De schaduw van de Vooruitgang

boek vrijdag 27 februari 2004

Arnold Heumakers

Arnold Heumakers is een gerespecteerde Nederlandse essayist en recensent voor het NRC-Handelsblad. Van zijn hand verscheen onlangs de essaybundel De schaduw van de Vooruitgang. Bij zo een titel verwacht de lezer zich aan een batterij argumenten en voorbeelden die aantonen dat de zo geroemde Vooruitgang niet zozeer geleid heeft naar een beter bestaan voor de mens maar juist tot ‘ontmenselijking’. Een thema dat in de loop van de voorbije twee eeuwen en vooral de laatste jaren onder de vorm van het cultuurpessimisme opgang maakt. Maar na lezing van enkele pagina’s van het stevig onderbouwde boek van Arnold Heumakers blijkt dat het hier niet zozeer gaat om cultuurkritiek op zich maar wel om kritiek op de cultuurkritiek. Daarbij zoomt hij in op de vaak indrukwekkende diagnoses die tal van schrijvers en filosofen van wereldformaat in hun geschriften over de moderniteit hebben neergepend enerzijds en de beperkte, vaak teleurstellende remedies van diezelfde personen anderzijds.

Een eerste opvallende vaststelling is dat de cultuurkritiek van alle tijden is waarbij steeds dezelfde thema’s terugkeren. Zo kloeg Jean Jacques Rousseau reeds in de 18de eeuw over ‘de vervreemding van de natuur, de macht van het geld, de teloorgang van de ‘ziel’, en het verval van de deugd’. Vandaag spreken we over ‘milieuproblemen, de gevaren van het marktdenken, de hegemonie van de techniek, de spirituele leegte en het toenemend normverlies’. Dat blijkt de laatste jaren ook in Nederland aan de orde met de roep van politici en intellectuelen voor een terugkeer naar normen en waarden. Kritiek op hedendaags gedrag is van alle tijden en wordt door cultuurcritici steeds met overtuiging benadrukt. Al te vaak beoordelen cultuurcritici de veranderingen die aanleiding gaven tot dat hedendaags gedrag evenwel vanuit een zeker conformisme waarbij ze zich vanuit hun eigen ervaringen en inzichten behoudsgezind opstellen.

Natuurlijk waren er ook vooruitgangsdenkers die geloofden in evidente verbetering van de wereld waarbij ze hun hoop vooral stelden op de nieuwe technieken. Auteurs als Maurice Du Camp, romantici als Victor Hugo en Alphonse de Lamartine (auteur van Histoire des Girondins), utopisten als Saint Simon, Fourier en Proudhon zagen de geschiedenis als een ‘geluk, rechtvaardigheid en broederschap brengende mars van de vrijheid’. Op het eerste zicht zou men ook Charles Baudelaire bij hen classeren al was het maar omwille van zijn meesterwerk Les Fleurs du Mal dat door de Franse overheid als een belediging van de publieke moraal werd ervaren. Daarbij stond Baudelaire ook aan de basis van het modernisme waarbij kunstenaars op zoek gingen naar nieuwe antitraditionalistische uitingsvormen teneinde greep te krijgen op de eigentijdse geseculariseerde samenleving en haar vooruitgangsgeloof. Maar voor hem mocht de kunst niet ondergeschikt worden gemaakt aan de wetenschap of gereduceerd tot ‘propaganda’. Meer nog, Baudelaire waarschuwde voor decadentie en zelfs ‘amerikanisatie’ van de moderne mensheid (het schrikbeeld van de amerikanisatie horen we zelfs vandaag nog). Het ‘morele nut van de kunst’ is volgens hem het ‘verzet tegen het vergeten’ dat in elke mens zowel een verlangen naar het spirituele bestaat als het zich laten meeslepen naar het dierlijke. Waarmee eenvoudig gezegd vooruitgang niet automatisch leidt naar verbetering.

Die vooruitgangsgedachte kreeg een felle knauw door de Eerste Wereldoorlog waarna een golf van cultuurpessimistische publicaties verschenen waarin men probeerde uit te leggen hoe dit drama mogelijk was geweest. Zo sprak José Ortega y Gasset van een ‘opstand der horden’, een teleurgang van een hoger moreel of religieus ideaal en de noodzaak tot een fundamentele mentaliteitsverandering. Heumakers wijst er terecht op dat deze klacht, die we zelfs vandaag nog horen, iets gratuits heeft en eerder de gevoelde machteloosheid bevestigt dan opheft. Volgens Paul Valéry was evenwel de keerzijde van de Vooruitgang zichtbaar geworden, nl. het verlies aan vrijheid van de mens door zijn onderworpenheid aan het ‘machenisme’, niet alleen aan techniek maar ook aan ‘de disciplinering van het bestaan door middel van vaste arbeidsuren, dienstregelingen, bureaucratie; zelfs de spellingseisen vallen eronder’, aldus Valéry. Ook Ernst Jünger ziet het burgerlijk individu omgevormd tot ‘arbeider’ in een onbarmhartige wereld. Als gevolg van de Eerste Wereldoorlog zag hij alle oude bindingen veranderen zoals de kunst, de economie, de democratie. Alleen de techniek zou blijven floreren. In het licht van de gruwelijke gebeurtenissen in de daaropvolgende decennia klinkt dit haast profetisch.

Een andere ontwikkeling ‘in de schaduw van de Vooruitgang’ vormde het geloof in de collectieve mens. “Bolsjewieken, fascisten en nationaal-socialisten verkondigden, net als de artistieke avant-garde, het revolutionaire ideaal van een nieuwe wereld en een nieuwe mens. Een gemeenschapsmens die zijn identiteit niet meer ontleende aan zijn rationele autonomie, maar aan het collectieve verband waarvan hij deel uitmaakte: de klassenloze maatschappij, de fascistische staat, het raszuivere Duitse volk.” Heumakers wijst erop dat heel wat kunstenaars en filosofen zich hier roekeloos mee engageerden wat velen trouwens tot hun scha en schande ook ondervonden. Over de gedrevenheid waarmee sommigen onder hen de Russische revolutie, het fascisme in Italië en Duitsland bejubelden en er nadien zelf het slachtoffer van werden kunnen nog vele boeken gevuld worden. Denk maar aan Jesenin, Majakovski, Piljnak, Babel, Grossman, Sten, Gabriele d’Annunzio, Heinz Neumann, Margerete Buber-Neumann en vele anderen.

De Tweede wereldoorlog en vooral Auschwitz zorgden voor een nieuwe stroom aan boeken en geschriften waarin de moderniteit in vraag werd gesteld. Heumakers verwijst hiervoor naar De moderne tijd en de holocaust van Zygmunt Bauman. Baumans centrale stelling is dat de Holocaust niet een dieptepunt in de beschaving vormde maar juist het gevolg was van de beschaving zelf. Het nationaal-socialisme valt dus niet buiten de moderniteit maar er net in. Waaruit de conclusie volgt dat moderniteit en moraal elkaars vijanden kunnen zijn. Meer beschaving betekent dus niet automatisch rechtvaardigheid en menselijkheid. Bauman toont dit aan met een even eenvoudige als beangstigende vaststelling: “De massale vernietiging (van joden) ging niet gepaard met emotioneel tumult, maar met de dodelijke stilte van de onverschilligheid.” Die onverschilligheid werd evenwel pas mogelijk door de doorgedreven bureaucratisering, verzakelijking en derhalve ontmenselijking van het ganse proces. Door de bewust gecreëerde afstand tussen uitvoerders en slachtoffers verdween de beroering van het menselijk geweten. De oorspronkelijke moordpartijen met nekschoten door de beruchte Einzatsgrüppen werden vervangen door meer ‘afstandelijke’ en ‘wetenschappelijke’ opruimingstechnieken zoals het verstikken van mensen in vrachtwagens en het gooien van Zyklon-B korrels in afgesloten ruimtes. Bauman gaat nog verder en argumenteert dat ‘de holocaust een bijproduct is van de moderne drang tot het scheppen van een volledig bedachte, volledig beheerste wereld als die drang onbeheersbaar wordt en op hol slaat’. En dit alles met behulp van een wetenschap die zichzelf waardevrij zag.

Dat moderniteit en moraal elkaars vijanden kunnen zijn behoeft evenwel uitleg en hangt af van de invulling van het begrip moderniteit zelf. Als motor van de Verlichting dat gericht is op de vrijheid van de mens en de erkenning van zijn unieke en onvervangbare persoonlijkheid, staat moderniteit lijnrecht tegenover immoraliteit. De methodes die het fascisme, maar ook het communisme, mogelijk maakten waren immoreel. Wie de mens als een ‘ding’ beschouwt, als iets dat men in functie van een ‘hoger doel’ of de ‘collectiviteit’ kan uitschakelen en vervangen gaat in tegen de essentie van de Verlichting. Heumakers gaat aan deze discussie voorbij en richt zich verder op de vraag of literatuur en kunst nog een betekenis kunnen hebben na Auschwitz. Die vraag was na de ontdekking van de gruwelijkheden in de kampen begrijpelijk maar kan alleen met ‘ja’ beantwoord worden. Want een ‘neen’ zou de onverbiddelijke capitulatie zijn van het cartesiaanse mensbeeld. En zelf geeft de auteur een ander argument: “Wat als er geen overlevenden meer zijn?”. Daarom blijft nadenken en schrijven over Auschwitz en over de moraal essentieel.

Het is spijtig dat de auteur in dit stadium van zijn boek geen plaats heeft geruimd voor een aantal denkers, filosofen en schrijvers die gewezen hebben op de schadelijke impact van het collectivisme op de moraal en de enorme morele kracht die uitgaat van het individualisme. Karl Popper, maar ook Ayn Rand, Raymond Aron, Martin Luther King, Friedrich Hayek, John Rawls en Nelson Mandela hebben elk op hun terrein opnieuw licht gebracht in die duistere 20ste eeuw. De ganse beweging naar de acceptatie en zelfs afdwingbaarheid van de universele mensenrechten en de morele onaanvaardbaarheid van misdaden tegen de menselijkheid zijn belangrijke stappen ‘in de schaduw van de Vooruitgang’ die hier onbelicht worden gelaten. Niet dat de vrije wereld en vrije mens ooit zal bereikt worden of dat de moraal finaal de overhand zal krijgen in het samenleven tussen mensen. Dat is en blijft een dagelijks gevecht waarbij we Popper indachtig moeten zijn die stelde dat we moeten stoppen om voor wereldverbeteraars te spelen omdat dit leidt de meest gruwelijke drama’s. Wel moeten we bescheiden verbeteraars zijn die stapje voor stapje onrecht uit de wereld helpen.

De auteur eindigt zijn boek met een uitvoerige bespreking van Heideggers cultuurkritiek. Dit biedt een verrassend inzicht in het denken van Heidegger die in politiek-filosofische kringen uitgespuwd wordt omwille van zijn medewerking aan het nazisysteem dat zich keerde tegen het humanisme. Heumakers demonstreert bijwijlen overtuigend dat Heideggers kritiek op de Vooruitgang niet overeenstemt met de cultuurkritiek van de romantische conservatieven of de linkse intellectuelen die elk vanuit hun visie de mens oproepen om opnieuw ‘greep’ te krijgen op de techniek. Voor Heidegger is de techniek geen ‘duivelswerk’ maar ligt het probleem in het feit dat de mens niet zelfstandig is maar ‘inwisselbaar oftewel vervangbaar, opgenomen in een alomvattend en uniform proces van Vernutzung’. Terwijl de meeste cultuurcritici de wereld willen verbeteren, wil Heidegger een andere ‘wereld’. Die zag hij mogelijk in het nationaal-socialisme als middel om zijn doel te bereiken. De moderne mens heeft geen ‘Heimat’ meer, aldus Heidegger. Steeds meer mensen in de 21ste eeuw beseffen evenwel dat gans de wereld hun ‘Heimat’ is, maar dat is voor veel cultuurcritici nog onbegrijpelijk.

In een interview stelde de auteur het volgende: “Cultuurdiagnoses vormen een genre dat mij boeit maar waar ik ook bezwaren tegen heb. Het zijn allemaal pogingen om je eigen tijd te begrijpen: hoe verhoud ik mij tot de tijd waarin ik ben geboren, en die altijd een grotere invloed op mij uitoefent dan omgekeerd? Een raar verschijnsel in cultuurkritiek is dat de cultuurcriticus vaak zelf uit het beeld verdwijnt, alsof er een archimedisch punt zou bestaan van waaruit je je eigen tijd als een afgerond geheel zou kunnen zien. Die essaybundel gaat daarover. Het is een kritische doorlichting van het genre.” Heumakers is daar met glans in geslaagd.


Recensie door Dirk Verhofstadt (verhofstadt.dirk@pandora.be)

Arnold Heumakers, De schaduw van de Vooruitgang, Querido, 2003

Share |

De Arabische Revolutie:

tussen droom en werkelijkheid

Op woensdag 5 april 20.00 uur

Afspraak in De Markten (Oude graanmarkt 5, 1000 Brussel) voor een avond met Koert Debeuf,

schrijver, columnist, directeur van het Tahrir Institute for Middle East Policy Europe en onderzoeker aan de Universiteit van Oxford.

Zijn recentste boek is "Inside the Arab Revolution. Three Years on the Front Line of the Arab Spring".

Koert zal gebaseerd op zijn persoonlijke ervaringen de Arabische Revolutie trachten te kaderen door parallellen te trekken met de Franse Revolutie en door een aantal inzichten te bieden in het Midden Oosten.

Uw aanmeldingsmail aan info@liberales.be geldt als inschrijving.

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be