Na de Tweede Wereldoorlog zat het liberalisme in de verdrukking door het Keynesiaanse gedachtegoed. De overheersing van de socialistische denkbeelden, het geloof in de almacht van de staat en de mateloze overheidsinmenging op alle terreinen van de samenleving wurgde langzaam maar zeker het vrij initiatief en de vrijheid van het individu in het algemeen. De socialistische verzorgingsstaat kwam in de loop van de jaren zeventig echter steeds meer onder druk te staan. Inefficiëntie, bureaucratisering en overreglementering hebben toen geleid tot economische malaise, een haperend overheidsapparaat en torenhoge schulden. In de loop van de jaren ’70 werden de ideeën van nieuwe liberale denkers en economen als Ludwig von Mises, Milton Friedman en Friedrich Hayek internationaal ontdekt en toegepast. Het bleek de start van een absoluut geloof in de vrije markt als beste middel om welvaart te creëren en kreeg al snel de benaming ‘neoliberalisme’. De invloed van deze beweging is tot op vandaag voelbaar in tal van denktanks, financiële instellingen en internationale organisaties zoals het IMF, de Wereldbank en de Wereld Handels Organisatie. Over deze al bij al jonge beweging – ze is nauwelijks dertig jaar oud – schreef David Harvey, professor aan de Universiteit van New York en auteur van talrijke teksten over globalisering en politieke economie, het boek A brief history of neoliberalism uitgegeven bij de Oxford University Press.

Op de voorkaft van het boek staan foto’s van vier prominente politici die tijdens de jaren zeventig en tachtig in hun beleid gebruik maakten van neoliberale recepten. Het zijn Deng Xiaoping, Margareth Tatcher, Ronald Reagan en Augusto Pinochet. De Chinese leider zette in 1978 de eerste schuchtere stappen van een communistisch geplande economie naar private initiatieven gebaseerd op economische vrijhandel. De Britse eerste minister ging na haar verkiezing in mei 1979 onder haar roepnaam Iron Lady het gevecht aan met de machtige Britse vakbonden op weg naar privatisering en liberalisering van diverse economische sectoren. De nieuwe Amerikaanse president werd verkozen in 1980 met een ambitieus programma van deregulering en vrije marktwerking. Maar het eerste experiment met de toepassing van neoliberale recepten gebeurde al jaren voordien door Augusto Pinochet na zijn bloedige militaire coup in Chili, op 11 september 1973. Daarbij baseerde hij zich op de monetaire ideeën van de Amerikaanse econoom Milton Friedman die in 1976 de Nobelprijs voor Economie won. Opvallend is dat de vier personen op de voorkaft er op politiek democratisch vlak totaal andere standpunten op nahielden. Het toont volgens David Harvey aan dat het neoliberalisme geen alomvattende ideologie is, maar zich uitsluitend concentreert op het economische vlak.

Een van de meest invloedrijke denkers van de neoliberale beweging was zonder twijfel Friedrich Hayek, de winnaar van de Nobelprijs voor Economie in 1974. Zijn centrale standpunt was dat economische activiteiten niet effectief gepland en gecoördineerd kunnen worden door een centraal bureau. Het socialisme mislukt onvermijdelijk door de onmogelijkheid van zelfs de grootste computers om effectief gegevens over voorkeuren, mogelijkheden en omstandigheden van individuen en groepen te verzamelen en te analyseren. Alleen een systeem van gedecentraliseerde besluitvorming en op ruil gebaseerde samenwerking - ‘de onzichtbare hand’ - is geschikt voor een moderne complexe economie. Het veronderstelt tevens dat elkeen in staat is tot productieve arbeid en dat werkloosheid een vorm zelf gekozen luiheid is. Maak de markten vrij en laat mensen zelf instaan voor hun sociale bescherming. Heel wat neoliberale politici en denkers zijn op die manier in het vaarwater terecht gekomen van het ‘libertarisme’ dat zich verzet tegen elke vorm van overheidsingrepen in de vrije markt. Zo verzetten zij zich tegen elke wet of regel die de individuele vrijheid van de mens en zijn eigendom aantast. Stemplicht beschouwen ze als een vorm van ongehoorde dwang, sociale zekerheid als een uitnodiging tot profitariaat, en belastingen als diefstal. Ze opteren voor een minimale staat die nog enkel instaat voor de bescherming van eigendommen en optreedt tegen geweldplegingen.

David Harvey wijst erop dat heel wat neoliberalen en libertariërs in die zin ook afkerig staan van de democratie. Ze hebben meer vertrouwen in politieke en financiële elites. De door libertariërs zo geprezen Murray Rothbard demonstreerde in zijn boek Government and the Economy wantrouwen in de democratie omdat hij die als een statisch gegeven beschouwde. Hij wordt daar tegenwoordig in gevolgd door libertarische denkers als Anthony de Jasay die in zijn boek The State het principe van de scheiding der machten in vraag stelt, en Hans-Hermann Hoppe die in zijn boek Democracy: The God that failed de democratie afwijst omdat ze weinig bekwame mensen aan het bewind brengt en zorgt voor grotere staatsinvloed. Hij verkiest dan ook een monarchie omdat een koning het land zal beschouwen als zijn eigendom en er dan ook beter zal voor zorgen. De Franse filosoof Claude Lefort weerlegt de stelling van Rothbard dat de democratie statisch is. In zijn boek Het democratisch tekort legt hij terecht grote nadruk op de democratie als een geïnstitutionaliseerde en onophefbare onenigheid. Hiermee spoort hij met de Popperiaanse gedachte die stelt dat macht nooit definitief kan zijn en dat slecht regeren steeds kan worden bijgestuurd en afgestraft. Richard Nixon heeft dit trouwens aan den lijve ondervonden.

Dat neoliberalen ver af staan van het liberalisme demonstreert David Harvey met de actuele politiek van president Bush. Die pleit voor de vrije markt en de vrijhandel maar steunt tegelijk protectionistische maatregelen zoals staalheffingen en subsidies voor landbouw en textiel. Om de eigen markt af te schermen legt hij barrières op aan vreemde invoerders. Hij laat monopolies en oligopolies toe die de markt ontwrichten en de consument overleveren aan prijsafspraken en een gebrek aan keuzemogelijkheden. De notie vrijheid wordt aldus verengd tot een louter economisch gegeven. George W. Bush beloofde – zoals Reagan in de jaren tachtig – de overheidsuitgaven te zullen verminderen, maar in de praktijk gebeurt net het tegenovergestelde. Op militair vlak voert hij een vorm van ‘military Keynesianism’, een reusachtige toename van de defensieuitgaven waardoor het overheidsdeficiet toeneemt. Om dit te compenseren snijdt hij fors in investeringen in het onderwijs, in de sociale bescherming en in noodzakelijke infrastructuur. Dit kwam in september nog aan het licht met de desastreuze gevolgen van de orkaan Katrina, waaruit bleek dat de overheid fors had gesnoeid in de noodzakelijke investeringsbudgetten voor de versterking van de dijken rond de stad New Orleans. Ook in China leidde de neoliberale revolutie niet tot vrijheid en democratie. De levensstandaard voor heel wat mensen steeg inderdaad, maar tegelijk werden politieke hervormingen gecounterd, met als dramatisch hoogtepunt de bloedige onderdrukking van de studentenopstand in 1989 op het Tienanmenplein waarbij tal van slachtoffers vielen. De enorme opmars van China als economische macht doet vergeten dat nog steeds miljoenen mensen er in armoede en onvrijheid leven. De lonen blijven er extreem laag, de bescherming van de arbeiders is er onbestaande en van politiek liberalisme is er nog steeds geen sprake.

De auteur kijkt vervolgens naar Rusland en de impact van het neoliberalisme op de lokale economie. Opnieuw gaat het over zaken als monopolievorming, corruptie en een mentaliteit die haaks staat op het liberale gedachtegoed. Maar de auteur gaat vooral tekeer tegen de door de VS opgelegde idee van democratie in landen als Irak. David Harvey grijpt terug naar het uitgangspunt van president Roosevelt die stelde dat de eerste opdracht van de staat gericht is op de uitschakeling van honger en armoede onder de eigen bevolking en het verzekeren van de veiligheid van de eigen burgers. Hij verwijst naar actuele liberale denkers zoals Amartya Sen en zijn boek Vrijheid is vooruitgang waarin hij het heeft over de plicht van de overheid om mensen in staat te stellen hun vrijheid daadwerkelijk te kunnen beleven. Het is een politiek die de regering Bush momenteel niet voert. De neoliberale economische politiek - op ethisch en maatschappelijk vlak gekoppeld aan een neoconservatief beleid - leidt tot een groeiende kloof tussen de ‘haves’ en de ‘have nots’. Wat de auteur het meest stoort is dat de VS haar neoliberale en neoconservatieve waarden als superieur beschouwt en wil opleggen aan anderen. De advocaten van het neoliberalisme gedragen zich als hogepriesters die hun ideologie beschouwen als een seculiere religie met het marktfundamentalisme als het centrale geloofspunt dat geen toetsing verdraagt.

De tijd dat men het einde van de geschiedenis aankondigde is voorbij. Het valt op dat neoliberalen en libertariërs niet verder komen dan hun ‘klassiekers’ als Von Mises, Hayek, Rothbard en Friedman, alsof de wereld en het vrije marktdenken toen stopte. Tal van burgers hebben in de praktijk vastgesteld en ondervonden welke schade een te ver doorgedreven privatisering, de afbraak van het sociaal zekerheidsstelsel en de ontmanteling van noodzakelijke functies van de staat heeft toegebracht. Er vaart een nieuwe wind doorheen het liberale denken, minder dogmatisch en minder zelfverzekerd. In de traditie van Karl Popper dat we onze hypotheses voortdurend genadeloos aan kritiek moeten onderwerpen omdat dé waarheid niet bestaat. Hedendaagse liberale denkers als Amartya Sen, Hernando de Soto, Fernando Savater en Martha Nussbaum geven aan dat de overheid belangrijk is om te zorgen voor minimale voorzieningen of ‘fundamental opportunities’ die de mens in staat moeten stellen zelf keuzes te maken en inhoud te geven aan zijn of haar levensplan. Ze pleiten voor een goed onderwijs, degelijke sociale voorzieningen, een efficiënt juridisch systeem naast sterke mechanismen om de vrije mededinging te vrijwaren.

Het neoliberalisme is een aberratie van het liberalisme. Liberalen hebben steeds gepleit voor een combinatie van vrijheid en rechtvaardigheid. De ‘onzichtbare hand’ mag immers niet verglijden tot een ‘duistere klauw’, maar moet ervoor zorgen dat mensen steeds de kans krijgen om hun talenten te maximaliseren. De vrijheid is voor liberalen veel meer dan economische vrijheid. Het gaat niet alleen om de bescherming van eigendommen, maar ook om de bescherming van de menselijke waardigheid van individuen. Het gaat om democratie en het wegnemen van hindernissen die de mens belemmeren om vrij te zijn. Het gaat ook om rechtvaardigheid teneinde het welzijn van de minst begunstigden te bevorderen. En dat kan alleen als een overheid het nodige doet om mensen in staat te stellen hun eigen levensplan in te vullen. Het liberalisme behoeft geen adjectief als neo, radicaal, sociaal, links of rechts. Elk adjectief verzwakt immers de essentie van de liberale ideologie die met haar sociale en humane waarden zo sterk aanleunt bij de menselijke natuur.


Recensie door Dirk Verhofstadt

David Harvey, A brief history of neoliberalism, Oxford University Press, 2005

Links
mailto:verhofstadt.dirk@pandora.be
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be