Vrijheid als ideaal

boek vrijdag 18 november 2005

Femke Halsema, Bart Snels, e.a.

In december 2004, bij een symposium ter gelegenheid van het vijftigjarige bestaan van de Teldersstichting, het wetenschappelijk bureau van de VVD, hield SP-senator Ronald van Raak een feestrede. Hij constateerde dat Nederland de afgelopen decennia ‘een door en door liberaal land’ is geworden. Ten tijde van Paars stelde Bolkestein al: de PvdA de premier, wij het beleid. Inmiddels wordt de PvdA door Wouter Bos omgevormd tot sociaal-liberale partij. ‘En het virus gaat nog verder’, aldus van Raak, ‘Femke Halsema wil van GroenLinks een vrijzinnig-liberale partij maken. Hier passen opnieuw mijn felicitaties aan u.’ Aldus de socialistische senator tot de liberalen.

Van Raaks ironie was niet misplaatst. GroenLinks is onder Femke Halsema bezig zich de waarde ‘vrijheid’ toe te eigenen, onder de vrolijke vlag van de ‘vrijzinnigheid’. Ruim een jaar geleden publiceerde Halsema in De Helling een essay over ‘Vrijzinnig links’. Aansluitend bij Isaiah Berlin (althans dat dacht ze) formuleerde ze een politieke agenda in termen van van negatieve en positieve vrijheid. De breuk is groot met haar meer collectivistische voorganger Paul Rosenmöller – die qua bijbanen inmiddels is uitgegroeid tot een soort Commissaris van de Koningin zonder provincie. In termen van de Duitse verkiezingen: waar ex-maoďst en gestudeerde havenarbeider Rosenmöller zich wellicht zou hebben gemeld bij de nieuwe Linkspartei van Gysi en Lafontaine, daar zitten Halsema c.s. dichter bij de Duitse Groenen van Fischer en Cohn-Bendit: pro-Europees en individualistisch.

Dat Halsema’s essay geen eenmalige oprisping was blijkt uit de bundel die het Wetenschappelijk Bureau GroenLinks nu uitbrengt onder de titel Vrijheid als ideaal. Een dozijn linkse auteurs reflecteert daarin op de waarde vrijheid in de politiek. Hoewel de samensteller preuts opmerkt ‘naar de politieke voorkeuren van de auteurs heb ik niet gevraagd’ ziet een geďnformeerde lezer dat zij niet willekeurig zijn gekozen. Naast Halsema en haar fractiegenote Azough vindt men onder meer Herman van Gunsteren, Sjoerd de Jong, Pieter Hilhorst, Dick Pels en Baukje Prins. De sfeer, kortom, is intellectueel-Amsterdams. Gedeelde vijand is het koppel CDA en VVD, dat als convergerend rechts blok wordt neergezet, gedeelde horizon de hoop op een ‘links-liberale lente’. Interessant is de liberale partij die bijna wordt vergeten: D66. Over die omissie verderop meer.

Twee prikkelende inleidende bijdragen beschrijven ‘het nieuwe politieke speelveld’. Socioloog Dick Pels, ten eerste, toont nog eens de twee assen waarlangs hij dat speelveld graag verdeelt: de links-rechts-as en de individualisme-communitarisme-as. Deze vallen naar zijn idee niet samen, maar staan haaks op elkaar. Pels gebruikt het aardige beeld van een hoefijzer, dat ontstaat wanneer je de uiteinden van een horizontale links-rechts-as naar onderen toe samenbuigt. De Groep Wilders en de SP, op de links-rechts-as ver uiteen, komen dan toch in elkaars buurt. Voor wie Pels’ boeken over Jacques de Kadt (1993) en Fortuyn kent is dit schema weinig nieuws, maar het biedt hem de gelegenheid de naoorlogse ideologische ontwikkeling te schetsen van – en binnen – de Nederlandse partijen. Pels doet daarbij geen moeite het ‘speelveld’ als neutrale arbiter te beschrijven. Waar het de ‘rechtse vrijheid’ betreft is zijn taalgebruik tendentieus, soms onheus. Uitschieter is zijn opmerking dat de rechtse vrijheid “in sommige opzichten in de buurt [komt] van het nationaal-populisme van Jörg Haider in Die Freiheit die Ich Meine (1993)”, zonder uitleg of precisering (welke ‘opzichten’? hoezo ‘in de buurt’?). Evenmin schijnt hij in staat het woordt ‘markt’ te kunnen gebruiken zonder het vooraf te laten gaan door adjectieven als ‘ongebreidelde’, ‘harde’ of ‘fundamentalistische’. De auteur prefereert een ‘zacht liberalisme’ en streeft in de slotzin naar ‘wezenlijke kritiek op de kapitalistische economie’. Het eerste is reclametechnisch een trouvaille, het tweede hopelijk ijdel woordenspel.

De andere inleiding is van politiek filosoof Bert van den Brink. Met ‘Vrijheid heeft geen politieke kleur’ schreef deze een sterke, analytische bijdrage over drie vrijheidsconcepten: negatieve, positieve en publieke vrijheid. Negatieve vrijheid, de vrijheid van dwang, wordt vanouds geassocieerd met de klassiek-liberale nachtwakersstaat die interventies in het privé-domein zo veel mogelijk beperkt. Positieve vrijheid, de mogelijkheid tot autonomie, nodigt de staat juist uit persoonlijke levensdoelen te helpen verwezenlijken (middels onderwijs, basisinkomen, enz.). Het is een appel dat het socialisme niet weerstond en dat Van den Brink tegenwoordig terugziet in het Verlichtingsliberalisme van Hirsi Ali of Philipse. Tussen negatieve en positieve vrijheid bestaat een spanning. Het is namelijk moeilijk en wellicht onwenselijk personen te dwingen tot autonoom handelen. Hier ligt voor de auteur de “tragiek van het liberalisme”. De publieke vrijheid, ten derde, is de macht mee te kunnen bepalen welke inmenging we in ons privé-leven dulden en welke niet. Deze democratische vrijheid, die een Res publica veronderstelt, is voor ‘republikeinen’ de hoogste. Sinds Pericles beseffen dezen, de vrijheid van het individu kan niet zonder de vrijheid van de staat. We moeten deze drie noties volgens Van den Brink niet gemakzuchtig tegen elkaar uitspelen: “Iedere houdbare politieke vrijheidsnotie bergt deze drie concepten als aspecten van vrijheid in zich.”

Deze conceptuele triade werpt licht op het belangrijkste debat dat woedt in Vrijheid als ideaal: dat over integratie. Filosofe Baukje Prins lijkt van haar multiculturalisme teruggekomen en een eind opgeschoven in de richting van Hirsi Ali en c.s. Zonder rookgordijnen schetst zij de tragische spanning die ook zij voelt tussen een ‘politiek-liberale’ en een ‘Verlichtingsliberale’ positie, tussen de erkenning van ieders autonomie (negatief) en de verleiding van paternalisme (positief). Wat te doen als een meerderjarige vrouw blind instemt met een door haar ouders gearrangeerd huwelijk? Mogen we twijfels hebben aan haar morele autonomie? Prins: “Tegenover de (..) politiek-liberale houding van onvoorwaardelijk respect stelt de Verlichtingsliberaal een houding van wat ik meelevend wantrouwen zou willen noemen.” Wanneer is dat wantrouwen terecht, wanneer misplaatst? Waar ligt de grens? De uitweg vindt Prins knap in een utilistisch criterium: traditionele, niet-liberale praktijken verdienen respect voor zover ze “niet per sé schadelijk zijn voor anderen, noch per sé schadelijk voor de betrokkenen zelf”. Intreden in een klooster of als maagd het huwelijk in kan wel, besnijdenis niet.

De GroenLinks-parlementariërs Azough en Halsema zoeken het beiden in de nieuwe mantra “integratie door emancipatie” maar blijven daarbij “individuele en culturele vrijheden” van migranten en allochtonen benadrukken. Zulke zoekende formuleringen lijken meer gericht op (intern) politiek compromis dan op filosofische synthese. Behendig is ook Sjoerd de Jong, als chef Boeken van NRC Handelsblad een belangrijke pion in het cultuurpolitieke veld. Hij breekt een lans voor een gemoderniseerd, ‘dynamisch’ cultuurrelativisme dat oog heeft voor motieven en veranderingen. Daarbij beticht hij de tegenstanders van zijn oude zonden: “Juist hard liners die bijvoorbeeld hoofddoekjes willen verbieden omdat die niet passen in onze cultuur of een symbool zijn (voor ons) van vrouwenonderdrukking, maken gebruik van ouderwets cultuurrelativisme dat de eigen positie interessanter vindt dat interculturele argumenten.” Na zulke interessante zinnen zou men graag eens een kritiek lezen op hard liners die hoofddoekjes met geweld herinvoerden, zoals de ayatollahs deden in 1979 in Iran. Daartoe schijnt De Jong niet in staat.

Inzake integratie wordt dus meer of minder intelligent gelaveerd tussen positieve en negatieve vrijheid, tussen de dwang vrij te zijn en de vrijheid jezelf te blijven. De derde positie, die van de publieke vrijheid, blijft in dit verband onderbelicht. Typerend is De Jong’s onzinnige weergave van de motieven voor het hoofddoekjesverbod. Geen Frans minister van onderwijs zal om culturele redenen de hoofddoek uit de klas bannen; in de wetten inzake laďcité gaat het om het waarborgen van de publieke ruimte op de plek waar de staat burgers maakt. Halsema c.s. zien in al zulke pogingen een ‘assimilatieoffensief’. Idem met de beroemde ‘hand van Verdonk’. Waarom kunnen zij die situatie niet anders lezen? In die daad werd niet de positieve vrijheid afgedwongen (zoals de auteurs menen), maar stond de publieke vrijheid op het spel. Inzet was de formele gelijkheid van man en vrouw in de publieke ruimte, waarvan te onzent de handreiking de bekrachtiging is.

Steeds schrijven de auteurs het opkomen voor publieke vrijheid, voor het bewerkstelligen van een door alle burgers gedeelde – en dus ook deelbare! – openbare ruimte, toe aan een bepaalde opvatting van positieve vrijheid. Ten onrechte. Typerend is de onzorgvuldigheid waarmee Halsema beweert dat de VVD vindt “dat juichen voor het Nederlands elftal van iedereen mag worden verwacht”. In de Integratienotitie van de VVD, de tekst waar Halsema waarschijnlijk aan refereert, staat echter iets heel anders. Ik citeer uitgebreid uit die nota, want het punt is belangrijk. “De Britse Tory-parlementarďer Lord Tebbit bedacht in 1990 (…) de ‘cricket loyalty test’. Hij stelde: wij weten pas zeker dat Pakistaanse, Indiase en andere minderheden in Groot-Brittannië zijn geďntegreerd, als ze voor Engeland juichen in een cricket-finale waarin Engeland speelt tegen hun land van herkomst. In Nederland zou dat zijn: juichen voor Oranje als ‘onze jongens’ een voetbalfinale tegen bijvoorbeeld Turkije of Marokko spelen. Het is een interessant gedachte-experiment. De VVD streeft zonder meer naar een grotere loyaliteit van immigranten bij de Nederlandse staat. (…) Maar liberalen vinden niet dat wij mensen kunnen verplichten tot het hebben van nationale sentimenten voor Rembrandt, Lobith of Oranje.” Hier blijft de (negatieve) gewetensvrijheid intact, wordt geen (positieve) levensinvulling opgedrongen, maar wordt wel erkend dat de democratische ruimte bestaat bij gratie van meer dan wetten alleen.

In Vrijheid als ideaal is weinig aandacht voor de bedreiging ervan door de politieke islam. De terroristische aanslag in Amsterdam, een nieuw antisemitisme, de toename van geweld tegen homo’s – deze fenomenen, die elke liberaal zorgen zouden moeten baren, zijn afwezig. De veronachtzaming van de publieke vrijheid op een moment dat de vrijheden van burgers onder druk staan, geeft reden te spreken van ‘lichtzinnig liberalisme’.

Dat het cultuurpolitieke debat in Nederland nu de voornaamste politieke scheidslijn is, blijkt eens te meer uit de afwezigheid van een onderscheidende, links-liberale visie op de economie. Opvallend is dat, afgezien van Pels, de meeste auteurs in Vrijheid als ideaal de waarde van de markt erkennen als plek waar individuele keuzen tot stand komen. Ze begrijpen ook dat de tegenstelling niet die is tussen staat en markt: elke markt vereist een ordenende hand. Dat weten overigens ook diegenen die in deze bundel als rechts-liberale marktfundamentalisten verschijnen. Het nieuwe VVD-Manifest Om de vrijheid spreekt pregnant van “de vrije – en dus goed gereguleerde – markt”. De linkse omhelzing van de markt gaat verrassend ver. In een inventief stuk van milieufilosoof Marcel Wissenburg blijkt zelfs de privatisering van natuurlijke hulpbronnen als oplossing voor de milieuproblematiek bespreekbaar. Ook Bart Snels, directeur van het Wetenschappelijke Bureau GroenLinks, bepleit meer markt, juist om linkse doelen te verwezenlijken tegen de corporatistische krachten in. Dit is een klassiek-liberale positie. Zou links nu begrijpen waarom juist VVD’er Frits Bolkestein als staatssecretaris van Buitenlandse Handel matig geliefd was bij het vaderlandse bedrijfsleven?

Ten slotte, vanwaar die omissie van D66 in Vrijheid als ideaal? Daar schijnen mij twee redenen voor. Al dan niet in opdracht denken de auteurs in termen van links en rechts. Het gaat hun om ‘linkse vrijheid’ tegenover ‘rechtse vrijheid’. Daarin is simpelweg geen plaats voor het midden. Deze politieke polariteit doortrekt elk artikel, nota bene tot en met het pleidooi van Jantine Oldersma voor consensusdemocratie. Het bontst maakt nog Dick Pels het. Deze politicologische hoefsmid buigt als gezegd het politieke spectrum op langs twee assen: links-rechts en liberaal-communitair. Maar die tweede as blijkt niet zelfstandig. Pels: “Zowel de liberale als de communitaire grondwaarden zijn per saldo beter in handen bij links dan rechts.” Liberalisme is mooi, maar de God van links blijft toch de beste.

Er is een tweede reden. Stelling: dit boek is onderdeel van een geregisseerde operatie waarin mensen in en rond GroenLinks een claim leggen op het speelterrein dat voorheen aan D66 toebehoorde: individualisme, rechtsstatelijkheid, ontplooiing. Het is een zet in de electorale slag om de kosmopolitische elite in de grote steden. Deze manoeuvre geeft aan dat GL, vijftien jaar na oprichting, in het nauw is gekomen tussen de PvdA en de SP. Het label ‘Groen’ volstaat dezer dagen niet om eruit te komen. Dat voorheen-klein-links het nu met ‘vrijheid’ probeert, is een goed teken voor de staat van het liberalisme in het land.


Recenise door Luuk van Middelaar

Femke Halsema, Bart Snels, e.a., Vrijheid als ideaal, uitg. Boom, Amsterdam 2005

Links
http://www.groenlinks.nl/publicaties
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be