Wittgenstein

boek vrijdag 10 oktober 2003

Willem Frederik Hermans

De Tractatus logico-philosophicus van Wittgenstein is het meest merkwaardige boek dat in mijn boekenkast staat. Het bevat een reeks genummerde zinnen en paragrafen waarin Wittgenstein een volledig beeld op het logische denken tracht uiteen te zetten. Hoezeer hij overtuigd was dat dit beeld ook echt volledig was, blijkt uit zijn zevende en laatste stelling. “Van dat, waarover niet kan gesproken worden, moet men zwijgen.” Over het leven en werk van deze excentrieke Oostenrijkse filosoof schreef Willem Frederik Hermans in de loop van zijn leven een reeks essays die in 1990 werden uitgebracht in een boek onder de eenvoudige titel Wittgenstein.

Hermans merkt op dat de Tractatus wel wereldberoemd is en in heel wat particuliere boekenkasten prijkt maar allicht niet door iedere bezitter gelezen, laat staan begrepen werd. Dat hoeft ook niet te verbazen want de filosoof schrijft in zijn voorwoord zelf: “dit boek zal misschien alleen iemand begrijpen die de gedachten welke er uitgedrukt zijn – of toch soortgelijke gedachten – zelf al eens heeft gehad. Het is dus geen leerboek. Het zou zijn doel hebben bereikt, als het iemand die het met begrip leest, genoegen deed”. In elk geval is de hoofdgedachte van de Tractatus inderdaad dat ‘wat onzegbaar is nu eenmaal niet kan worden gezegd’. Daarmee bedoelde hij dat er gebieden zijn als logica, ethica en esthetica waarover niets dat werkelijk betekenis heeft kan worden gezegd. Hiermee meende Wittgenstein alle bestaande filosofische problemen “in wezen voorgoed te hebben opgelost”. Even belangrijk was ook zijn uitspraak dat het boek eigenlijk uit twee delen bestaat, het ene dat hij heeft opgeschreven en een ander, namelijk datgene wat hij niet geschreven heeft (en niet kon schrijven). En juist dat tweede deel was volgens hem het belangrijkste. Dit inzicht verwoordt Wittgenstein trouwens in Tractatus 4.114 zelf als volgt: “Zij (de filosofie, nvdv) moet het denkbare afbakenen en zodoende het ondenkbare. Zij moet het ondenkbare van binnen door het denkbare begrenzen.”

Bij het lezen van sommige passages in de Tractatus zal menige lezer zich de vraag stellen of ze hier te doen hebben met een genie of een gek. Uit persoonlijke brieven aan en gesprekken met de filosoof Bertrand Russell blijkt dat hij zich daar ook zelf van bewust was. Hij had zware depressies, speelde regelmatig met het idee om zelfmoord te plegen (drie van broers hadden reeds zelfmoord gepleegd) en voelde zich onbegrepen. “Het is zeer moeilijk door geen enkele levende ziel begrepen te worden.” Die sombere levenshouding vloeit volgens Hermans mee uit het feit dat hij als prille dertiger reeds ‘alles’ onderzocht en besproken had. Want hoe moet men verder leven als men alles reeds gezegd heeft wat redelijkerwijs kan worden uitgesproken? Toch kreeg het boek snel interesse van de Logische Positivisten uit de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw. Binnen de Wiener Kreis werden de ideeën van Wittgenstein uitvoerig besproken en ontleed. Hermans noemt het bijna ongelofelijk dat die groep strenge denkers en radicale afwijzers van de metafysica “hun inspiratie haalden bij een figuur die eerder aan een profeet dan aan een professor deed denken”. Zelf gaf hij les aan een handvol studenten, en eigenlijk waren het geen echte lessen maar een soort seances.

De invloed van Wittgenstein op andere beoefenaren van de wijsbegeerte en dan vooral van de taalfilosofie groeide snel. Pas op het einde van de jaren veertig kwam een andere filosofische reus op met een totaal tegengestelde visie: Karl Popper met zijn kritisch rationalisme. Hij keerde zich resoluut tegen Wittgenstein en zijn ‘gesloten denken’. Het is opvallend hoe weinig aandacht Hermans aan deze omslag in het filosofisch denken besteedt. Hij citeert wel Popper maar dan als inleiding van een scherpe tekst om de criticaster van het Popperiaanse denken Paul Feyerabend de grond in te boren. Het is een wat merkwaardige wending in dit boek over Wittgenstein, alsof Hermans nog even iets kwijt wou over dat zootje sociologen, psychologen en economen die hun denken baseren “op niets berustende generalisaties, bon mots, boutades, literatuur zonder enig wetenschappelijk of zelfs maar statistisch fundament”. Het siert Willem Frederik Hermans, die zijn fascinatie voor Wittgenstein nooit onder stoelen of banken heeft gestoken, dat hij op die manier diens belangrijkste opponent publiek verdedigt.


Recensie: Dirk Verhofstadt (verhofstadt.dirk@pandora.be)

Willem Frederik Hermans, Wittgenstein, De Bezige Bij, 2002

Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be