Het christendom. Wezen, geschiedenis en toekomst

boek vrijdag 14 mei 2010

Hans Küng

Hans Küng (1928) is een van de meest gekende theologen van onze tijd. Van 1960 tot 1996 was hij hoogleraar Oecumenische Theologie aan de Universiteit van Tübingen. Tijdens het Tweede Vaticaans Concilie behoorde hij tot de progressieve fractie van bisschoppen en concilievaders, tezamen met Joseph Ratzinger. In de latere jaren zouden Küng en Ratzinger steeds verder van elkaar verwijderd raken, vooral in de jaren zeventig, wanneer Küng kritische studies begint te publiceren over de Katholieke Kerk en haar leerstellingen, bijvoorbeeld over het priesterambt, het celibaat, anticonceptie en abortus. Zijn felste kritiek levert hij op de dogma van de pauselijke onfeilbaarheid dat sinds 1870 één van de grondlagen vormt van de kerkelijke hiërarchie. Daarover publiceerde hij het ophefmakende boek Unfehlbar? Eine Anfrage (1970). Het kwam tot een conflict met de Congregatie voor de Geloofsleer en in 1980 namen de Duitse bisschoppenconferentie en het Vaticaan hem zijn kerkelijke leerstoel af. Dat weerhield Hans Küng niet om verder te publiceren en steeds meer nadruk te leggen op de interreligieuze dialoog via zijn stichting Wereldethos.

Onlangs verscheen Het Christendom. Wezen, geschiedenis en toekomst, de Nederlandse vertaling van zijn volumineuze boek Das Christentum. Die reliöse Situation der Zeit (1999) waarin Hans Küng beschrijft hoe en waarom het christendom geworden is tot wat het vandaag de dag is. Daarbij heeft hij niet alleen over het rooms-katholicisme, maar ook over haar andere varianten zoals de oosterse orthodoxie, het anglicanisme en het protestantisme. Hij refereert ook regelmatig naar de islam en het jodendom en wijst hij op de verschilpunten binnen de drie geopenbaarde godsdiensten, maar dan vanuit een oecumenische geest, dus zonder polemiek tegen andere godsdiensten. Dat Küng problemen heeft met de orthodoxe krachten binnen het Vaticaan hoeft niet te verwonderen. Zo stelt hij al vragen bij de basis van het pausdom. Petrus wordt algemeen gezien als de eerste bisschop van Rome en in die zin als de voorganger van alle latere pausen. Maar Küng wijst er krukdroog op dat in het Nieuwe testament met geen woord gerept wordt over Rome of de opvolgers van Rome. Petrus staat vermeld als ‘de rost van de kerk’, maar enig gezag van hem afleiden is niet zozeer een goddelijke stelling, dan wel een menselijke. Niet Rome maar Jeruzalem was de hoofdstad van het christendom, aldus de auteur. Ook de visie van de drie-eenheid van God, de Vader in Jezus, de Zoon en de Heilige Geest is een toevoeging aan de heilige schrift.

Cruciaal was het jaar 313. Tot die tijd werden de christenen in het Romeinse Rijk vervolgd, maar Constantijn de Grote beschermde hen. Hij garandeerde vrijheid van godsdienst waardoor christen vrij hun godsdienst konden belijden. Dat was een goede zaak voor het christendom maar betekende tegelijk het begin van de vervolging van ketterse bewegingen. Op die manier werd de vervolgde kerk een vervolgende kerk. Theodosius de Grote riep het christendom tenslotte uit tot staatsgodsdienst. Vanaf dan begonnen christenen andere christenen te doden omwille van hun afwijkende overtuiging, in het bijzonder van Joden die algemeen beschouwd werden als ‘de moordenaars van Christus’. In die periode werden ook de eerste wetten goedgekeurd die de Joden discrimineerden en vervolgden. Eens ze de steun kregen van de overheid begonnen de pausen hun macht steeds sterker uit te bouwen. Ze wilden hun positie als ‘eerste onder hun gelijken’ versterken waarbij ze regelmatig de oorspronkelijke teksten interpreteerden op een manier die voor hen gunstig was. Hans Küng wijst op tal van zaken die niet in het Oude of Nieuwe Testament voorkomen, maar later door theologen en geestelijke leiders later werden toegevoegd.

‘De Karolingers zagen hun heerschappij goddelijk gelegitimeerd; en de pausen hadden bereikt dat er zonder hun zegen in de toekomst niets zou gebeuren.’ Ook latere wereldlijke leiders voelden de behoefte om zich door de paus te laten zalven of kronen als een soort goddelijke bevestiging van hun seculiere gezag. Het zorgde er verder voor dat de paus zijn positie binnen de Kerk verstevigde. Maar de pausen wilden nog verder gaan. Zo kroonde paus Leo III Karel de Grote in Rome tot ‘keizer van de Romeinen’ waarmee hij als eerste paus aanspraak maakte op het recht om keizers te kronen. Paus Johannes XII kroonde in 962 in Rome keizer Otto I, waarmee de basis werd gelegd voor het ‘Heilige Roomse Rijk’. Paus Johannes XV voerde de canonisatie in waardoor een overleden persoon ‘heilig’ kon worden verklaard. De eerste die deze eer te beurt viel, was Ulrich van Augsburg in 993, een bisschop die zijn stad behoedde voor de invallende Hongaren. Aan een heiligverklaring gaat eerst de toekenning van de titel ‘Eerbiedwaardige dienaar Gods’ aan de betrokkene vooraf en daarna een zaligverklaring waarvoor een wonder aan de betrokken persoon moet kunnen worden toegeschreven. Voor de heiligverklaring moeten twee wonderen aan de persoon kunnen toegeschreven worden. Het toekennen van de ‘heilige’ status behoorde wel tot de aparte bevoegdheid van de paus waardoor hij opnieuw een stap hoger stond in de hiërarchie tegenover zijn bisschoppen.

Na het Oosters Schisma met de Grieks-Orthodoxe kerk – die zich niet alleen over Griekenland, maar ook over de hele Balkan en later Rusland verspreidde – vaardigde paus Gregorius VII in 1075 het Dictatus papae uit, dat de paus het hoogste gezag binnen Kerk en maatschappij verleende. De titel ‘papa’ werd vanaf dan uitsluitend toegekend aan de bisschop van Rome die werd beschouwd als de opvolger van de apostel Petrus en als de enige ‘plaatsbekleder van Christus’. Het was een belangrijke ingreep waardoor de paus ‘het hoogste gezag van Christus op aarde (werd), aan welk geestelijk gezag alle christenen en niet-christenen, alle geestelijke en wereldlijke gezags- en ambtsdragers onderworpen en gehoorzaamheid verschuldigd waren’. Het doel van Gregorius VII was om het kerkelijk gezag te onttrekken aan de wereldlijke macht en zo het primaat van de Kerk te verstevigen. De paus kende zichzelf het recht toe om wereldlijke leiders, zelfs keizers en koningen, te excommuniceren en hun onderdanen in dat geval te ontslagen van hun eed van trouw. Gregorius VII gebruikte die nieuwe macht ook en excommuniceerde Hendrik IV, de koning van Duitsland, die nadien (volgens de overlevering op blote voeten in de sneeuw) naar het Kasteel van Canossa trok om zich opnieuw te verzoenen en zijn banvloek te laten opheffen. Het markeerde de toenemende impact van de paus tegenover de wereldlijke macht maar vormde ook het begin van een voortdurende strijd tussen Rome en het Heilige Roomse Rijk.

Dat de macht van de paus in die periode ook buiten het Duitse rijk gevoelig was toegenomen bleek in 1096. Toen riep Urbanus II op tot de eerste kruistocht die vooral in Frankrijk massaal werd opgevolgd, iets wat zijn positie als universele geestelijke leider verstevigde. Urbanus II beschouwde zich immers als de leider van alle christelijke gelovigen die erin slaagde om hen, ondanks hun verschilpunten, te verenigen in de strijd tegen de heidenen, ongelovigen en moslims. Het gaf ook vrij baan aan het gewelddadige antisemitisme dat binnen het christendom zo sterk aanwezig was. Tijdens die eerste kruistocht werden heel wat joodse gemeenschappen langs de Rijn en de Donau vernietigd. De Franse abt Bernard van Clairvaux, die later heilig werd verklaard, bejubelde in 1135 de kruistocht als een heilige oorlog en gaf het doden van ongelovigen een theologische grondslag en rechtvaardiging. Hij predikte in 1146 voor een Tweede Kruistocht die echter een grote mislukking was. Tijdens de doortocht van die kruistocht die begon in 1147 werden talloze Joden in Frankrijk omgebracht.

Om hun positie in geestelijke aangelegenheden te handhaven en te versterken, probeerden de opeenvolgende pausen om het wereldlijk gezag zoveel mogelijk aan hun kant te krijgen. Op die manier kregen ze een efficiënt wapen tegen ketters en afvalligen die al van in het begin van het christendom actief waren, maar vooral vanaf de 12de eeuw een ernstige bedreiging vormden voor de geestelijke monopoliepositie van Rome. Paus Lucius III en keizer Frederik Barbarossa kwamen in 1184 in Verona overeen om samen de strijd aan te gaan tegen de Katharen, Arnoldisten, Waldenzen en andere ketterse bewegingen. Deze paus vaardigde de bul Ad Abolendam (‘Met het doel om af te schaffen’) uit, wat algemeen beschouwd wordt als de start van de inquisitie. Deze regels werden verder uitgewerkt door Innocentius XIII die besliste dat de titel paus en de titel vicarius Christi (plaatsbekleder van Christus) uitsluitend gebruikt mocht worden door de bisschop van Rome. Zijn pontificaat wordt door theologen beschouwd als ‘vermoedelijk het meest schitterende in de lange, afwisselende geschiedenis van het pausschap’. ‘De paus is nu daadwerkelijk de onbeperkte heerser over de kerk’, aldus Hans Küng, die hem omschrijft als de ‘hoogste leider, absolute wetgever en hoogste rechter van de kerk’ die zijn universele primaat probeerde in stand te houden ‘met diplomatie en excommunicatie, interdict, inquisitie en heilige oorlog’.

Vanaf dan begon de macht van de paus te tanen. In 1517 nagelde Martin Luther zijn 95 stellingen op de poort van de nieuwe kerk in Wittenberg, waarin hij zich vooral uitsprak tegen de handel in aflaten, maar ook, en dat is minder bekend, tegen de stelling dat alleen de paus de echte ‘uitlegger van de heilige schrift’ was en dat de paus als enige een concilie kon bijeenroepen. Voor hem stond ‘heilige schrift’ van de Bijbel boven elk menselijk gezag. Ook de Zwitserse reformator Huldrych Zwingli hekelde de hypocrisie van de katholieke Kerk zoals de verering van heiligenbeelden, het celibaat, de geldzucht van de geestelijke leiders, de woeker aan belastingen en het moreel schandelijke gedrag van sommige pausen en kardinalen. Het betekende het begin van het belangrijkste schisma binnen het christendom waardoor zowat één derde van de toenmalige gelovigen overstapten naar het protestantisme dat door een gebrek aan centraal gezag al snel uiteenviel in talrijke denominaties. Maar er gebeurde intern nog iets anders. ‘Hoe feller de protestanten het gezag van kerk en paus bestreden, hoe meer de katholieken daar de nadruk op legden. In hun verdediging tegen de reformatie begonnen de pausen weer aan de leer van de onfeilbaarheid te denken.’

Rome begreep het gevaar voor haar machtspositie en reageerde met de contrareformatie op het concilie van Trente van 1545 tot 1563, een van de belangrijkste in de kerkgeschiedenis. Paus Paulus III wou de scheuring van de Kerk herstellen en het kerkelijke leven zuiveren van misstanden. Er werden enkele hervormingen goedgekeurd maar al snel ging het concilie over tot het doctrinair vastleggen van de aanvaarding van de Traditie als geloofsbron naast de Heilige Schrift, de erfzondeleer, de rechtvaardigingsleer en de sacramentenleer. Allemaal geloofspunten die door de reformatie waren aangevallen en waardoor de afstand met Luther en andere hervormers juist groter werd. Onder paus Paulus IV verhardde het standpunt van de Rooms-katholieken nog meer. In 1557 liet hij de Index librorum prohibitorum opstellen, een lijst van boeken die volgens het Vaticaan niet mochten worden gelezen omdat ze in strijd waren met de christelijke dogma’s of de autoriteit van de paus als hoogste geestelijke gezagsdrager in vraag stelden. Hij verplichtte de Joden van Rome om in een getto te wonen en stimuleerde de Romeinse Inquisitie om harder op te treden tegenover overtredingen van kerkelijke voorschriften.

Het concilie van Trente leidde niet tot de zo nagestreefde eenheid binnen de verbrokkelde christelijke wereld, maar betekende vooral het begin van een reeks oorlogen op geestelijk, diplomatiek, politiek en zelfs militair vlak met als doel geheel Europa opnieuw onder de Rooms-katholieke banier te plaatsen. De afslachting van de protestantse hugenoten in Parijs werd door paus Gregorius XIII zelfs gevierd met een speciaal Te Deum. De pausen van het einde van de zestiende eeuw probeerden hun onafhankelijkheid te verdedigen, maar raakten steeds meer verstrikt in de valkuilen van de geopolitiek van die tijd. Het leidde tot hun betrokkenheid in de godsdienstoorlogen waarbij vooral de protestantse gemeenschappen in Europa werden geviseerd en onderdrukt, met als hoogtepunt de Dertigjarige oorlog vanaf 1618. Die eindigde voor Rome teleurstellend in 1648. Het katholieke Spanje verloor haar macht ten bate van protestantse zeemachten als Nederland en Engeland. Door de Vrede van Westfalen werden religies feitelijk ondergeschikt gemaakt aan de staat. Voortaan beslisten de wereldlijke leiders welk geloof binnen hun grondgebied van tel zou zijn. Hiermee kreeg het pausdom met zijn universele wereldlijke ambities een stevige knauw waarvan het nooit helemaal zou herstellen.

De cruciale omwenteling kwam er met de Franse Revolutie in 1789. In Frankrijk werd de Kerk volledig opzijgeschoven en moesten de religieuze bepalingen in 1791 plaats maken voor de Verklaring van de Rechten van de Mens. De toenmalige paus Pius VI verzette zich daartegen en verwierp de Rechten van de Mens maar werd in 1798 door de Fransen afgezet en daarna naar Frankrijk gebracht. In 1800 werd Pius VII de nieuwe paus, en ook hij werd opgepakt door de Fransen. Na de val van Napoleon herstelde Pius VII de orde van de jezuïeten, herstelde de Index van de verboden boeken en stuurde de joden terug naar het getto. Later keerde hij zich fel tegen de vrijmetselarij en elke beweging ten voordele van de democratie en de vrije meningsuiting. Het katholicisme kwam steeds meer onder druk te staan van het Verlichtingsdenken enerzijds en het nationalisme anderzijds. Na de val van Napoleon werd de Kerkelijke staat wel opnieuw in ere hersteld, maar het slaagde er niet langer in om een toonaangevende rol in Europa te spelen.

Paus Pius IX besefte dat de wereldlijke macht van de pausen op zijn einde liep, maar concentreerde zich des te meer op de spirituele ambities van het katholicisme. Hij begon met die merkwaardige devotie voor Maria en verklaarde in 1854 het beginsel van de onbevlekte ontvangenis als een dogma, alhoewel daar in de katholieke traditie en de ‘heilige teksten’ niets over gezegd werd. Maria was daarmee samen met Christus de enige die zonder erfzonde geboren zou zijn. Ook latere pausen tot op de dag van vandaag, hechten bijzonder veel belang aan de rol van Maria. Pius IX was ook een virulente antisemiet die in 1850 de muren rond het joodse getto van Rome liet heropbouwen. Tijdens zijn pontificaat veroordeelde hij het indifferentisme, het protestantisme, de democratie, het liberalisme, het socialisme en het communisme. Hij schreef een encycliek met een ‘syllabus van dwalingen’, een inventaris van geloven en handelingen die hij als ketters, en dus verwerpelijk achtte. Hij organiseerde het Eerste Vaticaans Concilie van 1869 tot 1870 dat zich keerde tegen de nieuwe ontwikkelingen en legde de basis voor het dogma van de pauselijke onfeilbaarheid.

Paus Benedictus XV trok de lijn van Pius IX door, door in 1917 zijn goedkeuring te hechten aan de Codex Iuris Canonici (het Wetboek van het Canonieke Recht) waarin tot in de kleinste details het kerkrecht werd uitgewerkt zoals het unieke recht van de paus om bisschoppen te benoemen en het feit dat de paus de hoogste rechter is voor de gehele katholieke wereld. Als opvolger van Petrus had de paus de hoogste en volledige rechtsmacht. ‘De dogma’s van het primaat voor de rechtspraak in de gehele wereld en van de onfeilbaarheid van de paus – die men er aanvankelijk slechts met zoveel moeite doorgekregen had – werden nu rechtsregels’, aldus de theoloog Hasler. Ook paus Pius XI regeerde volgens de uitgestippelde weg van zijn beruchte voorgangers. Hij verwierp de democratie en sloot tal van concordaten met onder meer Letland, Beieren, Polen, Roemenië, Litouwen, Pruisen, Oostenrijk en Joegoslavië. In 1929 sloot het Vaticaan het verdrag van Lateranen met de fascistische dictator Mussolini waarbij de Kerk Italië eindelijk officieel erkende.

Nadien zou Pius XI ook concordaten sluiten met de fascistische regimes van Spanje en Portugal en met het Duitse nazi-regime. Dat laatste concordaat werd onderhandeld en op 20 juli 1933 getekend door zijn staatssecretaris Eugenio Pacelli die zelf paus werd in 1938 onder de benaming Pius XII, ook hier na opheffing van de katholieke Zentrumspartei. De welwillende houding van het Vaticaan ten aanzien van Hitler was snel duidelijk bij zijn aantreden als kanselier op 30 januari 1933. Tot dan hadden verschillende Duitse bisschoppen zich tegen het nazisme verzet, katholieken verboden om aan te sluiten bij de NSDAP en nazi-uniformen uit de kerken geweerd. Onder impuls van het Vaticaan werd een bocht van 180 graden gemaakt. Op 28 maart 1933 keurde het Duitse episcopaat in Fulda een reeks maatregelen ten voordele van het nieuwe regime goed. Zo werden leden van de nazipartij, ook in uniform, toegelaten tot de godsdienstoefeningen en tot de sacramenten. Hierdoor lieten heel wat katholieke gelovigen hun bezwaren tegenover Hitler varen en werden de leden van de nazipartij door de kerkgemeenschap beschouwd als respectabele burgers, die voor een bewonderenswaardig ideaal streden.

Pius XII had zonder twijfel de grootste pauselijke macht in de geschiedenis. Zo was hij niet alleen staatshoofd van het Vaticaan, maar ook de absolute leider van de grootste en best georganiseerde religieuze beweging in de wereld. Hij had de volgende titels: Plaatsvervanger van Jezus Christus, Opvolger van Petrus, Paus van de Universele Kerk, Primaat van Italië, Patriarch van het Westen, Aartsbisschop en Metropoliet van de Romeinse Kerkprovincie, Bisschop van Rome, Soeverein van de staat Vaticaanstad en Dienaar van de Dienaren van God. Pius XII stond aan het hoofd van miljoenen katholieke gelovigen in de hele wereld (vooral in Europa) die hem beschouwden als de morele leider en herder van de kudde. Hij had met zijn groot aantal nuntii, kardinalen en bisschoppen, vertegenwoordigers in alle delen van de wereld. Die waren tijdens de Tweede Wereldoorlog actief zowel in de geallieerde landen, de As-mogenheden, als de neutrale staten. Pius XII was overtuigd van zijn eigen onfeilbare status en beschouwde zich dan ook als de plaatsbekleder van God op aarde. Dat laatste wordt trouwens aangetoond door het feit dat hij, als eerste en enige paus, werkelijk gebruik maakte van zijn ‘onfeilbaarheid’ door op 1 november 1950 een dogma uit te spreken over de ‘lijfelijke tenhemelopneming’ van Maria.

Hans Küng eindigt met het pausschap in 1999. Hij maakt duidelijk dat tal van zaken, zoals het celibaat, de aflaten, het vagevuur en de onfeilbaarheid van de paus niet voorkwamen in de Bijbelse teksten, maar latere menselijke toevoegingen waren. Een groot deel van het christelijk geloof is dus gebaseerd op latere interpretaties en noviteiten. Voor Küng zijn dat echter bijkomende beletsels in de voor hem noodzakelijke interreligieuze samenwerking. Al blijft de vraag of ook die oorspronkelijke teksten al niet onherroepelijk onverenigbaar zijn. Wie vertrekt van oorspronkelijke, zeg maar ‘van door God gedicteerde’ teksten, zal steeds in conflict komen met diegenen die pretenderen zelf de waarheid te kennen. Het probleem is dus niet alleen de interpretatie van de ‘heilige teksten’, maar ook hun intrinsieke tegenstrijdigheid.


Recensie door Dirk Verhofstadt

Hans Küng, Het Christendom. Wezen, geschiedenis en toekomst, Ten Have, 2009

Links
Mailto:verhofstadt.dirk@pandora.be
Share |

De Arabische Revolutie:

tussen droom en werkelijkheid

Op woensdag 5 april 20.00 uur

Afspraak in De Markten (Oude graanmarkt 5, 1000 Brussel) voor een avond met Koert Debeuf,

schrijver, columnist, directeur van het Tahrir Institute for Middle East Policy Europe en onderzoeker aan de Universiteit van Oxford.

Zijn recentste boek is "Inside the Arab Revolution. Three Years on the Front Line of the Arab Spring".

Koert zal gebaseerd op zijn persoonlijke ervaringen de Arabische Revolutie trachten te kaderen door parallellen te trekken met de Franse Revolutie en door een aantal inzichten te bieden in het Midden Oosten.

Uw aanmeldingsmail aan info@liberales.be geldt als inschrijving.

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be