De thuiskomst van Jossel Wassermann

boek vrijdag 24 april 2009

Edgar Hilsenrath

De Endlösung zorgde ervoor dat de historische Joodse aanwezigheid en invloed op zowel het sociale, economische als culturele leven in Centraal en Oost-Europa verdween in de nevelen van de geschiedenis. Over dit vreselijke drama van de voorbije eeuw en de nefaste impact ervan schreef de Vlaamse auteur Piet de Moor zijn onvolprezen boek Schemerland. Stemmen uit Midden-Europa. Daarin beschrijft hij hoe de nazi’s en hun aanhangers massaal de Joden vermoordden en vernietigden en daarmee een belangrijk en vruchtbaar onderdeel van de Europese cultuur. Piet de Moor heeft het in zijn boek ondermeer over het leven van de Joods-Duitse schrijver Edgar Hilsenrath die op school herkend werd als Jood en tal van vernederingen moest ondergaan. Nochtans was zijn vader tijdens de Grote Oorlog frontsoldaat geweest in het Oostenrijkse leger, had een zilveren medaille ontvangen voor bewezen dapperheid en voelde zich samen met gans zijn familie door en door Duits. ‘Tot de fascisten kwamen, die hebben alles kapotgemaakt’, zo verklaarde Hilsenrath ooit.

Edgar Hilsenrath werd geboren in Leipzig in 1926 en vluchtte in 1938 met zijn moeder en jongere broer naar het stadje Seret (Boekowina) Roemenië. In 1941 kwamen ze terecht in een getto van het stadje Moghilev-Podolsk in Transnistrië volgepropt met 30.000 andere Joden waarvan er amper 5.000 overleefden waaronder Hilsenrath. Hij trok later naar Palestina en van daaruit in 1951 naar New York. Uiteindelijk vestigde hij zich in Berlijn en schreef er zijn beklijvende romans Nacht, over zijn ervaringen in het getto en De nazi en de kapper, een ‘kolkend, onthutsend en vooral uiterst vermakelijk meesterwerk’ aldus NRC. Vermakelijk is hier echter niet het juiste woord, het is eerder een schokkend boek waarin het hoofdpersonage, een ‘ariër’ zich van dader omvormt tot een slachtoffer. Een boeiende literaire vondst maar tegelijk een doordenker over de mate waarin mensen in staat zijn zich uiterlijk voor te doen als beschaafd en decent. Het doet denken aan het hoofdpersonage uit De Joodse Messias van Arnon Grunberg. Dat Hilsenrath’s boeken Nacht en De nazi en de kapper geen toevalstreffer waren, blijkt uit zijn volgende roman De thuiskomst van Jossel Wassermann. Sterker nog, dit boek overstijgt al zijn vorige werk, door de diepgang, de opbouw, de rijke woordenschat en vooral de spannende vertelkunst die de auteur zo goed in de vingers heeft.

Het boek gaat over de stervende Jood Jossel Wassermann die in Zwitserland woont en op 31 augustus 1939, de dag voor de Duitse inval in Polen (de feitelijke start van de Tweede Wereldoorlog), zijn testament laat opmaken. Hij vertelt zijn levensverhaal aan zijn advocaat en notaris, die zijn laatste wil moeten uitvoeren, en vraagt hen dat de Toraschrijver uit zijn geboorteplaats dit zou uitschrijven om het door te geven aan de komende generaties. Die geboorteplaats is Pohodna, een dorp aan de Pruth aan de oostgrens van de oude Donaumonarchie waar een kleine ‘sjtetl’ gevestigd is, een Jiddisch woord waarmee een plek wordt aangeduid ‘waar een orthodox joodse gemeenschap’ leeft. Wassermann vertelt over de geschiedenis van het dorp en zijn voorouders, over de oorsprong, de groei en de levenswijze in die besloten gemeenschap die zich staande hield midden een gebied vol ‘gojs’ of niet-joden, Poolse en Roetheense boeren die door hun christelijke kerkvaders voortdurend werden aangezet tot antisemitisme. Zo vormt deze roman een aaneenschakeling van geruchten, anekdotes en wetenswaardigheden uit het leven van de bewoners van die kleine gemeenschap: over de waterdrager Jankl en zijn heimelijke liefde voor Rifke, de oude vogelverschrikker en de beroemde geschiedenis van de joodse pekelharing en de Oostenrijkse keizer. Het is een boek vol betoverende, weemoedige en indringende verhalen die een prachtig beeld scheppen van een wereld die ooit bestond maar intussen compleet vernield werd.

Net zoals tal van andere kosmopolitische steden en dorpen in die regio en in die tijd vormde de Joodse marktplaats van Pohodna een bloeiend handelscentrum waar mensen verschillende talen spraken – Pools, Roetheens, Roemeens, Hongaars, Armeens, Bulgaars, Lipoveens-Russisch en natuurlijk ook Jiddisj – en die zich deelachtig voelden aan het kosmopolitische karakter van het toenmalige Oostenrijks-Hongaarse rijk. Aan het hoofd stond keizer Franz Joseph, die de Joden in 1867 burgerrechten gaf en in de volksmond ‘Der Judenfreund’ werd genoemd wat hem meer vijanden dan vrienden opleverde. Want de bevolking, in het bijzonder de boeren, waren gekant tegen de Joden, vooral onder invloed van hun popes en pastoors die hen op hun kansels voortdurend bestempelden als ‘godsmoordenaars’. Waarom de keizer de Joden te vriend hield, wordt door Hilsenrath in een tot vandaag bestaande legende meesterlijk uitgelegd in zijn boek. Zo zou de keizer ooit de taverne van Jossel Wassermann’s grootvader betreden hebben waar hij bij het nuttigen van een zoute haring bijna stikte in een graat. Dankzij de resolute tussenkomst van zijn oude Joodse overgrootmoeder ontsnapte de keizer aan een zekere dood waarna hij gelijke burgerrechten beloofde voor de Joden.

Deze gebeurtenis is een kantelmoment in de roman. De Joden die zich steeds bedreigd voelden door pogroms en uitsluiting, voelden zich in die jaren voor de Grote Oorlog, meer dan anderen verbonden met de keizer en traden massaal toe tot zijn leger. Zo beschrijft een naaste medewerker van de koning dat de Joden in feite de enige groep echt betrouwbare strijders vormden, in tegenstelling tot die talloze Hongaren, Duitsers, Tsjechen, Roemenen en onderdanen uit andere landen die onbetrouwbaar waren door hun ziekelijke nationalisme. Het leek alsof ze na al die eeuwen van vervolging en christenhaat eindelijk wat houvast onder hun voeten voelden. Zo vertelt Jossel Wassermann dat net voor de Eerste Wereldoorlog alleen de Joden nog tevreden waren. Ze ‘zwaaiden op de verjaar- of naamdag van de keizer met kleine vlaggetjes, baden voor de keizer’ en dachten dat als ze flink hun best deden voor de Duitse geest dit ‘voor hen het einde van de pogroms betekent, namelijk vrijheid, vooruitgang, geen verwoesting van have en goed, maar gerechtigheid en geluk’. Toen de aartshertog in Servië werd doodgeschoten schreeuwde de Joodse kinderen in Pohodna: “Weg met Servië. Leve keizer Franz Joseph”, alsof ze beseften dat hiermee de doos van Pandora geopend was.

Toen de Russen begin augustus 1914 oprukten, sloegen de Joden massaal op de vlucht naar Wenen en Boedapest uit vrees voor de kozakken en voor pogroms. Waarop Wassermann vertelt hoe hij in legerdienst gaat aan het Italiaanse front en door een wel bijzonder voordelige speling van het lot 254 Italiaanse krijgsgevangenen maakte. Hij werd een nationale held en kreeg een zilveren medaille uit handen van de keizer – een duidelijke hint van Hilsenrath naar zijn vader – maar terug aan het front werd hij gevangen genomen. In een verbeeldingrijke slotscène sloeg Wasserman op de vlucht naar Zwitserland met een bootje over het meer van Lugano. Tijdens die boottocht werd hij beroofd. Hilsenrath beschrijft heel scherp de verbijstering van Wassermann dat ze niet alleen zijn geld en bovenkleding hadden gestolen maar ook zijn vuile waardeloze onderbroek vol gaten. ‘Voor de heer Wasserman is er een wereld ten onder gegaan’ omdat die diefstal zinloos was, aldus de auteur. Die wereld zal nadien ook ten onder gaan voor een groot deel van het Joodse volk in de zinloosheid van de Shoah. Maar Wassermann overleeft en krijgt hulp van een rijke Jood met wiens dochter hij trouwt. Zo wordt hij in Zwitserland een welgesteld man en hij blijft er wonen. Niet dat de Zwitsers van de Joden houden, zegt een van de protagonisten, ‘maar ze houden van ons geld’.

De stervende rijke Wassermann wil zijn fortuin, deels uit schuldgevoel en om zijn naam verder te laten leven, overmaken aan de Joodse gemeenschap in Pohodna en er begraven worden. Maar het is te laat. De Joden worden immers uit de sjtetl gehaald en afgevoerd. ‘Een erfenis die niemand zal aanvaarden en een verhaal dat niemand zal horen’, zo verhaalt Hilsenrath die hiermee heel slim een stuk waarheid voor de komende generaties nalaat. Miljoenen Joden verdwenen uit vooral Centraal en Oost-Europa en met hen hun taal, hun cultuur, hun verbeelding. ‘Het verlies van de joden kan niet worden goedgemaakt (…) ze waren immers de overbrengers van de ideeën in Europa, ze legden de banden tussen de Europese landen, ze waren de vertalers van de Europese cultuur’. Het is dé cruciale sleutelzin in Schemerland van Piet de Moor. Wie De thuiskomst van Jossel Wassermann leest, begrijpt waarom.

Het was de combinatie van nationalisme en antisemitisme die dit enorme drama mogelijk maakte, een drama waarvan we nog steeds niet hersteld zijn en waarschijnlijk nooit helemaal zullen herstellen. Integendeel, overal zien we opnieuw opstoten van verkrampt nationalisme, de beangstigende neiging naar gesloten samenlevingen, de drang naar vermeende zuiverheid waarbij men de mensen wil herleiden tot één identiteit, met één taal en één vermeend verleden. De verhalen van Hilsenrath doen ons inzien tot welke geestelijke woestijn de ideeën van de De Wevers en Dewinters kunnen leiden. Juist daarom moet Hilsenrath gelezen worden. Als waarschuwing tegen de trommelaars en vendelzwaaiers die in hun genagelde botten opnieuw door de straten marcheren.


Recensie door Dirk Verhofstadt

Edgar Hilsenrath, De thuiskomst van Jossel Wassermann, Anthos, 2009, vertaling door Elly Schippers, 272 p.

Links
mailto:verhofstadt.dirk@pandora.be
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be