Beschavingen botsen niet

boek vrijdag 24 maart 2006

Mark Heirman

Tien jaar geleden publiceerde professor Samuel Huntington zijn ophefmakende boek The Clash of Civilizations waarin hij een quasi apocalyptische botsing tussen de diverse beschavingen in de wereld voorspelde. De liberaal democratische en kosmopolitische cultuur, die Huntington de ‘Davoscultuur’ noemde, werd volgens hem gedeeld door één procent van de wereldbevolking en kon men dus amper een wereldcultuur noemen. Zelfs de massale verspreiding van westerse consumptiegoederen, het feit dat mediagroepen in westerse handen kwamen en het algemeen gebruik van de Engelse taal zouden daar niet kunnen aan verhelpen. Steeds meer landen moderniseerden zich wel, maar dit was volgens Huntington niet hetzelfde als een toenemende verwestering. De religieuze opstoot die we sinds het ineenstorten van de oude ideologieën meemaakten werd gedragen door brede volksmassa's die in de ideeën van hun leiders meer zekerheid voelden dan in de ‘moderne waarden’. Sinds 11 september 2001 deelden steeds meer intellectuelen Samuel Huntingtons pessimistische visie en beschouwden hem als een van de belangrijkste neoconservatieve ideologen van onze tijd.

De botsing van beschavingen lijkt vanuit dit standpunt intussen nog toegenomen. Niet alleen door de oorlog in Irak, de spanningen met Iran, het voortdurende conflict in het Midden-Oosten en de felle protesten tegen de Deense cartoons, maar nog meer door de economische opmars van China en India en de schijnbare heropstanding van Rusland onder Poetin. De globalisering brengt onrust mee, vooral dan in Europa en de Verenigde Staten, die onder druk komen te staan van de nieuwe concurrenten op de wereldmarkt. Het stemt heel wat westerse intellectuelen pessimistisch. Hedendaagse auteurs zoals Roger Scruton, John Gray en Ad Verbrugge hebben het zelfs ronduit over het verval van godsdienst en traditie in het Westen en daarmee het einde van de beschaving. Daarmee sporen ze met Oswald Spengler en zijn Der Untergang des Abendlandes. De vraag is of het uitgangspunt wel juist is en of beschavingen sowieso kunnen botsen? De Vlaamse filosoof Mark Heirman meent van niet en schreef hierover een erudiet boek onder de titel Beschavingen botsen niet. In feite is het de kroon op zijn werk van het voorbij decennium. Zo schreef hij een reeks van twaalf boeiende boeken over het jodendom, het christendom en de islam, de ontwikkeling van Afrika, Europa en Amerika, en andere aspecten van de internationale politiek.

Heirman maakt een duidelijk onderscheid tussen cultuur en beschaving. ‘Een cultuur is wat volken van elkaar onderscheidt, een beschaving wat heb verenigt’, zo schrijft hij. Daarbij leggen een beschaving niet zozeer regels op, maar maakt wel duidelijk wat niet meer geduld wordt in een ‘beschaafde’ samenleving, zoals slavernij, de doodstraf, discriminatie en geweld. Door de universele aspiraties van deze verboden zou men zelfs kunnen stellen dat er maar één soort beschaving mogelijk is tegenover vele diverse culturen. Nieuw is die stelling niet. Johann Herder had in de 18de eeuw reeds het verschil benadrukt tussen Kultur en Zivilisation. Alleen loofde de Duitse dichter net het unieke karakter van nationale culturen en verwierp hij het universalisme van zijn tijdsgenoot Kant. Ook de Duitse cultuurfilosoof Oswald Spengler zag cultuur en beschaving als twee tegengestelde polen en omschreef cultuur als ‘de ziel van het volk’, een na te streven hoger niveau, terwijl beschaving voor hem een zielloos eindpunt betekende. Met zijn stelling en deze voorbeelden legt Heirman heel scherp de explosieve tegenstelling bloot tussen het status-quo van de cultuur en de dynamiek van de beschaving die nog het meest zichtbaar wordt in de relatie tussen stad en platteland. Of anders gezegd, het gaat hier om een regelrechte botsing tussen conservatisme en progressiviteit.

‘Als een cultuur zich in zekere zin vernieuwt, wil ze terug naar haar bron, zelfs als een cultuur daartoe alles moet opblazen wat een beschaving over haar heeft uitgestort’, zo schrijft de auteur. Dat zagen we nog in 2001 toen de Afghaanse Taliban de twee boeddhabeelden bij Bamiyan dynamiteerden omdat ze strijdig waren met de islamitische leer. Volgens de auteur is die culturele weerstand tegen een opkomende beschaving niet zo verwonderlijk omdat mensen zich steeds meer met hun eigen cultuur willen verenigen dan zich in te schakelen in een wereldomvattende beschaving. Op het eerste zicht lijkt dit juist gezien de manier waarop de islamitische wereld zich afzet tegen de westerse beschaving, China en India hun economische plaats in de wereld veroveren, en antiglobalisten zich afzetten tegen de alomtegenwoordigheid van multinationale merken. Maar wie dieper graaft merkt dat de beschavingstendens zich de voorbije decennia met volle kracht doorzet in zowat alle landen van de wereld, Noord-Korea lijkt nog de enige uitzondering. Dat komt door de toenemende communicatie en het besef in steeds meer landen dat bepaalde praktijken ‘onmenselijk’ zijn. De oprichting van het Internationaal Strafhof in Den Haag is daar een sprekend voorbeeld van, alhoewel enkele landen, zoals de VS, er weigeren aan mee te werken.

Maar is de toenemende secularisering en de terugval van religies in het Westen dan geen bewijs van het tegendeel? Zo noemde de Vlaamse filosoof Gerard Bodifée een menselijke cultuur zonder religie nog ondenkbaar. Voor sommige culturen is dat ongetwijfeld zo maar net dat maakt een beschaving zo aantrekkelijk. Heirman gaat nog een stap verder en wijst er terecht op dat religies – met hun aantrekkelijke mythe van het hiernamaals – gelovigen kan aanzetten tot de grootste misdaden. Hij verwijst naar de zeeslag bij Lepanto in 1571 tussen Turken en christenen als een botsing van religies, maar niet van beschavingen. En ook nadien gebeurden de meeste oorlogen niet zozeer tussen beschavingen, maar tussen mensen en volkeren met diverse religieuze overtuigingen. De geschiedenis toont aan dat zich veel meer oorlogen voordeden binnen eenzelfde beschaving dan tussen beschavingen onderling, waarmee Heirman Huntingtons visie finaal van tafel veegt. Het brengt Heirman ook tot de opvallende conclusie dat ‘religie een machtige motor (is) van culturele identiteit, maar tegelijk een splijtzwam die volken en culturen tegen elkaar uitspeelt en die elke beschaving fataal kan worden’.

Maar wat dan met het begrip ‘westerse beschaving’? Is die niet gestoeld op het christendom? Neen, zo oordeelt Heirman, de westerse beschaving heeft vele wortels met niet alleen judeo-christelijke bronnen, maar ook Griekse, Romeinse, Keltische, Germaanse en zelfs Arabische invloeden. En dat, zo zegt de auteur, is net het unieke van een beschaving. Het omvat juist uiterst verschillende culturen, religies en tradities. Als er al iets typisch is aan de moderne westerse beschaving dan zijn het juist de seculiere principes van de scheiding van kerk en staat, de scheiding der machten, de gelijkwaardigheid van elke mens en het recht op zelfbeschikking, maar die principes zijn nog maar twee eeuwen oud. Historici die ons huidige beschavingspeil als de resultante van een lineaire historische ontwikkeling beschouwen, vergissen zich. Vanaf de vijfde eeuw zonk het gekerstende Westen in een diepe duisternis waarin dogma’s belangrijker waren dan empirische vaststellingen en menselijk geluk. Een soort ‘christelijke beschaving’ dus. Pas duizend jaar later zorgde het seculiere zoeken naar ‘the pursuit of happiness’ voor nieuwe lichtpunten, een ongekende dynamiek, en zo voor de moderne westerse beschaving.

Heirmans visie is niet alleen boeiend, ze biedt ook hoopvolle perspectieven. Vroeger leefde amper tien procent van de wereldbevolking in steden, in 2000 was dat reeds de helft, en dat aantal lijkt alleen nog maar toe te nemen. Dat is slecht nieuws voor de drie monotheïstische godsdiensten die zich in hun teksten afkeerden van de steden, denk aan de verwijzing in Jesaja naar de stad Babylon als ‘de grote hoer’. Steden waren het werk van de duivel, maar tegelijk waren het centra van onderwijs, wetenschap en techniek, drie ontwikkelingen die de godsdiensten met lede ogen ondergingen en zelfs vurig bekampten omdat ze de mens kritisch maakten tegen hun dogmatisme. Culturen en religies hebben zowat alle moderne ontwikkelingen proberen tegen te houden, maar Heirman wijst er fijntjes op dat wat ooit ontdekt en uitgevonden werd, nooit voor iedereen ongedaan kon worden gemaakt. Opnieuw een optimistische gedachte die spoort met de nieuwsgierigheid van bijvoorbeeld jonge Iraniërs en Chinezen voor wat gebeurt in de rest van de wereld, terwijl hun regeringen er alles aan doen om internet en televisie aan banden te leggen. Het betekent eveneens dat beschavingstendensen uiteindelijk elke religieuze en culturele grens overschrijden en automatisch leiden naar een universele attitude.

Maar wat dan met Auschwitz en de Goelag? Het bewijs dat techniek en wetenschap niet waardevrij zijn maar in handen van fanatici kunnen leiden tot de meest gruwelijke zaken. Mensen hebben technieken nodig, maar ook de morele kracht om ze te temperen. Vandaar het belang van universele idealen die geen staat, volk, cultuur of religie centraal stellen, maar alleen de autonome mens en zijn waardigheid. Idealen en waarden die de uniciteit van elke mens erkennen en die, overeenkomstig Kant, de mens niet als een middel maar als een doel beschouwen. Net de ontwikkeling van de rechtstaat maakt de afdwingbaarheid van dergelijke waarden mogelijk en beschermen de mens tegen dictatuur en willekeur. Daarvoor is een staat nodig en zelfs Fukuyama erkende in 2004 dat een verzwakte of afwezige staat nog erger was dan een al te sterke staat. De rechtstaat is waarschijnlijk het belangrijkste instrument van een beschaving. En tegelijk moeten we via de wetenschap onze wereld proberen beter te begrijpen en oplossingen zoeken voor problemen die zich voordoen. Zoals voor de tsoenami eind 2004. ‘Zelfs een catastrofe leert de moderne westerling hooguit wat hij nog niet kan, niet wat hij nooit zal kunnen’, ook dat is een optimistische boodschap van Heirman, want het alternatief is berusting en onderwerping zoals bepleit door sommige christelijke leiders in de Verenigde Staten die na de aanvallen van 11 september stelden dat dit een straf van God was omwille van het morele verval in hun land, net zoals ook de jezuïeten beweerden na de aardbeving in Lissabon in 1755.

Beschavingen worden, in tegenstelling tot wat Huntington beweert, zelden bedreigd door andere beschavingen. Natuurlijk waren er altijd schrijvers en denkers die de beschaving principieel afwezen zoals Marx, Nietzsche en Heidegger. En er waren ontsporingen zoals de Russische en Chinese revolutie die de auteur ‘bastaardkinderen’ van de Verlichting noemt. Maar daar vergist hij zich in. Het communisme en het nazisme streefden geen beschaving van vrije mensen na, maar net een complete duisternis waarin alleen de leiders een toorts hadden om de massa’s op het pad te zetten naar de totale morele destructie. Hun doel was niet de mens ‘op te tillen tot het goddelijke’, zoals Pico della Mirandola verhoopte, maar om hem neer te slaan tot het meest dierlijke. Communisme en nazisme zijn geen kinderen van de Verlichting omdat ze tegengesteld zijn aan de drie essentiële kenmerken ervan: de vrijheid, gelijkheid en broederlijkheid. Alleen het kritisch rationalisme komt tegemoet aan de principes van de Verlichting en die staan lijnrecht tegenover het traditionalisme, het conservatisme en het botte racisme van de twintigste-eeuwse despoten.

Heirman ziet drie periodes in de Verlichting. De tweede helft van de 18de eeuw, de Belle Epoque tijdens de tweede helft van de 19de eeuw en na de Tweede Wereldoorlog tot pakweg 1973. De omwentelingen van 1968 ziet hij reeds als een ondergraving van de welvaartstaat door de romantiek. Nu wacht hij op een vierde adem van het vooruitgangsoptimisme. Die strakke opdeling klopt niet helemaal. In tal van landen – ook in de meest afgesloten – is de geest van het individualisme en de vooruitgang definitief uit de fles. De reactionaire oprispingen ogen misschien wel spectaculair, maar wereldwijd beseffen steeds meer mensen de waarden van de beschaving. Dat de weg naar de universele liberale democratie nog niet wijd open ligt klopt, dat belet niet dat de vooruitgang onomkeerbaar is. De auteur beschrijft zelf hoe het wereldbeeld van mensen van het begin van de twintigste eeuw verschilde van dat van huidige generaties. ‘Er zijn geen afstanden meer’, zo schrijft Heirman en dat klopt ook. Net de toenemende communicatie en kennis maakt dat de gesloten geest het platteland in feite verdwijnt en plaats maakt voor de openheid en verscheidenheid van de universele stad. Een wereldstad waarin diverse culturen en religies hun plaats hebben, maar waar de beschaving boven staat, en elk individu zijn eigen idee mag vormen en gang kan gaan voorzover hij de rechten en vrijheden van anderen niet aantast.

Het overgrote deel van de voorbije oorlogen gebeurde niet tussen beschavingen, maar wel tussen staten en culturen van eenzelfde beschaving. Tegenover ‘God save the queen’ stond gedurende de oorlog ‘Gott mit uns’. Culturen willen niet méér beschaving maar net minder. De omstreden theoloog Hans Küng stelde dat geen enkele religie een andere van een gemeenschappelijk waardestelsel kan overtuigen en pleit voor een oecumenisch en interreligieus perspectief. Dat is al te optimistisch. Religies zullen net door hun dogmatische uitgangspunten moeilijk een gemeenschappelijke morele code kunnen vinden. Het enige alternatief lijkt me dan ook een ‘universele seculiere moraal’ als basis voor een soort wereldomspannende beschaving. In die zin is de visie van Huntington dat een beschaving ‘een cultuur met een hoofdletter is’ verkeerd. ‘Als beschavingen een centrale kern hebben, ligt die in de toekomst, niet in het verleden’, aldus Heirman. Daarmee spoort de auteur opvallend met Kant en zijn pleidooi voor een eeuwige vrede. Vroeger konden staten hun grenzen nog potdicht sluiten, maar dat is nu (gelukkig) onmogelijk. Dank zij onderwijs, technologie en wetenschap zijn we op weg naar een eerste echt universele beschaving, en daar kunnen we als wereldburgers alleen maar blij om zijn. ‘Er is geen beschaving zonder open grenzen in tijd en ruimte’, aldus de auteur, en hij heeft gelijk. Het toont ook aan dat diegenen die de grenzen voor vreemdelingen, andere culturen en religies willen sluiten uiteindelijk ook de doodsteek geven aan de beschaving zelf waarin we in het Westen leven.

Het boek van Heirman vormt niet alleen waarschuwing voor allerlei vormen van culturele en religieuze onverdraagzaamheid, maar wijst ook de enige weg om een vreedzaam samenleven tussen mensen met diverse overtuigingen mogelijk te maken. We hebben meer nood aan beschaving en minder aan reactionaire en conservatieve ideeën van vermeende ‘eigenheid’, ‘zuiverheid’ en ‘volksverbondenheid’. Pas als we dit conservatisme kunnen doorbreken, is er hoop op een ‘eeuwige vrede’ zoals ooit nagestreefd door de vader van de Verlichting: Kant.


Recensie door Dirk Verhofstadt

Mark Heirman, Beschavingen botsen niet, Houtekiet, 2006

Links
mailto:verhofstadt.dirk@pandora.be
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be