The End of Faith

boek vrijdag 27 januari 2006

Sam Harris

Religie in de 21ste eeuw

‘Religion is one of the most evasive and enduring characteristics of human culture.’(Kurtz). Het is daarom niet verbazingwekkend dat het aantal religieuze boeken en boeken over religie enorm groot is. Het aantal boeken dat kritisch is over religie is echter veruit in de minderheid vergeleken met apologieën en aanbevelingen. Loop maar een willekeurige boekhandel binnen en bekijk de hoeveelheid boeken in de sectie religie/New Age. Zoek vervolgens een kritisch boek over religie, zoals een inleiding in atheïsme. Als de boekhandel er al een heeft, dan is duidelijk dat de religieuze boeken het winnen in aantal. Dat is dan ook gelijk het enige domein waarop religie wint, als het om argumentatie gaat niet. Hoe onbegrijpelijk en anachronistisch het ook is, religie is een fenomeen dat ook in de 21ste eeuw prominent aanwezig is, ook in de gemoderniseerde, wetenschappelijke naties. The End of Faith van Sam Harris is een erudiet en vurig pleidooi om – tegen beter weten in – van religie af te komen, en om de emotionele (Harris noemt het ‘spirituele’) niche die religie bezet houdt op te vullen met alternatieven die binnen het domein van de rede vallen.

De bundel essays Science and Religion: Are they Compatible? door Paul Kurtz is gebaseerd op een congres in 1999 dat tegenwicht probeerde te bieden tegen al de pogingen die (met name in de VS) ondernomen worden en waarvoor veel geld beschikbaar is, om aan te tonen dat religie en wetenschap compatibel zijn. Quod non. De bundel bestaat voornamelijk, maar niet geheel, uit tegenstanders van enige vorm van compatibiliteit en biedt een overzicht van moderne pogingen om aan te tonen dat er een (christelijke) god moet zijn, zoals de Intelligent Design hypothese, het ‘fine tuning’ argument, het antropische principe, enzovoort. Een voor een worden deze argumenten omver gekegeld. Naast het weerleggen van deze nieuwe ‘godsbewijzen’ biedt de bundel, met name bij monde van redacteur en filosoof Paul Kurtz een breder kader van wetenschappelijke methodologie en naturalisme.

Morele verontwaardiging

In het nawoord van mei 2005 van de paperback editie van Harris pleidooi voor de rede beantwoordt hij enkele veelvoorkomende vragen die zijn boek in de media heeft opgeworpen. Ook het punt wat ik had voorgenomen te maken, is een vraag die hij zelf beantwoordt. Het gaat over het laatste hoofdstuk Experiments in Consciousness waarin hij een lans breekt voor rationele mystiek. Volgens Harris blijft hij binnen het domein van de rede, maar dat valt te bezien. Zijn boek is een vlammend betoog tegen onredelijkheid (unreason) en tegen geloof (faith). Harris is een verlichtingsfundamentalist – zo poneer ik de term als geuzennaam. Sinds 11 september 2001 zijn er talloze boeken verschenen over religie en terreur, zoals The West and the Rest. Globalization and the Terrorist Threat (2002) van Roger Scruton en 9-11 (2001) van Noam Chomsky. The End of Faith is een rijk boek. Sam Harris, die filosofie studeerde aan Standford University, is ongelofelijk erudiet en vooral interdisciplinair belezen, zoals blijkt uit het enorme aantal referenties en de zeer uitgebreide bibliografie. 9/11 is voor hem de aanleiding om zijn visie op religie en ethiek uiteen te zetten. Hij begon te schrijven op 12 september, in het bestookte New York. Het boek is zowel cultuurkritiek, religiefilosofie, ethiek, comparatieve filosofie als cognitie wetenschap. Het is adembenemend hoeveel interessante dwarsverbanden en details uit allerlei vakgebieden Harris weet op te dissen. Het is niet gelijk duidelijk wat de pointe van het boek is. Harris begint zijn boek met een beschrijving van een zelfmoordaanslag van een man die zich in een volle bus opblaast. Dat zet de toon van het boek: morele verontwaardiging.

Harris wil begrijpen hoe het komt dat mensen tot terroristische aanslagen in staat zijn. Het antwoord is: doordat deze mensen een bepaald geloof hebben dat hen daartoe aanzet. Harris inzet is de moraal. Geloof, dat wil zeggen het voor waar aannemen van stellingen waarvoor geen of onvoldoende bewijs is, is volgens hem een enorm obstakel voor het goede leven. Het boek is een afrekening met vele vormen van zogenaamde politieke correctheid waarin discussies over religie altijd met fluwelen handschoenen worden gevoerd. Harris is zo ongeveer de tegenpool van Karen Armstrong, de ex-non die boek na boek over religie na religie schrijft, die van mening is dat religie in wezen goed is, en dat allerlei invloeden van buitenaf religie corrumperen. Hoewel Harris wel een boek van Armstrong noemt (A History of God), bediscussieert hij haar niet direct. Harris daarentegen meent dat religie tegengesteld is aan het moreel goede en voor zover religie wel het goede bevordert dit komt door seculiere invloeden. Hij richt zich ook expliciet tegen liberale gelovigen die een cordon sanitair leggen rondom religie, zodat religie geïmmuniseerd wordt voor kritiek. ‘Religious moderates are, in large part, responsible for the religious conflict in our world, because their beliefs provide the context in which scriptural literalism and religious violence can never be adequately opposed’, zo schrijft hij.

Harris pleit in zijn boek voor de mogelijkheid om problemen op te lossen door rationaliteit en redelijkheid, zowel op het gebied van hoe de wereld in elkaar zit, als hoe mensen met elkaar zouden moeten omgaan. Volgens hem zijn er twee mythen die populair zijn in het moderne discours, namelijk: (1) most of us belief that there are good things that people get from religious faith (…) that cannot be found elsewhere; (2) many of us also believe that the terrible things that are sometimes done in the name of religion are the product not of faith per se but of our baser natures (…) for which religious beliefs are themselves the best (or even the only) remedy.’ De tweede stelling is zodoende gericht tegen auteurs als Armstrong en, voor de duidelijkheid, ook van toepassing op de valse profeten van de tolerantie die ook in de Nederlandse media aan het woord zijn. Beide mythen zijn hardnekkig. Het ligt dan ook niet in de verwachting dat een boek, zelfs al staat het boordevol goede argumenten, gelovigen zou kunnen overtuigen.

De vraag werpt zich dan op wie dan de doelgroep is van dit boek? Algemener gesteld: wat is de doelgroep van boeken die kritiek leveren op religie en ideologieën? Ik denk dat de doelgroep een bescheiden groep mensen is die zelf al schreden op het pad der rede gezet hebben en die open zijn voor kritische argumenten. Dus, hoewel het boek van Harris in de VS een bestseller is, heb ik niet de illusie dat het boek voor veel mensen ‘the end of faith’ is. In mijn eigen ontwikkeling van katholiek, naar heiden, naar agnost, naar atheïst, zijn er ook boeken die mij op weg geholpen hebben. Een van de boeken die mij een flink stuk verder geholpen heeft is The Transcendental Temptation van de filosoof en humanist Paul Kurtz.

Voor Sam Harris is The End of Faith zijn afrekening met religie. Op alle mogelijke fronten bekritiseert hij religie en verwerpt hij het als onwaar, gevaarlijk en achterlijk. Zo schrijft hij over de Islam: ‘Anyone who says that the doctrines of Islam have “nothing to do with terrorism” […] is just playing a game with words.’. Harris pleidooi is gericht tegen alle vormen van geloof, maar omdat het hem niet gaat om antropologische curiositeit over de meeste vreemde vormen van geloof, maar om ethiek, zijn niet alle religies even relevant. De Islam is een groter gevaar voor liberale democratieën dan bijvoorbeeld het Janaïsme. Er is een probleem met de Islam: ‘A future in which Islam and the West do not stand on the brink of mutual annihilation is a future in which most Muslims have learned to ignore most of their canon, just as most Christians have learned to do.’ Maar de essentie van de islam is nu juist dat de Koran letterlijk het woord van god is. Dat is een opvatting die niet alleen fanatici, maar van de meerderheid van de gelovigen. Moslims zijn dus per definitie fundamentalisten. Harris heeft de moeite genomen door (de engelse vertaling van) de Koran te spitten en somt zes pagina’s citaten op met de grofste hatelijkheden tegen vrouwen, homo’s en ongelovigen. Ook de bijbel en met name het Oude Testament staat vol met bedreigingen en aansporingen tot moord, maar de traditie van ‘kijk maar, er staat niet wat er staat’ heeft in het christendom een vooraanstaande positie verworven.

Onder veel moslims heerst de opvatting dat in het westen moslims worden vernederd, een opvatting die door veel westerse intellectuelen wordt overgenomen. Toch moet er een extra aansporing zitten in de islam zelf die maakt dat mensen in liberale democratieën komen tot geweld. ‘Without faith, most Muslim grievances against the West would be impossible even to formulate, much less avenge’, aldus de auteur. In Science and Reason zet Taner Edis in het essay A World Designed by God: Science and Creationism in Contemporary Islam uiteen dat het conflict tussen wetenschap en religie veel heftiger en dieper is in de islamitische wereld dan in het Westen. Met name het argument van ontwerp, dat de complexe structuur van de wereld het werk is van een ontwerper, namelijk de Allah van het Koran is wijdverspreid in de islamitische wereld. Ook in Nederland zijn er strubbelingen tussen islam en wetenschap, zoals onderwijs in de evolutietheorie en de Holocaust op problemen kan stuiten. Het ziet er naar uit dat de komende jaren de botsing van ideologieën, met name tussen democratisch liberalisme en islam, alleen maar zal toenemen. Helaas helpt het stellen van de diagnose niet of nauwelijks bij het oplossen van het probleem.

Rechtvaardiging van martelen

The End of Faith is breder dan een kritiek van religie. Harris kijkt met een frisse, originele blik naar een aantal politieke problemen van het moment. Een daarvan is zijn analyse van martelen. Zijn argumentatie, die ik zo langs zal lopen, maakte dat ik een verontrustende omslag heb gemaakt, namelijk weg van een categorische afwijzing van martelen! Hoe kan een humanist, zoals Harris, voor martelpraktijken zijn? Wordt hiermee niet de hele ideologie van het humanisme, dat ook respect voor mensenrechten inhoudt, onderuit gehaald? Harris heeft zelfs twee argumenten voor martelen. Het eerste vanuit utilistisch perspectief. Stel, voor jou in de verhoorkamer zit een terrorist die een bom heeft verstopt ergens op een plaats waar veel mensen zijn. De bom gaat over een paar uur af. De terrorist wil niet praten. Wat doe je? Houd je je aan het categorische verbod tegen martelen of geef je prioriteit aan de belangen van vele onschuldige mensen die gedood of verminkt zullen worden? Als het perspectief abstract overkomt, kun je je ook voorstellen dat het gaat om je eigen kinderen die gevaar lopen. Harris concludeert: ‘Clearly, the consequences of one man’s uncooperativeness can be made so grave, and his malevolence and culpability so transparent, as to stir even the most self-hating moral relativist from his dogmatic slumbers.’

Een van de argumenten tegen martelen is dat kans dat de gemartelde onschuldig is. Maar dit lijkt in tegenspraak met de bereidheid om oorlog te voeren: ‘What, after all, is “collateral damage” but the inadvertent torture of innocent men, women, and children?’ Harris vervolgt met het blootleggen van een incoherente in onze (?) morele intuïties: ‘It is curious that while the torture of Osama bin Laden himself could be expected to provoke convulsions of conscience among our leaders, the unintended (though perfectly foreseeable, and therefore accepted) slaughter of children does not.’ Wat je zou willen is een wereld zonder oorlog en zonder martelen. Maar als een regering (of de VN?) besluit tot militaire interventie, dan is het struisvogelpolitiek om martelpraktijken te verbieden. Het is verhelderend om hierover Harris zelf aan het woord te laten: ‘[..] if we are willing to drop bombs, or even risk that pistol rounds might go astray, we should be willing to torture a certain class of criminal suspects and military prisoners; if we are unwilling to torture, we should be unwilling to wage modern war.’

Harris vervolgt met een aanval op pacifisme: ‘Pacifism is ultimately nothing more than a willingness to die, and to let others die, at the pleasures of the world’s thugs.’ Gandhi, die ook door niet gelovigen vaak als held wordt gezien, was een pacifist. Reflecterend over de Holocaust meende Gandhi dat de Joden er beter aan gedaan hadden collectief zelfmoord te plegen dan om vermoord te worden. Harris diagnosticeert dit ethische dilemma bondig: ‘when your enemy has no scruples, your own scruples become another weapon in his hand.’ Dat is een probleem dat ook in de Nederlandse politiek actueel is: er is sprake van een moslimterreurdreiging, maar de overheid is gebonden aan de juridische regels om vermoedelijke terroristen op te sporen en zo kan het gebeuren dat de potentiële terrorist Samir A. weer wordt vrijgelaten. Het is een kunst om niet te vervallen tot een politiestaat en toch zoveel mogelijk te doen om terroristische aanslagen te voorkomen. Pacifisme – ook in de zin van geen AIVD activiteiten – is een suïcidale optie.

Contemplatieve psychologie

Het laatste hoofdstuk is de dissonant in een bombastische symfonie van de rede. Als ik redacteur was geweest, had ik Harris geadviseerd het laatste hoofdstuk eruit te laten en dat eventueel als zelfstandig boek uit te werken, liefst onder pseudoniem. In het laatste hoofdstuk probeert Harris hard te maken dat het bereik van menselijke emoties en ervaringen zoals dat in de westerse traditie is ontwikkeld slechts een klein deel is van het spectrum aan mogelijkheden. Dat is een spannende hypothese. Is het zo dat ervaringen dieper en intenser zijn dan wij ze nu beleven? Zijn er nog andere soorten emoties en ervaringen te ontdekken? Ligt er geluk in het verschiet in het onontgonnen gebied van mogelijkheden buiten het bereik? De vraag is goed gesteld en biedt mogelijkheden tot onderzoek, zoals bestudering van niet-westerse tradities. Maar het antwoord van Harris is vreselijk naïef, hoewel hij zich voor zijn naïviteit probeert in te dekken. Harris zoekt ‘spiritualiteit’, dat hij definieert als ‘the cultivation of happiness directly, through precise refinements of attention’. Dit is wel een heel idiosyncratische definitie omdat de term spiritualiteit doorgaans een religieuze en transcendente component heeft.

Harris had dit probleem kunnen omzeilen door alleen het begrip geluk te gebruiken en te onderzoeken of de geluksbeleving niet breder dan alleen hedonistisch (in moderne zin) gebruikt zou kunnen worden. Het lijkt alsof Harris flirt met oosterse religies. Door dat rare laatste hoofdstuk doet Harris denken aan Kant, maar die heeft zijn gespleten visie wel over verschillende boeken uitgespreid. In Kritik der reinen Vernunft weerlegt Kant de traditionele rationele godsbewijzen en zodoende haalt hij het hele bouwwerk van de rationele theologie omver. Exit religie in Kritik der reinen Vernunft. Kant als Verlichtingsdenker. Maar dan, in Kants werken over ethiek, tovert hij god weer tevoorschijn. Kant kan niet leven met de gedachte dat onrecht lang niet altijd wordt rechtgezet. Daarom moet er volgens hem wel een hiernamaals zijn waarin alles weer wordt gecompenseerd en waarin de schurken die wegkomen met hun misdaden alsnog gestraft worden en de slachtoffers alsnog genoegdoening ontvangen. De hemel is een postuum tribunaal die alles wat is blijven liggen op aarde recht zet.

Harris denkt dat religie een spirituele kern heeft die de moeite waard is. Een kern die los staat van transcendente kennisclaims, maar die toegang geeft tot een andere beleving van het zelf en diepere emoties kan losmaken. Hij noemt wat hij in religie zoekt ‘rationele mystiek’ – in mijn opinie een contradictio in terminis. Hij wil het ‘spirituele kind’ niet met het badwater weggooien. Het doet me denken aan het werk van de psycholoog Han de Witt die onderzoek doet naar de subjectieve beleving van emoties in religieuze tradities, de zogenaamde contemplatieve psychologie, zoals in de boeken Contemplatieve psychologie en De verborgen bloei. Ik denk dat dit onzin is. Mensen kunnen zeker diepe emoties hebben en ik geloof ook dat het de moeite waard is om te zoeken naar methodes om het bereik van emoties te verkennen zoals bij meditatie, kunstbeoefening en -appreciatie of misschien hallucinerende middelen, maar ik denk niet dat dat toegang verschaft tot een andere dimensie van kennis of inzicht verschaft in de structuur van de werkelijkheid. De filosoof Ton Lemaire doet in zijn prachtige boek Met open zinnen een poging tot een intense natuur- en wereldbeleving die niet religieus of spiritueel van aard is. Ik heb een aversie tegen het woord spiritualiteit omdat het niet verwijst naar iets; het is een leeg begrip dat riekt naar religie en transcendentie, maar dat geen inhoud heeft, wellicht om aan kritiek te ontsnappen.

Werdegang

Mijn Werdegang is deels dezelfde als die van Harris. De flaptekst van het boek meldt: ‘He has studied both Eastern and Western religious traditions, along with a variety of disciplines, for twenty years.’ Net als Harris heb ik een rondgang gemaakt langs Oosterse religies en tradities, omdat ik, net als hij, op zoek was naar wijsheid en met name een praxis, die onvermoede dimensies van het leven zou tonen en die zou leiden tot een intense geluksbeleving, dan wel tot innerlijke rust en vreedzaamheid. Dat achtervoegsel ‘for twenty years’ geeft in mijn ogen wel aan dat Harris bijzonder hardleers is of een zeer goed gecompartimentaliseerd hersenstelsel te hebben – iets wat hij dan zelf kan onderzoeken, want ‘he is now completing a doctorate in neuroscience, studying the neural basis for belief, disbelief, and uncertainty.’ Mijn Leidse kennismaking met religieuze en ‘wijsgerige’ tradities van India, China en Japan mondde al snel uit in een teleurstelling omdat zelfs de meest ingenieuze boeddhistische metafysica klinkklare onzin (dit wil zeggen zonder connecties met de empirie) is, behalve dan de open deur dat ‘leven lijden is’. Maar ook ik was niet zo snel uit het veld geslagen; wellicht dat het niet om theoria ging, maar om de praxis.

In Japan vouwde ik mij daarom op een zabuton en zat zo stil mogelijk tijdens de Zenmeditatiesessies in adembenemend mooie tempels in Kyoto. Een zeer kleine dosis meditatie, bij voorkeur in zo’n prachtige omgeving, een synergie van architectuur en natuur als in Kyoto, is verrijking van mijn leven, maar dat is niet wat de zenmonniken voor ogen staat. Het is verhelderend om het boek De lege spiegel (in het engels vertaald als The Empty Mirror) te lezen van Jan-Willem van de Wetering die in de jaren 60 in een Japans zenklooster verbleef. Zijn ervaringen hebben niets met geluk of innerlijke rust te maken, maar meer met een vruchtbare combinatie van masochisme en sadomasochisme, gedompeld in een bewust irrationele ideologie, een strikte hiërarchie en absurde leefregels. Ik moet toegeven dat ik het boek van Van de Wetering pas las na mijn eigen ervaringen die ik bevestigd zag.

Wellicht is Harris net zo halsstarrig als Van de Wetering die zen in zijn leven heeft geïncorporeerd. Harris zoekt naar ‘extraordinary experiences’ en denkt dat er in oosterse tradities veel ascetisch getormenteerde wijzen zijn die deze ervaringen hebben. Ik begrijp niet goed waarom je wel waardering zou hebben voor de emoties, gewaarwordingen en ervaringen van een hongerkunstenaar, of een meditatieatleet en niet voor de ongetwijfeld ‘extraordinary’ [bijna dood] ervaringen van bunji jumpen. Er lijkt sprake van een blinde liefde voor wierook en gurus. Harris zoekt geluk, maar meer dan kortstondige genotbevrediging. Hij meent ‘(…) that there is a form of well-being that supersedes all others, indeed, that transcends the vagaries of experience itself.’ Deze vorm van geluk noemt Harris ongelukkigerwijs ‘spirituality’ of ‘mysticism’. Harris is op amateuristische wijze bezig met de (neuro)psychologie van het geluk, of van de geluksbeleving.

Hij is wellicht onbekend met een andere tak van wetenschappelijke bestudering van het geluk, de gelukssociologie waarvan Ruud Veenhoven een van de pioniers is. In Conditions of Happiness analyseert Veenhoven enquêtes naar factoren die individuele geluksbeleving bepalen. Een van de belangrijkste factoren, nadat in de basisbehoeften is voorzien, is individuele vrijheid. Ik begrijp niet hoe een rationalist als Harris kan menen dat er echt diepe wijsheid zit in oosterse tradities. Een vleugje zen en yoga zijn wellicht een meerwaarde, maar een leven met alleen zen of yoga is hel, vol deprivatie van bijna alles wat het leven de moeite waard maakt. Ook zijn alle oosterse tradities verpakt in dikke lagen irrationaliteit (unreason). Wat in mijn ogen echt de moeite waard is, is de esthetische rijkdom in de Japanse cultuur. De herinnering aan de intense schoonheid van bijvoorbeeld de beroemde steentuin in Ryoanji in Kyoto doet al pijn. Ik ben het eens met Harris dat religie een functie vervuld in het menselijk bestaan: religie geeft antwoord op de menselijke hunkering naar een grootser geheel dan de banaliteit van het bestaan. Ik ben het eens met hem dat ook deze hunkering rationeel onderzocht en ingevuld zou kunnen worden, bijvoorbeeld met meditatie. Rationalisering van ‘spirituele’ emoties is een goede stap weg van religie. Harris concludeert: ‘This would be the beginning of a rational approach to our deepest personal concerns. It would also be the end of faith.’

Toegepaste wetenschapsfilosofie

Harris boek is voornamelijk een ethisch boek, Science and Religion daarentegen is wetenschapsfilosofisch georiënteerd en is epistemologisch van aard. Science and Religion kan getypeerd worden als toegepaste wetenschapsfilosofie. Veel wetenschapsfilosofen, zoals veel wetenschappers en de meeste filosofen, houden niet van deze praktische benadering, liever gaan zij debat en confrontatie uit de weg, en als het wel tot debat komt zoeken ze nogal eens naar ‘wederzijds begrip’ en ‘tolerantie’. Maar het kan echt niet. Van welke hoek je het ook bekijkt, wetenschap en godsdienst kunnen niet samen op. Wetenschappers die dat wel zeggen te kunnen hebben hun denken gecompartimentaliseerd en passen de wetenschappelijk methode slechts toe op een beperkt terrein. Een voorbeeld hiervan is het essay Nonoverlapping Magisteria van zooloog en geoloog Stephen Jay Gould. Volgens Gould zijn er verschillende domeinen (magisteria – een term ontleend aan een pauselijk encycliek) van kennis. Enerzijds is er het domein van de wetenschap, dat gaat over de beschrijving van de wereld, en anderzijds is er het domein van de ethiek en volgens Gould is dat het terrein van de religie. De haren rijzen mij hier te bergen.

Zelfs als er inderdaad twee magisteria zouden bestaan dan nog is het suïcidaal om de ethiek uit te besteden aan religie. Wetenschap en democratie zijn moeizaam bevochten tegen religieuze tegenkrachten. Vrijheid van meningsuiting, van wezenlijk belang voor wetenschapsbeoefening, zal geen lang leven beschoren zijn wanneer machthebbers hun oor te luisteren zullen leggen bij gelovigen. Het is wonderlijk, waarlijk wonderlijk, dat een vooraanstaande evolutietheoreticus, zichzelf als agnost bestempelend, zo’n gevaarlijke en onzinnige opvatting kan hebben over het belang van religie voor de moraal. Goulds pleidooi doet me denken aan Cohens flirt met Islam als integratiemiddel. Het daaropvolgende essay van de andere grote evolutietheoreticus Richard Dawkins laat geen spaan heel van Goulds argumentatie. Dawkins maakt duidelijk dat religie ook claims maakt over hoe de wereld in elkaar zit: ‘Either Jesus had a corporal father or he didn’t. This is not a question of “values” or “morals”, it is a question of sober fact. […] Religion makes existence claims, and this means scientific claims.’ Harris boek is een kleurrijke beschrijving van de invloed van de desastreuze invloed religie op de moraal.

Religie op de snijtafel in Religion and Science

‘Why are atheists so different from the overwhelming majority of humankind’, met die zin opent de psycholoog Morton Hunt zijn essay ‘The Biological Roots of Religion’ in Religion and Science. Ongelovigen zijn altijd een minderheid geweest. In veel (religieuze) samenlevingen zo niet de meeste, wordt ongeloof niet getolereerd. Enerzijds is het vreemd dat er geloof is in een tijd dat de fundering daarvan expliciet ongegrond is gebleken, anderzijds is het percentage (expliciet) ongelovigen in westerse democratieën de afgelopen zeg honderd jaar toegenomen en zijn er ook expliciet a-religieuze organisaties en verenigingen. Uniek in de moderne geschiedenis (sinds de Franse revolutie) is de staatsvorm waarin staat en religie idealiter gescheiden zijn. De bekende psycholoog Steven Pinker, van wie een passage uit zijn boek How the Mind Works is opgenomen, haalt de strijdvaardige Amerikaanse vrijdenker H.L. Mencken uit de kast, die Pinkers positie – en die van Kurtz, Harris en FB – aforistisch formuleert: ‘The most common of all follies is to believe passionately in the palpably not true.’

Voor sociale wetenschappers is religie een ander soort probleem dan voor filosofen en sceptici. Sceptici en filosofen bekommeren zich om de waarheidsclaims van religie. In Science and Religion worden heel wat van die claims ontmaskerd. Zoals in het vermakelijke essay ‘Science versus Shroud Science’ van scepticus Joe Nickell die het verhaal opdist van de geschiedenis van de lijkwade van Turijn. Toen de lijkwade in de 14e eeuw opdook werd er van katholieke zijde ontkend dat het om een authentieke relikwie ging, maar in de loop der eeuwen is dat oordeel vergeten. In de 20ste zijn er vele soorten wetenschappelijk onderzoek verricht naar de lijkwade die allen uitwijzen dat het niet om een mysterieuze afdruk van het lichaam van Christus kan gaan. Dan komt er steeds een reactie van gelovigen die met semi-wetenschappelijke argumenten aankomen. Feit is dat de vraag naar de authenticiteit van de lijkwade immuun is voor mogelijke weerlegging doordat er apriori geloof aan wordt gehecht. De ‘wetenschap’ wordt door gelovigen toegepast als bediende van het geloof: scientia ancilla theologis est. Voor sociale wetenschappers zijn er twee kernvragen over religie. In de eerste plaats: wat is de functie van religie? Dat kan benaderd worden vanuit de sociologie, de antropologie en de psychologie. En ten tweede de vraag: wat is de natuurlijke verklaring voor religie? De tamelijk oppervlakkige projectietheorie van Freud en de theorie van de socioloog Durkheim dat religie een rol speelt in de sociale cohesie (hier is de functie dus de verklaring) worden recentelijk aangevuld met varianten van evolutionaire verklaringen van religie. Het accent kan dan liggen op de biologische factoren (Morton Hunt, The Biological Roots of Religion), op de culturele evolutie (Anthony Layng, Supernatural Power and Cultural Evolution), of op de co-evolutie van genen en cultuur (Paul Kurtz, Why Do People Believe or Disbelief?). Als object van studie voor de sociale wetenschappen blijft religie een Fundgrabe. Voor filosofen en sceptici is religie een uitgemaakte zaak.

De utopie van het einde van religie

Harris is een Verlichtingsoptimist (met een rare ‘spirituele’ kronkel) die het einde van religie graag wil bespoedigen, want vanzelf gaat het niet. Paul Kurtz is de voorman van het geïnstitutionaliseerde scepticisme en seculier humanisme in de VS. Hij is een moderne philosophe. In tegenstelling tot de persoonlijke hartenkreet van Harris, zet Kurtz zijn schouders eronder en probeert hij een wereldbeeld en een levensbeschouwing te ontwikkelen en te propageren die harmoniëren met wetenschappelijke kennis en de wetenschappelijke methode (scientific naturalism). Het zal niet verbazen dat inmiddels ook Sam Harris met het Center for Inquiry in Amherst, NY gelieerd is. De bevrijding van geloof zal echter nog wel even op zich laten wachten. Helaas.


Recensie door Floris van den Berg



Floris van den Berg studeerde Japanologie in Leiden en Japan en verder filosofie in Leiden en Utrecht. Momenteel is hij werkzaam als programmamaker bij Studium Generale aan de Universiteit Utrecht. Voorts is hij bestuurslid van vrijdenkersvereniging De Vrije Gedachte. In oktober bezocht hij het World Congress ‘Toward a New Enlightenment’ van de seculier humanisten in Amherst waar hij ondermeer Harris en Kurtz ontmoette.

Sam Harris, The End of Faith. Religion, Terror, and the Future of Reason, W.W. Norton & Company, New York, 2005 (2004), with a new afterword.

Links
mailto:Floris.vandenBerg@sg.uu.nl
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be