Tot vijfentwintig jaar geleden hadden Westerse politici, historici en filosofen weinig of geen belangstelling voor de islamitische wereld. Conflicten in de Arabische wereld bleven tot dan min of meer beperkt tot natiestaten in hun strijd voor onafhankelijkheid tegenover de vroegere kolonisatoren. Op een kwart eeuw tijd is dat volkomen veranderd. Eerst was er de Iraanse revolutie in 1979, daarna de inval van de Sovjets in Afghanistan, de Iraaks-Iraanse oorlog, de eerste Golfoorlog na de Iraakse inval in Koeweit, de toenemende spanningen tussen Israël en de Palestijnen, de terreuraanslagen van 9/11 in de Verenigde Staten, de verdrijving van de Taliban uit Afghanistan, de oorlog tegen Irak, de aanslag in Madrid, de bloedige gijzeling door Tsjetsjeense terroristen in Beslan en dichter bij ons de moord op de Nederlandse cineast Theo Van Gogh. De islam en het terrorisme staan de laatste jaren volop in de belangstelling en over geen enkel thema wordt tegenwoordig zoveel gepubliceerd. Het onderwerp is evenwel bijzonder complex en heel wat publicisten slagen er niet in de klassieke clichés te overstijgen. Over de geschiedenis van de islam verscheen Oosterse dagen, Arabische nachten van Vlaamse filosoof Mark Heirman die daarvoor al indrukwekkende boeken schreef over ondermeer de geschiedenis van het jodendom, Europa en Amerika. In zijn laatste werk peilt Heirman naar de bewogen verhouding tussen religie en politiek in de Arabische en islamwereld, van de profeet Mohammed in de zevende eeuw tot Osama Bin Laden.

De islam is ‘als een onzichtbare berg die sinds veertienhonderd jaar niet meer beweegt’, aldus Oriana Fallaci in haar polemisch essay De woede en de trots. En ook de Britse conservatief Roger Scruton heeft het over de islam als ‘van oudsher’ onverenigbaar met de westerse beschaving. Niets is minder waar. Van de zevende tot de twaalfde eeuw was de Arabische wereld een toonbeeld van beschaving. Bagdad groeide uit tot het rijkste handelscentrum in West-Azië en Cordoba bloeide op als centrum van wetenschap en filosofie (met Europa’s eerste universiteit). In diezelfde periode telde Rome nog amper 50.000 zielen, Athene verviel tot een dorp en Mark Heirman wijst erop dat het christelijke Europa in die periode vervallen was ‘tot een graad van barbarij die alleen nog door geweld werd overstemd’. Heel wat historici zien de scheiding van kerk en staat als het fundamentele verschil tussen de joods-christelijke traditie en de islam, maar de auteur wijst terecht op het feit dat die scheiding er in het Westen maar kwam in de 18de eeuw en door de Kerk pas werd aanvaard in 1945 terwijl er in de islam nooit een theocratie is geweest, althans niet tot in de twintigste eeuw.

Mark Heirman schetst verder de ondergang van de Arabische beschaving door de kruistochten die twee eeuwen duurden en door hem omschreven worden als een soort ‘middeleeuwse wereldoorlog’ waarvan niet alleen de moslims maar ook joden, ketters en ongelovigen het slachtoffer werden. Opvallend is dat de joden in die periode - maar ook nadien - liever onder islamitisch dan onder christelijk bestuur leefden, en dat kan qua beschavingsgraad tellen gezien het lot van de joden in de loop van de geschiedenis. Tegelijk kreeg de islam af te rekenen met de Mongolen die Bagdad en zowat alle islamitische centra van Anatolië en Syrië tot het huidige Oezbekistan en de Indusvallei vernietigden. Het is dan ook verwonderlijk dat ondanks alles de islam overeind bleef, de kruisvaarders kon verdrijven en de Mongolen bekeren. Het wijst alvast op de grote veerkracht en vitaliteit van de islam, kenmerken die men in het hedendaagse zwart-wit discours nauwelijks nog hoort. De auteur vermeldt ook de (te) weinig gekende Arabische renaissance die plaatsvond in de 19de eeuw op het vlak van de handel en wetenschap. Daarna ging het weer bergaf maar dan vooral door de kolonisatiegolf waarbij Europa haar nieuwe idealen van vrijheid, gelijkheid en broederschap vergat toe te passen op de landen die ze met geweld onderwierp.

Wat volgde was de opkomst van een Arabisch, Turks en Iraans nationalisme, vaak gebaseerd op historische en pre-islamitische grondslagen. Mark Heirman bespreekt de opkomst van het Arabische nationaal-socialisme dat in Syrië en Irak gestalte kreeg in de Baath-partij, de seculiere revolutie van Atatürk in Turkije en de Iraans-nationale revolutie van Reza Sjah. Daarop volgde het meest seculiere tijdperk in de geschiedenis van de islam van 1945 tot 1979. Het is vandaag nauwelijks te geloven maar tot vijfentwintig jaar geleden leek de islam politiek gesproken uitgeteld. Bijna overal heersten moderne, doorgaans linkse partijen. De kentering begon rond 1975 waarover de Franse arabist Kepel stelt dat er een nieuw religieus vertoog ontstond met als doel niet ‘het moderniseren van de islam’ maar het ‘islamiseren van de moderne tijd’. Het echte keerpunt kwam er in 1979 met de Iraanse revolutie onder ayatollah Khomeini. Maar Heirman wijst ook op drie andere voorvallen in die periode: de machtsgreep in 1977 door radicale moslims in Pakistan, de doorbraak van de radicaal-orthodoxe Likoedpartij in Israël en de moord op de Egyptische president Sadat in 1981. Overal rukte het religieus extremisme op en kreeg het ook een politieke voet aan de grond

Over de ware oorzaken van die fundamentele kentering zijn historici het nog niet eens. Er wordt gewezen op de uitzichtloosheid voor de miljoenen werkloze jongeren, zoals beschreven door de Algerijnse auteur Yasmina Khadra. Anderen wijzen op de morele ineenstorting ingevolge het verlies van de zesdaagse oorlog van de Arabische landen tegen Israël zoals verwoordt door de Egyptische schrijfster Nahed Selim. Nog anderen wijzen op het politieke falen van de socialistische staten die na het wegvallen van de steun door de Sovjets geen steun meer hadden bij de eigen bevolking. Waarschijnlijk is het een mix van deze elementen, gekoppeld aan een enorme demografische groei, die zorgde voor een doorbraak van het islamitisch integrisme dat zich keerde tegen het modernisme. ‘Islam is the solution’, zo verscheen het op tal van muren in moslimlanden. Het zorgde voor onrust in het Westen, vooral omwille van de grote economische belangen in de Arabische wereld. Heirman haalt het voorbeeld van Saoudi-Arabië aan waar de Amerikanen er alles aan deden om het koningshuis terwille te zijn voor zover het een ‘bevoorrechte positie’ behield tot de Saoudische olie. Het zorgde voor onrust die we tot vandaag voelen. Enerzijds ontvangen de Saoudische machthebbers graag de westerse bewapening maar anderzijds moeten ze ook om gaan met de antiwesterse gevoelens bij de bevolking. In elk geval steunen ze met veel geld de vaak radicale verenigingen en moskeeën overal in de wereld en voeden daarmee het extremisme.

De fundamentalisten streven naar ‘de opbouw van de individuele moslim, de opbouw van het moslimgezin, de opbouw van de moslimsamenleving, de opbouw van de moslimstaat, de opbouw van het kalifaat en de islamitische wereldheerschappij’. Dit lijkt wel de kern van het vernieuwde bewustzijn van de radicale islam. Tot 1979 waren de ambities voor verandering nog beperkt tot de grenzen van de natiestaat, sindsdien reiken de islamitische ambities verder en overstijgen elke vorm van staat of nationaliteit. Hun afkeer voor de Westerse decadentie en moderniteit drijft hen naar een radicale terugkeer naar de bronnen van de islam met een – net zoals de christenen vroeger – universele ambitie. Daarbij wordt nu ook geweld gebruikt in de vorm van terrorisme. Heirman wijst naar de fundamentalistische Moslimbroederschap in Egypte, de Jamaat i-Islami in Pakistan, de Taliban in Afghanistan en hun gebruik van terrorisme om ‘de heerschappij van God’ te vestigen. Groepen als de Palestijnse Hamas en Hezbollah gebruiken de techniek van de zelfmoordaanslagen als ‘de meest verheven vorm van martelaarschap’. Nochtans vindt de zelfdoding en het doden van zoveel mogelijk anderen geen enkele grond in de koran, aldus de auteur, het staat haaks op alle islamitische waarden.

Heirman merkt ook scherp op dat de implosie van de Sovjet-Unie grotere gevolgen had voor de islamwereld dan voor Oost-Europa. We hebben het steeds over Irak, Iran en Pakistan, maar intussen zijn ook nieuwe onafhankelijke staten als Azerbeidzjan, Kazachstan, Turkmenistan, Oezbekistan, Tadjikistan en Kirgizstan die naar hun islamitische wortels terugkeren na zoveel jaren communisme. Tot wat dat kan leiden, blijkt alvast in Tsjetsjenië waar al meer dan 150.000 doden gevallen zijn. Hoe groot de haat tegen het heidense en decadente Amerika (en Rusland) kan zijn blijkt uit het zelfvertrouwen van mensen als Osama Bin Laden die eind jaren negentig een fatwa uitsprak ‘tegen joden en kruisvaarders’ met de alom gekende aanslagen die daarop volgden. De auteur ontkracht de stelling van Rik Coolsaet als zou al-Qaeda niet langer bestaan. Volgens Mark Heirman heeft al-Qaeda als een centraal bestuurde en hiërarchisch gestructureerde organisatie nooit echt bestaan. Maar dat is juist een bijzonder verontrustende gedachte, want in plaats van een goed gestructureerde organisatie blijken er juist tal van groepen en mensen te bestaan die min of meer improviserend hun strijd tegen het Westen (en Rusland) voeren met alle mogelijke middelen.

De auteur eindigt met de uitdagende stelling dat een hervorming van de islam niet zal volstaan om het lont uit het kruitvat te halen. De islam kan zich enkel handhaven door zichzelf te herstichten, schrijft hij. Net zoals de joden na meer dat 18 eeuwen zichzelf hersticht hebben in 1948 met de oprichting van Israël. Een dergelijke herstichting is evenwel problematisch omdat de fundamentalisten wel weten waar ze tegen zijn en willen vernietigen, maar niet goed weten waar ze dan wel naartoe moeten. Misschien willen ze wel terug naar een wereld die nooit heeft bestaan maar door diverse ayatollahs wordt geïnterpreteerd op basis van de aloude teksten. De islam kent, in tegenstelling tot het christendom, geen formele religieuze hiërarchie, geen priesters, bisschoppen of een paus. Die slaagden erin om de christelijke conformering aan de wereldlijke macht te begeleiden en te legitimeren bij hun gelovigen. Het gebrek aan dergelijke religieuze leiders dreigt ertoe dat binnen de islam steeds nieuwe, radicalere groepen zullen opstaan die in naam van ‘de waarheid’ hun strijd zullen voortzetten.

In één zaak is de auteur alvast geslaagd. Hij doorbreekt het vaak oppervlakkige en ongenuanceerde westerse denken over de islam. Landen als Frankrijk, Groot-Brittannië en de VS hebben de islamitische landen lange tijd misbruikt voor hun eigen belangen. Tekenend was de oorspronkelijke steun van de VS aan de sjah van Iran, nadien aan Saddam Hoessein in zijn oorlog tegen Iran en tenslotte aan de oppositiegroepen tegen diezelfde Hoessein. Ook de westerse hulp aan de leiders van Pakistan en Saoudi-Arabië blijft dubbelzinnig, maar kan alleen de antiwesterse gevoelens in die landen aanmoedigen. Sommige arabisten voorspelden enkele jaren geleden dat het islamitisch fundamentalisme het hoogtepunt voorbij was en dat de aanslagen van 9/11 een wanhoopsdaad was. Tussen de lijnen geeft Heirman aan dat de oorlog tegen Irak het fundamentalisme wel eens nieuw bloed zou kunnen geven waarbij men de ‘bevrijders’ eerder ziet als ‘bezetters’. In die zin zou men de beslissing van Bush om Irak binnen te vallen moeten omschrijven als een ‘historische blunder’ met nog onvoorziene kwalijke gevolgen voor de rest van de wereld.


Recensie door Dirk Verhofstadt

Mark Heirman, Oosterse dagen, Arabische nachten, Houtekiet, 2005, 240 blz.

Links
mailto:verhofstadt.dirk@pandora.be
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be