Het krediet van het credo

boek vrijdag 19 mei 2006

Ger Groot

Laten we met de deur in huis vallen: bestaat God of bestaat hij niet? Het veiligste antwoord luidt: ergens tussen beide mogelijkheden in. Want de ontkenning van de atheïst is al net zo’n bezwering als de bevestiging van de gelovige. Beide zijn eigenlijk een vorm van bidden. God bestaat zolang mensen zich in overgave voor Hem buigen en Zijn Naam met een hoofdletter schrijven.

Zo is er door links lange tijd niet tegenaan gekeken. Het linkse denken begint met een wetenschappelijk gefundeerd atheïsme. Denk aan Marx’ beruchte woord: godsdienst is de opium van het volk. Maar tegenwoordig is links nogal lief voor religie. Diehard marxisten zoals de Internationale Socialisten tonen een verbazende toegeeflijkheid jegens de islam. En in de Socialistische Partij lijkt onder leiding van studentenpastor Huub Oosterhuis zoiets als een bekeringsgolfje te heersen. Anja Meulenbelt is lang niet de enige die haar politieke zendingsdrang in een godsgeloof heeft omgezet.

Hoe moeten we omgaan met die wonderbaarlijke terugkeer van de religie in een cultuur die definitief van God leek te zijn losgeraakt? Natuurlijk is daar de onverwacht massale intocht van de islam in het Westen, die hevige botsingen veroorzaakt met de seculiere cultuur die sinds de sixties vooral in Nederland is gegroeid. Maar dat is niet de enige reden van de huidige crisis van de goddeloosheid. Ook vele autochtonen zoeken naar zingeving, geborgenheid en houvast in een wereld die steeds onzekerder, onvoorspelbaarder en chaotischer wordt.

Daarbij wordt de nieuwe religiositeit ook gevoed door teleurstelling over het vermogen van de wetenschap en de maakbaarheid van de samenleving. Steeds meer mensen realiseren zich dat er ook in het rotsvaste geloof in de wetenschappelijke rede nog religieuze resten schuilen. Als gevolg daarvan bloeien allerlei vormen van vrijzinnigheid op, die zich niet alleen richten tegen traditionele godsdienstige dogma’s, maar ook tegen het verlichte rationalisme en het militante atheïsme dat zich hierop beroept.

De terugkeer van de religie gaat dus gepaard met een diepe ambivalentie. Zij kan zowel leiden tot fundamentalisme als tot relativisme. Er zijn mensen die krampachtig zoeken naar zekerheid, identiteit en bescherming via het geloof in een allesbeheersende en gebiedende God. Maar er zijn er ook die onzekerheid, individualisme en persoonlijke waarden vrijmoedig omarmen, waarbij ‘god’ hooguit de naam is voor een levenswerkelijkheid die zich weliswaar aan ons opdringt, maar waarvoor wij ten allen tijde een eigen verantwoordelijkheid blijven dragen.

In zijn stijlvol geschreven boek Het krediet van het credo probeert filosoof en ‘seculiere katholiek’ Ger Groot iets van die onvermoede hardnekkigheid van de religie te verklaren. Hij verlegt daarbij de aandacht van het credo (de inhoud van wat de gelovige gelooft) naar het krediet: de meerwaarde die de geloofspraktijk aan het leven van de gelovige toevoegt. Geloof bestaat allereerst in wat de gelovige doet, in de ‘gestage ritualiteit’ van de kerkgang, het bidden, het biechten, het laten dopen of besnijden, het trouwen en begraven. De illusie (waarin de gelovige zelf misschien niet gelooft) moet worden gescheiden van de banale alledaagsheid van de letterlijke godsdienst-oefening. Eerst is er de rite, dan pas de mythe. God huist in feite in deze rituelen. God is er, aldus Groot in een bijna marxistische wending, omdat er godsdienst is en niet andersom.

Wat deze rituele geloofshandelingen blootleggen is allereerst het gemeenschaps- en traditiegebonden karakter van de religieuze beleving. God is een naam voor de collectieve, gedeelde leefwereld. En omdat we onze levens maar in zeer beperkte mate kunnen beheersen (dood, ziekte, armoede, geweld) is het tweede kernelement van de religieuze ervaring dat van de transcendentie, van de ‘bovennatuurlijke’ zingeving. We zijn geen meester over onszelf en ons lot; de wereld bestaat uit veel méér dan de betekenis die we er zelf aan geven.

Groot nadert hier dicht tot de opvatting van de Franse socioloog Durkheim. Die komt er kortweg op neer dat de maatschappij zichzelf zonder het te beseffen via de godsdienst als in een spiegel aanbidt. De bovenpersoonlijke werkelijkheid van de gemeenschap en de sociale instituties wordt buiten de individuen geprojecteerd en in een afgodsbeeld gegoten. In de rituele dans rond de totempaal viert de groep zijn eigen morele macht en saamhorigheid, en bindt de afzonderlijke individuen aan het gemeenschapsleven.

Maar die benadering loopt het risico dat men de traditie en de gemeenschap zelf teveel ophemelt en mystificeert. Dat leidt er gemakkelijk toe dat het gevoel niet op zijn plaats te zijn en er niet bij willen horen (afvalligheid, dissidentie, nonconformisme) nauwelijks als positieve ervaringen kunnen worden beleefd. Alle nadruk ligt op eenheid, saamhorigheid en zekerheid, en niet of veel minder op verdeeldheid, twijfel en onzekerheid. De functie van het religieus ritueel is immers dat je je gedachtenloos invoegt in wat anderen van je verwachten. Er is weinig ruimte voor datgene wat in de religie juist altijd een grote rol heeft gespeeld: de grenservaring, de profetische of charismatische pose (‘Er staat geschreven, maar ik zeg U’).

Waarom is er in Groots ‘seculiere katholicisme’ zo weinig plaats voor het protestantisme in zijn letterlijke betekenis? Zijn we alweer vergeten waarom de jaren vijftig zo verstikkend waren, en is het individualistische protest van de jaren zestig totaal achterhaald? Hetzelfde conservatisme is ingebakken in Groots verplaatsing van de aandacht van inhoud naar vorm, van woord naar ritueel gebaar. Het risico hiervan is niet alleen dat de geloofsinhoud buiten schot blijft, maar ook dat de rituele handeling zelf niet langer kritisch kan worden bejegend. Groot vindt het niet relevant of de gebedsinhoud betekenisvol of zelfs maar begrijpelijk is, en merkt monter op: ‘Er valt met gelovigen simpelweg niet te praten’. Maar dat is juist het probleem! Tussen woord en gebaar bestaat in dit opzicht geen principieel verschil. Bidden en buigen vallen samen in dezelfde daad van godvrezende onderwerping: ‘Het woord moet gezegd zoals het lichaam in gebed moet worden gebogen’.

Maar daarmee wordt de onderwerping alleen maar verdubbeld. Men knielt in feite twee keer. De bezwering ‘Allah is groot’ maakt Allah elke keer ietsje groter (of probeert men juist te bezweren wat men heimelijk vreest: dat hij steeds kleiner wordt?). Als Allah de grootste is, groter dan andere goden, kunnen andersgelovigen al gauw als heidenen worden verketterd. Bovendien maakt de gelovige zichzelf door die uitspraak klein. Die zelfverkleining is echter tegelijkertijd een vorm van zelfverheffing. Men wandelt immers in de waarheid, zodat alle andere geloven als vals worden ontmaskerd. Zo kan de grootheid van Allah ook worden ingezet om anderen te kleineren, zo niet een kopje kleiner te maken.

Groot meent dat het godsvertrouwen in werkelijkheid nooit zonder twijfel is. Dat de absolute wijsheid bij God berust, betekent voor de moderne gelovige dat hij die wijsheid zelf juist niet bezit. In zijn ogen bevat de godsdienstige overtuiging een principiële onzekerheid, die ook botst met de almachtige zekerheden van het wetenschappelijke weten. ‘God bestaat’ of ‘Allah weet het beter’ betekent dan ook: wij mensen hebben de waarheid niet in pacht.

Groot onderschrijft daarmee een religieus relativisme dat dicht nadert tot meer seculiere vormen van scepticisme. Maar je kunt je afvragen of die houding wel recht doet aan de massieve zekerheid die orthodoxe gelovigen tentoonspreiden. Het lijkt eerder het wensgeloof van een weldenkende elite, die zijn ‘Reviaanse’ relativeringsvermogen overhaast op het gewone volksgeloof projecteert. Dat betekent dat Groot zijn kritische vermogen ten opzichte van de ‘reëel bestaande’ religie grotendeels uit handen geeft. Hij romantiseert en rechtvaardigt de onderwerping die gestalte krijgt in het religieuze woord en gebaar. Om het met Marx te zeggen: Groot rookt (of slikt) de opium van het volk gezellig mee.

Ook de lijvige bundel van Trouw-redacteur Marcel ten Hooven en ‘politieke theoloog’ Theo de Wit kan worden gelezen als een verdediging van de religie tegen het militante secularisme en atheïsme. De intocht van de islam met zijn ‘premoderne’ trekken heeft een einde gemaakt aan een lange periode van ‘godsvrede’ en een nieuwe cultuurstrijd veroorzaakt. Hoe moet een seculiere democratie omgaan met deze nieuwe religieuze en politieke verdeeldheid? Kan het democratische ethos functioneren zonder het morele fundament van de christelijke religie? Kan en moet de staat optreden als hoogste morele autoriteit?

De meeste auteurs in de bundel lijken die vragen ontkennend te beantwoorden. Zij richten zich tegen het schrikbeeld van een seculier-liberaal staatspaternalisme dat de morele superioriteit van de rede hanteert om alle godsdienst agressief naar de privésfeer te verbannen. In het spoor van de Franse laïcité moet de staat strikt neutraal blijven en het publieke domein vrijwaren van elke uiting van religie. Maar onderdrukking en zelfs terreur liggen op de loer zodra de staat zichzelf gaat beschouwen als de hoogste morele autoriteit en liberale waarden als norm gaat fixeren.

In het merendeel van de bijdragen wordt het liberale secularisme zelf geïnterpreteerd als een nieuwe politieke religie. Uitbanning van religie is een levensbeschouwelijke keuze en dus allesbehalve neutraal. PvdA-coryfee Wöltgens noemt de secularistische staat zelfs een ‘jaloerse god’ die geen andere goden naast zich duldt. Het ‘staatsgeloof van de laïcité’ acht zijn eigen vrijheid belangrijker dan die van alle andere geloven. Als ‘nationale burgerreligie’ is het secularisme volgens hem hard op weg een nieuwe staatskerk te vormen, die alle andere wereldbeschouwingen als ‘onredelijk’ van de publieke discussie uitsluit.

Wat Ten Hooven c.s. effectief laten zien is dat de scheiding tussen kerk en staat, die door radicale liberalen vaak als een onwrikbaar beginsel wordt voorgesteld, tal van historische en institutionele variaties kent en niet per definitie samenvalt met de rigoureuze boedelscheiding van het laïcisme. Er zijn allerlei vormen waarin scheiding tussen kerk en staat wel degelijk kan samengaan met een vermenging van geloof en politiek. In Nederland is die scheiding juist een voorwaarde om de religie een plaats te geven in de publieke sfeer, en de positieve godsdienstvrijheid mogelijk te maken. Zij verhindert immers dat de staat zijn eigen neutraliteit opdringt aan de maatschappij, bijvoorbeeld door de financiering van het bijzonder onderwijs af te schaffen.

Inderdaad bestaat er een verband tussen de privatisering van religie en het streven naar culturele homogeniteit, waarbij een centralistische staat zich (zoals in Frankrijk) verheft tot het symbool van nationale eenheid. Scholen worden dan al snel gerekend tot het neutrale staatsdomein, in plaats van tot de pluriforme samenleving. Die ambitie staat haaks op de Nederlandse traditie waarin een zwakke staat het maatschappelijk middenveld veel ruimte geeft. In de bundel wordt het gedachtengoed van Abraham Kuyer als alternatief aangeprezen, waarin de eenheidsstaat wijkt voor de diversiteit van de klassieke zuilen. Maar langzamerhand weten we toch dat hier het risico aan kleeft van een achterhaalde vorm van multiculturalisme, die onvoldoende kritisch staat tegenover de schaduwzijden van religie (en niet alleen die van de islam).

Religie is de meest uitgesproken en intensieve vorm van collectieve identiteit. De democratie stoelt daarentegen op individualistische waarden, die de persoonlijke autonomie en verantwoordelijkheid stellen boven de rechten van de gemeenschap. Dat individualisme is niet absoluut, zoals radicale liberalen menen, en valt niet samen met een ‘hard’ redelijkheidsgeloof. Het is bijvoorbeeld goed te verenigen met vormen van religieuze vrijzinnigheid die de persoonlijke verantwoordelijkheid in de relatie tot ‘God’ voluit erkennen. Maar zodra de naam van God wordt gegeven aan een gebiedende gemeenschap die de waarheid in pacht heeft, komt religie in botsing met democratie. Een regering die de ‘eigen verantwoordelijkheid’ van zijn burgers werkelijk ernstig neemt, kan daarom geen neutrale, maar moet een vrijzinnige regering zijn.


Recensie door Dick Pels

Ger Groot, Het krediet van het credo. Godsdienst, ongeloof, katholicisme. Amsterdam: SUN, 159 blz.

Links
mailto:d.pels@uva.nl
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be