Terug naar de Russische kunst

boek

Boris Groys (red.)

In 1993 konden we in de Documentahallen van Kassel een eerste grote expositie bezoeken van Russische kunst uit de communistische tijd. Het was een samenwerking tussen de musea van Sint-Petersburg en de stad Kassel. Men toonde zelfbewuste schilderkunst, affiches en beeldhouwkunst uit de jaren '30-'50, trotse paviljoenen op de wereldtentoonstellingen van Parijs (1937) en New York (1939), propagandistische filmfragmenten over Lenin, Stalin en hun entourage, verering van leiders en andere helden.

De titel van de tentoonstelling Agitation zum Gluck toonde aan dat de kunstenaars in dienst moesten staan van de staatsideologie en de sovjetmens duidelijk moesten maken dat hij het voorrecht had in een heilstaat en arbeidersparadijs te leven. De schilderijen en affiches van overgelukkige kinderen, arbeiders, boeren, soldaten en sportlui bewezen deze stelling. De kunstenaars die een andere stijl hadden, moesten zich aanpassen of vertrokken naar Berlijn, Parijs of New York. Op artistiek vlak betekende dit socialistisch realisme een verarming voor de ontwikkeling van de modernistische kunst in Rusland: Malewitsch, Rodschenko, Tatlin en anderen lieten hun constructivistische ideeën varen op verzoek van het regime en voegden zich bij de figuratieve kunstenaars. Dit jaar pronkte de Berlijnse Neue Nationalgalerie met Kunst in der DDR, een zoveelste uiting van ‘ostalgie’ of heimwee naar het verleden bij de Ossi's. De horden bezoekers zagen grotendeels staatskunst die zich schikte naar de DDR-censuur.

Maar een aantal artiesten hielden zich niet aan die oekazes, ze lieten zich inspireren door Picasso en andere westerlingen en ze bedachten technieken om in schijnbaar conventionele schilderijen toch hun echte gevoelens van bittere melancholie, schaamte, verdriet en mislukking te verstoppen en het reële leven en leed van vele DDR-Leute te vertolken. Terug naar de Russische kunst is de catalogus bij de tentoonstelling in de Frankfurtse Schirn Kunsthalle (die nog loopt tot 4 januari 2004). De catalogus overtreft de twee vorige in omvang en gewicht. Het boek begint met een uitvoerig voorwoord, waarin de ontstaansgeschiedenis en het opzet van de tentoonstelling uit de doeken gedaan wordt. De auteurs beschrijven elementen uit de late fase van de Russische avant-garde (Kasimir Malewitsch, 1928-1933), leggen de klemtoon op het socialistisch realisme en tonen aan dat niet iedereen zich hield aan deze officiële ideologie.

Dan volgt een even grondige uiteenzetting over de rol van de utopische massacultuur in de politieke propagandamachine. Lezers kunnen genieten van of glimlachen met kleurenposters van Marx, Engels, Lenin, Stalin, de bouw en voltooiing van de Moskouse metro, de eerste Russische vliegtuigpiloten, Stachanov en andere gespierde helden van de arbeid en andere sportlui. Of posters met oproepen tot de kolchozeboeren om aan sport te doen en niet te klagen, tot de vrouwen om in de fabrieken mee te werken aan de verwezenlijking van de vijfjarenplannen, tot de jeugd om lid te worden van de Komsomol (de enige bestaande jeugdorganisatie), om mee te werken aan de bouw van zeppelins of om piloot te worden. Onderschriften bij vrouwenportretten als ‘zulke vrouwen bestonden vroeger niet en konden ook niet bestaan’ of bij een portret van Stalin als ‘hij bekommert zich om ieder van ons’ beklemtonen de propagandistische doeleinden ervan.

Verder volgt een exposé over het socialistisch realisme dat door Stalin en Gorki tot verplichte doctrine werd uitgeroepen. Men wou een nieuwe mens fabriceren, die beter moest zijn dan zijn voorgangers en zeker dan zijn lotgenoten in de kapitalistische wereld. Bij sommige beelden zoals ‘Arbeider en kolchozboerin’ van Vera Muchina zou je het nog gaan geloven ook: hand in hand gaan ze resoluut elke uitdaging tegemoet. Ook de beeldhouwwerken ademen dezelfde voluntaristische en optimistische sfeer: nergens tranen, nergens armoede, nergens wantoestanden. Het arbeidersparadijs was gerealiseerd. In een klein hoofdstukje zie je enkele westerse kunstenaars, die tussen 1983 en 2002 het socialistisch realisme imiteerden.

In een meer recente periode duiken ook Vitaly Komar en Alexander Melamid op. Zij creëerden in 1972, naar analogie met de Amerikaanse Pop Art, de Sots Art. Dit is een pseudo-afkorting van ‘sotsialistitsjeski art’. Zij durfden het aan de spot te drijven met de tradities van het socialistisch realisme. Hun satirische strekking werd in de Sovjet-Unie tot 1988 niet toegelaten en niet getolereerd. Ze bestond dus uitsluitend illegaal. De kunstenaars werden uit de academie gezet en hun ‘bulldozertentoonstelling’ van 1974 werd op bevel van de overheid platgewalst. Toch exposeerden ze in 1976 nog in New York, maar in 1977 emigreerden ze via Israël naar New York. Je moet wel heel attent zijn om hun ‘nostalgisch socialistisch realisme’ niet te verwarren met de serieus bedoelde schilderijen, te meer omdat ze niet in een apart hoofdstukje staan, maar midden tussen de andere.

Het album eindigt met een zeer uitvoerige chronologie van de Russische kunst tussen 1924 en 1956. De voornaamste literaire en politieke gebeurtenissen zijn erin opgenomen. Bij de jaren 1937 en 1938 staat ook de zuivering onder kunstenaars en Hermitagemedewerkers. Daarna volgen in alfabetische volgorde uitgebreide en interessante biografieën van de besproken kunstenaars en filmregisseurs. Alvast een interessant werk voor al wie interesse heeft in de gewezen Sovjetunie.


Agitation zum Glûck. Sowjetische Kunst der Stalinzeit. Edition Temmer, Bremen, 1993/1994.



Eugen Blume and Roland März, Kunst in der DDR: eine Retrospektive der Nationalgalerie, Neue Nationalgalerie, Berlijn, 2003, 357 p.



Recensie door Jef Abbeel (jef.abbeel@skynet.be)


Boris Groys and Max Hollein, Traumfabrik Kommunismus. Die visuelle Kultur der Stalinzeit / Dream Factory Communism. The visual culture of the Stalin era, Hatje Cantz , Ostfildern, 2003, 465 blz.

Share |

De Arabische Revolutie:

tussen droom en werkelijkheid

Op woensdag 5 april 20.00 uur

Afspraak in De Markten (Oude graanmarkt 5, 1000 Brussel) voor een avond met Koert Debeuf,

schrijver, columnist, directeur van het Tahrir Institute for Middle East Policy Europe en onderzoeker aan de Universiteit van Oxford.

Zijn recentste boek is "Inside the Arab Revolution. Three Years on the Front Line of the Arab Spring".

Koert zal gebaseerd op zijn persoonlijke ervaringen de Arabische Revolutie trachten te kaderen door parallellen te trekken met de Franse Revolutie en door een aantal inzichten te bieden in het Midden Oosten.

Uw aanmeldingsmail aan info@liberales.be geldt als inschrijving.

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be