De drie bedriegers Mozes, Jezus en Mohammed

boek vrijdag 23 juni 2006

Jan Pieter Guépin

Ik ben een van de tien mensen in het Nederlandssprekende taalgebied die de Da Vinci Code niet hebben gelezen. Mijn nieuwsgierigheid verloor het van mijn snobisme. En de kranten hebben de afgelopen jaren zoveel over Dan Browns roman gepubliceerd, dat ik de plot zo kan navertellen. Waarom zou je een volgens de recensies tamelijk onbeholpen thriller lezen als je over dezelfde materie al zoveel pulp uit de jaren dertig-vijftig heb gelezen en interessante literatuur van later datum? Van De slinger van Foucault, De Dumas Club tot De ontdekking van de hemel? En als het dan toch om legendarische en blasfemische teksten gaat, lees ik liever een roman als De drie bedriegers Mozes, Jezus en Mohammed van de onlangs overleden classicus en auteur Jan Pieter Guépin.

De titel verwijst naar De Tribus Impostoribus, een ‘ketters’ geschrift uit de late middeleeuwen, anoniem verschenen uiteraard, al bestaan er tientallen hypothesen over het auteursschap, waarvan tot op de huidige dag geen exemplaar is aangetroffen De Nederlandse historicus Jacob Presser promoveerde in 1926 op dit onderwerp, zoals de verteller in Guépins roman verneemt. Wat hij niet verneemt, maar iedereen in de dissertatie kan zien, is hoe Presser concludeerde dat De Tribus Impostoribus als zodanig nooit heeft bestaan en dat zeker niet Keizer Friedrich II van Hohenstaufen als auteur daarvan moet worden beschouwt. Dat zou de pret bederven, want Guépins verteller heeft zojuist het manuscript van De Tribus Impostoribus ten geschenke gekregen, waaruit blijkt dat de Staufenkeizer de auteur is van de blasfemische beschuldigingen. Publiceren kan helaas niet, want ooit heeft de schenker het manuscript uit de bibliotheek van het Vaticaan verwijderd. Dan maar het materiaal bewerken tot een roman.

In het eerste deel van De drie bedriegers voert niemand minder dan God himself de gevorderde scholiere Annet mee door de geschiedenis. Het is niet de god van de christenen, aldus de verteller: ‘Mijn god is de god van de epicureërs, die niets doet om de mensen schrik aan te jagen of te helpen.’ Behalve de geschiedenis van de twisten tussen de pausen en de Staufenkeizers, krijgen we ook de ideeën van deze epicurische god te horen. De liefhebbers van Guépins werk komen die erg vertrouwd voor, wat ze niet minder interessant maakt, toegepast op concrete historische gebeurtenissen. De manier waarop hij die laatste beschrijft, is zeer informatief, zonder opsommerig te worden. Degene die zo’n systematische opsomming wil hebben, wordt na de romantekst bediend met een ‘Tijdtafel’ en overzicht van de pausen en hun strijd met de Staufen in de periode 1159-1268. Over die strijd is epicurische god even ironisch als over andere onderwerpen. Er komen geen werkelijk positieve figuren in voor. Natuurlijk deugden de pausen in hun wereldse ambities van geen kant, maar Guépins Friedrich II is noch koene ridder, moedige atheïst of verlicht despoot. Een machtswellusteling, slechts een hoogbegaafde variant van al die andere machtswellustelingen uit zijn tijd.

Het tweede deel van De drie bedriegers wordt vertelt door Petrus de Vinea, jarenlang secretaris van de keizer. Bij Presser komt hij niet voor, maar wel in Karlheinz Deschners zesde deel uit de geduchte serie Kriminalgeschichte des Christentums (1999). Daar vinden ook Guépins verhaal over Petrus’ vermeende verraad jegens de keizer, waarvoor die hem veroordeeld en hoe de arme secretaris zelfmoord pleegt door zijn hoofd te pletter te slaan tegen de celmuur. Maar volgens Deschner heeft de Petreus zijn keizer wel degelijk als ketter aangegeven bij de paus! Die ketterij was dan ook schokkend: wie meent dat de stichters Mozes, Jezus en Mohammed bedriegers zijn – bijvoorbeeld omdat hun uitspraken pas lang na hun dood door anderen zijn geformuleerd – ontkent daarmee ook dat die uitspraken door God aan hen zijn geopenbaard.

Ik denk daarom dat Guépin zich vooral ook baseert op Fritz Mauthners controversiële Der Atheismus und Seine Geschichte im Abendlande (1920-1923). Mauthner geldt tegenwoordig nog slechts als een grensverleggende taalfilosoof, net als Multatuli als antikoloniaal, en hun radicale religiekritiek lijkt een beetje weggepoetst. Der Atheismus meent dat Friedrich en Petrus zich inderdaad in bovenstaande zin hebben uitgelaten. Cruciaal in Guépins verhaal zijn de vier ‘gesprekken in de tent van Castel del Monte’ die Petrus met zijn keizer voerde. De rest van is voor- en nageschiedenis en vooral de eerste is noodzakelijk om de portee van de gesprekken te kunnen begrijpen. Ik citeer één uitspraak, om aan te geven hoe explosief ze waren: ‘Wat is het toch vreselijk dat de drie godsdiensten van het boek, de joodse, de christelijke en die van de slaven van Allah alle drie door woestijnbewoners zijn bedacht, en niet zijn ontstaan in de stadsculturen van Milete, Athene, Rome, Constantinopel, Palermo...’

Juist in dit epicentrum van het boek zien we Jan Pieter Guépin zelf. De uitspraak is bovendien zeer actueel. Als classicus en kritisch-humanist – van de verlichting en wat zich daarna links noemde moest hij niets hebben – beschouwt Guépin de woestijnreligies als barbaars. Hij lijkt het begin van de bevrijding van de geest dan ook niet bij de reformatie te situeren, maar bij het begin van de dertiende eeuw, net als Mauthner in Der Atheismus. Volgens Mauthner was Friedrich II een ‘vrije geest’, maar geen atheïst in de moderne zin. Hij durfde de machtstrijd met Rome dan ook niet tot het einde te voeren. Ware dat wel het geval geweest en had hij gewonnen, dat zou dat tot een historische kettingreactie hebben geleid. Dan was ons de halfslachtigheid van de reformatie bespaard gebleven en zou een verzoening met de islam zijn bewerkstelligd. Mauthner ‘droomt’ vervolgens dat er geen heksenprocessen waren gevoerd en het Avondland geen godsdienstoorlogen zou hebben gekend. What if? Dat eens nog eens wat anders dan het plot van de Da Vinci Code!

Aan het begin van de dertiende eeuw schoot de klassieke beschaving eindelijk wortel, deels overgeleverd via de gesmade saracenen. Met enthousiaste hulp van Friedrich, die met hen discussieerde en in Sicilië saracenen onder zijn onderdanen telde. Als buitenstaander – eveneens actueel – wijst Guépin uiteraard de claim af dat christenen beschaafder zijn dan moslims. De beschaafde social climber en geleerde Petrus de Vinea beziet bijvoorbeeld Domenicus de Guzmán, de stichter van de gelijknamige orde, als een liederlijke, onbetrouwbare intrigant. Al heeft dat misschien ook te maken met zijn eigen, smadelijke voorgeschiedenis. Een meisje van wie Petrus liefdesgunsten consumeerde, liet hij in de steek toen zij van kathaarse sympathieën wordt beschuldigd. Ze sterft op de brandstapel van de Dominicaan.

Uiterst boeiend is deze dertiende-eeuwse wereld, waarin door al dan niet verstandige huwelijken de verrassendste combinaties van landen en streken onder één heerser ontstaan. Friedrich II, Rooms Koning, regeerde op eenzelfde moment over Apulië, Sicilië, Jeruzalem, Bourgondië, Cyprus en Duitsland. Wie durft te beweren dat globalisering een verschijnsel is van de laatste decennia? Of dat Europa is gevormd door de christelijk-joodse traditie, waarbij moslims uiteraard zijn buitengesloten? Omgekeerd projecteert Guépin ook actuele verschijnselen op zijn dertiende eeuw, waarin ‘een’ (let op het onbepaald lidwoord) scheiding tussen kerk en staat werd bevochten via een niets en niemand ontziende machtspolitiek. Neem de investituurstrijd in het moderne China. Maar paus Ratzinger bedenkt zich wel tien keer voor hij de christelijke naties zal oproepen tot de verovering van Peking.

De facto ging de strijd tussen paus en keizer destijds minder om de onafhankelijke positie van het Vaticaan, maar meer over de invloed van een individuele paus. Die steunde de wereldlijke vorst weer die zijn benoeming had gesteund. Een politieke antagonist van deze vorst kon vervolgens via het religieuze systeem worden geëxcommuniceerd via de destijds gemakkelijke beschuldiging van ketterij. Het mechanisme doet denken aan politieke praktijken uit onze dagen. Een politicus die een andere mening huldigt dan zijn tegenstanders, formuleert die gewoonlijk met argumenten. Een betrekkelijk recent fenomeen is dat de meningen van de tegenstander worden gereduceerd tot diens ‘karakter’. Hij huldigt geen politieke standpunten die als gebruikelijk via rationale argumenten kunnen worden weerlegd, maar is een Slecht Mens dat uit de politieke arena moet verdwijnen.

Deze campagne wordt vaak omschreven als ‘demonisering’. Niet toevallig een religieuze term. Ook daarover gaat De drie bedriegers. Het waren verwarrende tijden, waarin niet alleen kruistochten tegen de saracenen en de albigenzers werden gehouden, maar ook tegen de Baltische volkeren, die immers ‘nog’ niet waren gekerstend. De Ridders van de Duitse Orde wisten in hun kruistochten de naburige Letten te overwinnen en de Pruisen zelfs volledig uit te roeien, maar de Litouwers bleken taai. Het duurde tot 1386 – meer dan een eeuw na de dood van keizer Friedrich! - voor ze zich op een decreet van de grootvorst van Litouwen, die met de katholieke Poolse koningin Jadwiga was getrouwd, collectief lieten dopen, aan de oevers van de rivieren.

De eerste kruistocht tegen de saracenen valt buiten het bereik van De drie bedriegers. Maar de effecten daarvan zijn nog zeer aanwezig in de tijd van Friedrich, die zich door de paus louter om pragmatische redenen liet overhalen tot een eigen kruistocht – de vijfde? – en na de positieve afloop een tolerante vrede sloot met de saracenen. Lees Steven Runcimans A History of the Crusades (1951-1954) en huiver. En begrijp waarom hedendaagse moslims in woede onsteken als de reborn christian George W. Bush oproept tot ‘a new crusade’. Een beschaafd volkje was het niet, die kruisridders, eerder een ongeregeld zootje. Behalve het Heilige Land bevrijden van de moslims, moesten ze onderweg als bijvangst zoveel mogelijk joden uitmoorden: ‘Diut le volt’. Amos Oz heeft daarover de briljante novelle Totterdood (1971) geschreven.

Een en ander culmineerde in het beleg van Jeruzalem. Op 16 juli 1099 was het zover. Nadat de kruisvaarders de stad hadden ingenomen, moordden ze de moslimbevolking uit. Grondig, zonder onderscheid. Mannen, vrouwen en kinderen, onder hen ook degenen die door een van de aanvoerders in de El-Aksa moskee waren ondergebracht. Zijn soldaten werden overweldigd door het enthousiaste christelijke voetvolk. ‘God wil het’ is dan immers beter te interpreteren als ‘Ieder voor zich ‘. De joden waren in de Grote Synagoge gevlucht. Zij zouden de moslims hebben geholpen, dus staken de vrome christenen de synagoge in brand. Alle joden kwamen om. De volgende dag was Jeruzalem ‘Juden- und Muslimrein’.

Karlheinz Deschner laat zien dat tot in onze dagen reguliere historici de verovering van Jeruzalem beschouwen als de gelegenheid waardoor een interessante ideeënuitwisseling tussen christenen en moslims ontstond. Net als Guépin laat hij zien, in het zevende deel van zijn Kriminalgeschichte, dat die uitwisseling pas later plaatsvond, via figuren als Friedrich II en diens islamitische gesprekspartners. Pijnlijker zijn de hedendaagse christelijke historici die Deschner citeert. Ze schrijven huilerig over de (inderdaad) hoge sterfte onder de kruisridders op weg naar Jeruzalem. En over de religieuze vervoering van de overgebleven minderheid, toen die eindelijk de muren van de Stad ontwaarden waar Jezus was gestorven. En: ‘Ze hadden minder voedsel en water dan de inwoners van Jeruzalem!’. Terug naar Guépin. De drie bedriegers bevat naast de genoemde verhaallijnen en thema’s nog allerlei juweeltjes tussendoor. Wat een fantasie! Neem de droom waarin Petrus in een Piranesi-achtige gevangenis belandt en een gesprek voert met Dante. Die dan nog een baby is.

Wat een eruditie, maar die zie je in heel zijn oeuvre glanzen. Onlangs verscheen Ike Cialiona’s langverbeide vertaling van Hypnerotomachia Poliphili. Een boek waarover eveneens een waas van geheimzinnigheid hangt, maar dat wel degelijk bestaat. Cialona schrijft het toe aan broeder Francesco Colonna. Er staan prachtige houtsneden in en een aantal daarvan waren in 1999 te zien in Een verjaarscadeau van Jan Pieter voor zijn vrienden en vriendinnen. Het leven uit de dood, een beschouwing waarin Guépin betoogt dat het sterven noodzakelijk is voor de procreatie. Hierin grijpt hij, net als in De drie bedriegers terug op zijn eerste tijdschriftpublicatie, uit 1959: ‘Er bestaat een geheim van de godsdienst. Ik weet er een. Het geheim van de godsdienst is dat hij niet waar is. De goden hebben nooit bestaan...’ Hopelijk sterft de belangstelling voor dit eigenzinnige oeuvre niet met de auteur zelf.



August Hans den Boef

Links
mailto:ahdenboef@euronet.nl
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be