer terecht wijst Hitchens op dit historische feit dat in veel gevallen heeft geleid tot de creatie van nodeloos veel gevoelens van schaamte ten aanzien van het eigen lichaam. Denken we maar aan de invloed van het demoniseren van masturbatie of zelfs gewone voorhuwelijkse seksuele betrekkingen op de geestelijke gezondheid van mensen. Ontegensprekelijk heeft deze problematische omgang met seksualiteit geleid tot talrijke gevallen van gestoorde seksuele ontwikkeling met alle gevolgen van dien. Ook is het overduidelijk dat deze benadering van het menselijk lichaam heeft geleid tot overmatige pogingen om het lichaam en de moraliteit te disciplineren door het menselijk gedrag te onderwerpen aan een rigoureuze moraliteit opgedragen door priesters en andere kerkelijke autoriteiten. Proberen om de eigen macht te versterken door middel van de het bang maken van de mensen is dan ook ťťn van de essentiŽle strategieŽn van alle religies die de mensheid heeft gekend. Omdat Hitchens geen enkel taboe uit de weg wil gaan komt hij noodzakelijk ook terecht op de vele gevallen van kindermishandeling die georganiseerde religies de laatste jaren op hun bord hebben gekregen. Het aantal gevallen is wereldwijd zo omvangrijk dat er volgens de auteur niet meer gesproken kan worden van toeval. Het is de problematische omgang met het lichaam en seksualiteit die volgens hem heeft geleid tot het ontstaan van geestelijke misvormingen met betrekking tot het denken over, en omgaan met, seksualiteit. Dit leidde tot kindermishandeling op grote schaal binnen nagenoeg alle bestaande georganiseerde religies. In hoofdstuk vijftien wordt expliciet ingegaan op het misbruik van kinderen. Niet alleen seksueel misbruik wordt hier aangekaart maar ook het gegeven dat geestelijken het nooit hebben kunnen laten om zich excessief te bemoeien met de indoctrinatie van de geest van de allerjongsten. Als voorbeeld wijst Hitchens hier op de grondlegger van de JezuÔeten Ignatius de Loyola die kinderen van zijn geloofsorde op zeer jonge leeftijd wegnam onder de supervisie van hun natuurlijke ouders om ze later terug te brengen als zogenaamde mannen. Uiteraard verstond hij hieronder geÔndoctrineerde kinderen beroofd van iedere capaciteit tot kritisch denken. Naast seksuele mishandeling, indoctrinatie op zeer jeugdige leeftijd is er natuurlijk ook het ondertussen overbekende fenomeen van genitale mutilatie bij pasgeboren moslimaís. Op basis van geperverteerde idealen van gezondheid en zuiverheid laten de ouders van babyís bij deze praktijk de clitoris verwijderen door middel van zeer primitieve vormen van besnijdenis. Hitchens schrijft hierover terecht het volgende: ďIt is hard to imagine anything more grotesque than the mutilation of infant genitalia.Ē

Een opmerkelijk hoofdstuk is het zesde. Hierin hakt Hitchens in op de kerkvaders, de intellectuele grondleggers van het christendom en het judaÔsme. Passeren de revue: Augustinus, Thomas van Aquino en Moses Maimonides. Opvallend is de heftigheid waarmee deze denkers de grond in worden geboord omdat ze leefden in een tijdperk dat gespeend was van vele inzichten over de kosmos en de natuur waar we tegenwoordig wel over beschikken. Veelzeggend is de volgende uitspraak: ďToday, the least educated of my children knows much more about the natural order than any of the founders of religionĒ. Op basis van deze vaststelling komt Hitchens tot het volgende inzicht: ďReligion comes from the period of human prehistory where nobody had the smallest idea what was going onĒ. In meerdere opzichten is deze waarneming natuurlijk correct. De kennis over de natuur in het tijdperk voor Isaac Newton, Charles Darwin en Albert Einstein is volgens hedendaagse maatstaven noodzakelijk beperkt. Hieruit concluderen dat de ideeŽn die werden voortgebracht tijdens deze historische periodes lijkt echter te vergaand. Het ondermijnt bovendien ook latere pogingen van Hitchens om in de loop van de geschiedenis op zoek te gaan naar voorlopers van het hedendaagse atheÔsme. Wanneer hij in hoofdstuk achttien refereert naar de klassieke wijsgeer Democritus of de 17de eeuwse Joods-Hollandse filosoof Spinoza lijkt hij zelf ook niet gehinderd door het gegeven dat deze denkers intellectueel actief waren in een tijdperk waarin veel kennis over de natuurlijke orde noodzakelijk niet strookt met datgene wat we vandaag aannemen als waar. In dit vijfde hoofdstuk gaat de auteur voorbij aan enkele vanzelfsprekendheden waarmee we rekening moeten houden wanneer we te maken met ideeŽngeschiedenis.

De belangrijkste boodschap die terug te vinden is doorheen de hoofdstukken zeven tot en met elf is dat god niet de schepper is van de mens maar dat de mens de schepper is van god. Het is volgens Hitchens de menselijke geest die er voor gezorgd heeft dat we geloven in het bestaan van een god en de bijhorende ontwikkeling van georganiseerde religies. Uiteraard is dit geen nieuwe stelling. Reeds tijdens de jaren veertig van de negentiende eeuw werd ze naar voren gebracht door de Duitse filosoof Ludwig Andreas Feuerbach. In dit boek van Hitchens wordt deze stelling krachtig onderbouwd door de ontstaansgeschiedenis van de heilige schriften onder de loep te nemen. Hitchens kijkt in afzonderlijke hoofdstukken achtereenvolgens zowel naar het oude testament, het nieuwe testament als de koran. Fragmentarisch verwijst hij in andere hoofdstukken ook naar de talmud. Wat al snel duidelijk wordt, is het gegeven dat deze boeken het proces zijn van lange processen van constructie, aanpassingen, zorgvuldige selecties van bronnen en het aanbrengen van veranderingen. Dit is uiteraard opvallend aangezien fundamentalistische aanhangers van religies beweren dat de heilige boeken het ware woord van hun profeet of hun god bevatten. Hoe is dit mogelijk wanneer verschillende schriftstellers doorheen de loop van de tijden aanpassingen hebben aangebracht aan inhoud en vorm van deze zogenaamde openbaringen? En wat bijvoorbeeld met het feit dat de evangeliŽn die de basis vormen van het nieuwe testament contradictoire verhalen bevatten over het leven van Jezus van Nazareth? Sommigen hebben doorheen de loop van de eeuwen proberen vol te houden dat het oude testament het resultaat is van het denken en schrijven van Mozes. Hitchens drijft spot met deze bewering door er fijntjes op te wijzen dat in het vijfde boek van het OT, Deuteronomium, de begrafenis van Mozes wordt beschreven. En inderdaad, het beschrijven van je eigen begrafenis lijkt zelfs voor iemand als Mozes nogal een moeilijke opgave.

Opvallend aan de ontstaansgeschiedenis van de heilige schriften zijn de overeenkomsten die er bestaan tussen de verschillende religieuze stromingen. De titel van hoofdstuk negen spreekt dan ook boekdelen: ďThe Koran is borrowed from Both Jewish and Christian Myths.Ē In de uitleg die volgt op deze titel wordt onomwonden beweerd dat de koran niet meer is dan een ordinaire vorm van plagiaat. Ik citeer de bewoordingen van auteur op bladzijde 121: ďIslam is at once the most and last interesting of the worldís monotheisms. It builds upon its primitive Jewish and Christian predecessors, selecting a chunck here and a shard there.Ē Het argument dat heilige boeken opvallend veel op elkaar gelijken valt hier dus samen met het voornoemde argument dat religies menselijke constructies zijn. Het feit dat er gebruik wordt gemaakt van argumenten en tropen van andere heilige boeken wijst er immers op dat we hier onmogelijk kunnen spreken van authentieke goddelijke openbaringen maar van een eenvoudige vorm van het overnemen van menselijke ideeŽn en constructies.

Het argument dat religies constructies zijn die werden bedacht door de mens wordt kracht bijgezet door een hoofdstuk over de geschiedenis van de mormonen, een religieuze stroming in de VS die tegenwoordig vooral bekend is wegens de aanvaarding van polygamie. Hitchens beschrijft hoe de mormoonse kerk ontstond tijdens de jaren twintig van de negentiende eeuw ten gevolge van de inspanningen van Joseph Smith die uiteindelijk leidden tot de schriftstelling van The Book of Mormon. Een boek dat tot vandaag wordt aanzien als de basis van het mormoonse geloof. Smith was een analfabeet die op een bepaald ogenblik openbaringen kreeg van een engel die zichzelf beschreef met de naam Moroni. Deze engel fluisterde hem het verhaal van de oorsprong van het leven in en stipuleerde ook de basisbeginselen van het mormoonse geloof. Aangezien Smith zelf niet kon lezen of schrijven riep hij de hulp in van een buurman om de boodschappen die hij ontving van de engel op papier te plaatsen. Het resultaat van deze onderneming was een boek dat volgens Hitchens verdacht veel lijkt op de inhoud en de vorm van de heilige boeken van het christendom en het judaÔsme. Niet minder dan 100 persoonsnamen zijn letterlijk identiek aan figuren die ook voorkomen in de Bijbelboeken en 25.000 woorden komen ook voor in het Oude Testament. Naast deze letterlijke overeenkomst is er echter vooral de overeenkomst in stijlmiddelen en de algemene boodschap die we terugvinden in het heilige schrift van de mormonen. Denken we maar aan de rol van een influisterende aartsengel die op aarde neerdaalt om de goddelijke boodschap mee te delen.

Op basis van een analyse van de heilige schriften besluit Hitchens dat god niet de schepper is van de mens maar dat de mens god in leven heeft geroepen. Deze redenering is echter niet helemaal sluitend. Uiteraard is het zo dat een analyse van de heilige schriften ons leert dat ze onmogelijk het ware woord van deze of gene god kunnen bevatten. Hiermee worden ook de basisfundamenten van veel georganiseerde religies onderuit gehaald. Het is ontegensprekelijk dat georganiseerde religies het resultaat zijn van handelingen van de mens. Of ook het idee van god dat is, lijkt minder vanzelfsprekend. Bovendien is het ook mogelijk dat god toch bestaat ongeacht het feit dat de heilige schriften die beweren dat zij het bewijs zijn voor zijn bestaan door en door frauduleus blijken te zijn. Het lijkt er dan op dat er in dit hoofdstuk vooral een bom wordt gelegd onder de fundering van georganiseerde religies en dat vragen over het al dan niet bestaan van god niet rechtstreeks behandeld worden.

Gelovigen kloppen zichzelf graag op de borst omdat er in het verleden mensen zijn geweest die op basis van religieuze idealen grootse dingen hebben gerealiseerd. Volgens hen wijst dit gegeven op de morele superioriteit van geloof en religie. Hitchens maakt brandhout van deze bewering. Meerdere malen haalt hij doorheen het boek uit naar de erfenis van moeder Theresa. Natuurlijk zette deze moedige vrouw zich in voor het helpen van miljoenen armen. Zeker en vast had zij in het algemeen een zeer positieve invloed op de menselijke geschiedenis. De vraag is echter of ze dat moest doen op basis van het inzetten van religieuze idealen. Zoals we al hebben gezien leidde haar geloof haar tot het idee dat ze door middel van handoplegging mensen kon genezen. Een bedreiging voor de autoriteit van conventionele geneeskunde. Hitchens gaat ook dieper in op de persoon van Martin Luther King. Deze zwarte Amerikaanse dominee kan terecht worden aanzien als dť voorvechter van raciale gelijkheid in de VS. Zijn vlammende toespraken en vreedzaam verzet doorbraken het taboe dat er tot het midden van de vorige eeuw heerste rondom het idee dat zwarten leden van een inferieur ras waren die geen aanspraken konden maken op dezelfde rechten als de blanke meerderheid. King beriep zich tijdens zijn leven vaak op religie en gebruikte passages uit de heilige boeken om zijn boodschap kracht bij te zetten. Moeten we hieruit nu concluderen dat het christelijke geloof verantwoordelijk is voor het zetten van een belangrijke stap in het bestrijden van racisme? Een positief antwoord op deze vraag is problematisch.

Hitchens wijst er immers terecht op dat het net religieuze vooroordelen waren die het Amerikaanse systeem van slavernij en onderdrukking van de zwarten decennialang in stand hebben gehouden. Zelfs na de Amerikaanse burgeroorlog was er in de zuidelijke en oerreligieuze staten volgens de auteur geen sprake van een gelijke behandeling van zwarten. Beweren dat het christelijke geloof daarom een reden is voor de afschaffing van racisme ten aanzien van de zwarte medemens is op zijn minst een grove simplificatie. De strijd tegen het racisme die werd gevoerd door Martin Luther King maakte gebruik van religieuze retoriek maar dat betekent niet noodzakelijk dat religie inherent antiracistische karaktertrekken bezit. Het lijkt er meer op dat er in het geval van King sprake was van een gebruik van religieuze denkbeelden en retoriek dat ondergeschikt was aan humanistische en liberale idealen zoals individuele vrijheid. Een ander icoon dat door gelovigen vaak naar voren wordt gehaald is Mahatma Ghandi. Deze IndiŽr verwezenlijkte grote dingen in zijn land zoals de afschaffing van de sociale segregatie onder het kaste systeem en bracht India verlossing van het Britse imperiale juk. Bij Ghandi is echter niet alles rozengeur en maneschijn. Volgens Hitchens mogen we niet vergeten dat deze man met zijn antimodernistische filosofie een belemmering vormde voor de economische vooruitgang van zijn land. Bovendien zorgde zijn combinatie van religieus denken en nationalisme voor het creŽren van etnische scheidslijnen die meteen na 1945 leidden tot de afscheiding van Bangladesh van India. De scheidslijnen zorgen tot op de dag van vandaag voor een hoogst problematische relatie tussen moslims en hindoes. Ghandi was daarenboven ook een rabiate hater van vrouwen en een tegenstander van secularisering. Het was pas tijdens het bewind van zijn opvolger Nehru dat India de moderne seculiere instellingen zou gaan ontwikkelingen die de basis vormden voor de democratisering en modernisering van het land.

Het zou natuurlijk absurd zijn om de realisaties van grote religieuze figuren uit het verleden te ontkennen. Een atheÔst zoals Hitchens is dan ook geen sovjetrealist die alles wat niet past binnen zijn kraam uit het verleden wil wegwissen. Wel is het zo dat we ons de vraag moeten stellen wat precies de rol was van religie binnen de verwezenlijkingen van deze personen. Speelde religie een doorslaggevende rol of was het eerder ondergeschikt aan andere motieven? Het tweede lijkt hier inderdaad het geval. Wanneer religie werd ingezet om bepaalde liberale en humanistische idealen na te streven is er in het verleden zeker sprake geweest van morele vooruitgang. We kunnen hier bijvoorbeeld ook denken aan de rol van iemand als Lech Walesa in de strijd tegen het Sovjet-communisme in Polen. Daarnaast mogen we niet vergeten dat we hier altijd te maken hebben met grote daden van individuen die er voor kozen om religie op een bepaalde manier te gebruiken. Dat is inderdaad van een geheel andere orde dan beweren dat religie dť inspirator zou zijn van grote figuren uit het verleden.

Een van de weinige argumenten die tegenwoordig nog wordt aangehaald tegen atheÔsme is het idee dat atheÔsme gelijkstaat met immoraliteit, zedeloosheid of onbeschaafdheid. Tegenstanders van het atheÔsme verwijzen hierbij vaak naar een uitspraak van het personage Smerdyalev in de roman De Gebroeders Karazamov van de bekende Russische schrijver Fjodor Dostojevsky. Zonder god is er volgens dit personage geen moraliteit. Het is een uitspraak die door theologen zoals Alister McGrath nog steeds wordt gebruikt om het atheÔsme in diskrediet te brengen. In ťťn adem wordt er door McGrath en consorten in dit opzicht gewezen naar de geschiedenis van de twintigste eeuw. De pogingen om religie uit de westerse samenleving te verwijderen leidden volgens deze interpretatie van de afgelopen honderd jaren tot fascisme, nationaalsocialisme en communistische dictatuur. Een vreemde redenering op zijn minst. Hitchens verwerpt dit idee door een historisch overzicht te geven van de reactie van georganiseerde kerken op deze drie totalitaire stromingen. Zijn vaststellingen zijn vernietigend. Zo was er in 1929 het verdrag van Latheranen, dat werd afgesloten tussen het Vaticaan en de Italiaanse fascist Benito Mussolini. In dit pact erkende de katholieke autoriteit bij monde van paus Pius de Elfde de legitimiteit van het Italiaanse fascisme. In ruil voor deze aanvaarding kreeg het katholicisme in het fascistische ItaliŽ een staatsmonopolie.

Sommigen hebben geprobeerd om deze samenwerking te beschrijven als een pragmatisch verstandshuwelijk afgesloten onder omstandigheden die een andere optie voor het Vaticaan uitsloten. Hitchens beweert echter terecht dat dit niet klopt. Het fascisme en het katholicisme tijdens het Interbellum waren ook op ideologisch en filosofisch vlak bondgenoten. Samen deelden ze een vicieuze afkeer van de parlementaire democratie, het ideaal van individuele vrijheid en een afkeer van het aardse materialistische leven. De relatie tussen het de katholieke kerk en het nationaalsocialisme is complexer. Er moet worden toegegeven dat de Duitse katholieken reeds zeer vroeg hun afkeer lieten blijken voor de eugenetische praktijken van het Derde Rijk. In het bijzonder paus Pius de Elfde kan worden beschreven als een vroege tegenstander van bepaalde praktijken van het nationaalsocialisme. Ook hier kan er echter niet voorbij worden gegaan aan opvallende vormen van goedkeuring die vanuit Rome werden gestuurd naar het adres van Adolf Hitler. Zo weigerde het Vaticaan openlijk het antisemitisme van het Derde Rijk aan te klagen en werden er tekenen gegeven dat de politieke autoriteit van de naziís niet in vraag werd gesteld. Een absolute schande was een brief die werd gestuurd door paus Pius de Twaalfde onmiddellijk na zijn opvolging van Pius de Elfde in februari 1939. In deze brief blies hij zonder blikken of blozen de loftrompet van Adolf Hitler als leider van het Duitse volk en gaf hij zijn katholieke zegen voor de nederzetting van het nationaalsocialistische project. Na de val van het Derde Rijk ging de steun van de Duitse katholieken aan het nationaalsocialisme overigens gewoon verder. Met de steun van katholieke autoriteiten bekwamen veel ex-topfunctionarissen van Hitleriaanse organisaties clandestiene documenten waarmee ze konden vluchten naar Latijns Amerika om aldaar een nieuw leven te beginnen. Het Sovjet-communisme wordt door velen beschreven als een door en door atheÔstisch regime. Dit is slechts een halve waarheid. Het is natuurlijk ontegensprekelijk dat de communistische autoriteiten alles in het werk stelden om de bestaande religieuze instellingen op het grondgebeid van de Sovjet Unie uit te wortelen. Anderzijds mogen we niet voorbijgaan aan het feit dat het Sovjet-communisme zelf beschreven kan worden als een soort religie. Een seculiere religie, maar desalniettemin een totalitaire beweging die meerdere aspecten van de bestaande religies probeerde over te nemen. Hitchens denkt hierbij dan vooral aan de cultus van de persoonlijke leider, de onbuigzame verheerlijking van het collectief boven het individu, het geloof in een absolute waarheid en, hiermee verbonden, het gebruik van censuur en repressieve methoden om dissidenten en mensen met een andere mening te liquideren. Hij schrijft hierover op bladzijde 246 zeer terecht: ďCommunist absolutists did not so much negate religion, in societies that they well understood were saturated with Faith and superstition, as seek to replace it.Ē Hitchens is uiteraard niet de eerste die deze observatie maakt. In 1939 schreef Bertrand Russell het boek The Practice and Theory of Bolshevism waarin eenzelfde conclusie al uit de doeken werd gedaan en de relatie tussen religie en Sovjet-communisme werd aangekaart.

Van het argument dat atheÔsme tijdens de twintigste eeuw leidde tot totalitarisme blijft geen spaander over. Net zo min is het nog geloofwaardig om te poneren dat religie een noodzakelijk tegengif is voor de proliferatie van totalitaire bewegingen. Het zijn in tegendeel diep humanistische en seculiere ideologieŽn die ons kunnen behoeden van het kwaad dat de mensheid heeft geteisterd tijdens de afgelopen eeuw.

De grootste energie in dit boek is besteed aan het aantonen van de schadelijke consequenties van religie en de misvattingen waarop religies gebaseerd zijn. In de laatste twee hoofdstukken wordt er aandacht besteed aan wat een positieve agenda kan worden genoemd. De auteur gaat op zoek naar een alternatief. Hoe kan of moet een wereld zonder religie er uit zien? Niet erg verrassend pleit Hitchens daarbij voor een nieuwe Verlichting. Als groot apologeet van wetenschap en rationaliteit is het voor hem onontkoombaar dat een benadrukking van de rol van wetenschap en religie het wapen bij uitstek is voor het bestrijden van de negatieve consequenties van religie. Toch is het opvallend dat er een bepaald beeld van wetenschap en rationaliteit wordt verdedigd. Op geen enkel ogenblik beweert Hitchens bijvoorbeeld dat wetenschap en rationaliteit kan, en zal, leiden tot het vinden van absolute waarheden. Dit is belangrijk omdat tegenstanders van de Verlichting terecht vaak hebben gewezen op utopische idealen die terug te vinden zij bij bepaalde verdedigers van de Verlichting zoals de achttiende eeuwse Franse denker Condorcet. Hitchens drukt ons op het hart dat wetenschap er nooit voor zal kunnen zorgen dat we antwoorden vinden op alle vragen en dilemmaís waarmee we geconfronteerd worden. De nieuwe Verlichting van Hitchens is dan ook niet gebaseerd op het nastreven van de absolute waarheid maar op de principes van kritisch onderzoek en scepticisme. Het rationele denken moet volgens Hitchens worden gebaseerd op het Socratische ideaal dat we moeten leren aanvaarden dat alle vormen van kennis in vraag moet kunnen worden gesteld.

Het ideaal van de Verlichting dat wordt uitgedragen door Hitchens is gebaseerd op een bijzonder scherpzinnige uitspraak die we kunnen terugvinden in de roman Anti Goetze geschreven door Gotthold Lessing in 1778. Lessing is zonder twijfel ťťn van de meest scherpzinnige schrijvers van de Duitse Verlichting. In het boek van Hitchens lezen we dit citaat van een personage van Lessing aan het begin van hoofdstuk negentien: ďThe true value of a man is not determined by his possession, supposed or real, of truth, but rather by his sincere exertion to get to the truth. It is not passion for the truth but rather the pursuit of the pursuit by which he extends his powers and in which his ever-growing perfectibility is to be found.Ē Wat we hieruit moeten onthouden is dat niet de waarheid op zichzelf de kernwaarde is van de Verlichting maar de instelling om voortdurend bereid te zijn om op zoek te gaan naar de waarheid. Dit impliceert een kritische ingesteldheid die geen enkel dogma kan aanvaarden en die nooit gebruik zal maken van bedrog of geweld om een mening op te leggen aan anderen. Het is een aanvaarding van het feit dat een vreedzame toekomst alleen mogelijk is een wereld waarin het kritische individu door iedereen wordt aanvaard als soeverein.

Naast deze ingenieuze interpretatie van de Verlichting is er nog een tweede aspect in de positieve agenda van Hitchens dat in de verf dient te worden gezet. In plaats van een aandacht voor de heilige boeken van religies als basis voor het morele leven dienen we volgens de auteur gebruik te maken van de voortbrengselen van de menselijke creativiteit in de vorm van literatuur. Om het gebrek aan houvast die mensen ontleenden aan het lezen van heilige boeken te compenseren moeten we een beroep doen op de werken van de wereldliteratuur. Het lezen van vooraanstaande romans vervult in wezen dezelfde rol dan het lezen van heilige schriften. Er worden antwoorden gezocht op vragen zoals daar zijn: waar komen we vandaan? Wat is de betekenis van het leven? Hoe moeten we omgaan met tegenslag en verdriet? Het verschil tussen literatuur en heilige schriften is natuurlijk dat er binnen eerstgenoemde geen sprake is van de aanwezigheid van doctrinaire en eenzijdige antwoorden. Door middel van literatuur leren we integendeel om te gaan met het gegeven dat bepaalde vragen nu eenmaal nooit een definitief antwoord zullen vinden. Literatuur stimuleert de verbeeldingskracht en het intermenselijk inlevingsvermogen terwijl heilige schriften proberen om ons op te zadelen met vernauwende oogkleppen. Een indompeling in literatuur in plaats van indoctrinatie in heilige schriften zorgt bovendien ook voor een bredere kennis over de wereld.


Recensie door Christophe Andrades



De auteur is docent politieke filosofie en politieke geschiedenis aan de Universiteit van Maastricht



Literatuur:

Antony, L. (2007). Philosophers Without Gods. Meditations on Atheism and the Secular Life. Oxford: Oxford University Press.

Burleigh, M. (2006). Sacred Causes. Religion and Politics from the European Dictators to Al Qaeda. London: Harpers Press.

Dawkins, R. (2006). The God Delusion. London: Bantam Press.

McGrath, A. (2004). The Twilight of Atheism. The Rise and Decline of Disbelief in the Modern World. London: Rider.

Onfray, M. (2007). Atheist Manifesto. The Case Against Christianity, Judaism, and Islam. New York: Arcade Publishing.

Philipse, H. (2004). Atheistisch Manifest. Amsterdam: Bert Bakker.

Zwagerman, J. (2007). De Schaamte voor Links, Pamflet. Amsterdam: Querido.

Hitchens Christopher, God is not Great. The Case Against Religion. London: Atlantic Books, 2007

Links
mailto:C.Andrades@PHILOSOPHY.unimaas.nl
Share |

De Arabische Revolutie:

tussen droom en werkelijkheid

Op woensdag 5 april 20.00 uur

Afspraak in De Markten (Oude graanmarkt 5, 1000 Brussel) voor een avond met Koert Debeuf,

schrijver, columnist, directeur van het Tahrir Institute for Middle East Policy Europe en onderzoeker aan de Universiteit van Oxford.

Zijn recentste boek is "Inside the Arab Revolution. Three Years on the Front Line of the Arab Spring".

Koert zal gebaseerd op zijn persoonlijke ervaringen de Arabische Revolutie trachten te kaderen door parallellen te trekken met de Franse Revolutie en door een aantal inzichten te bieden in het Midden Oosten.

Uw aanmeldingsmail aan info@liberales.be geldt als inschrijving.

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be