De grens van de mens

boek vrijdag 17 juni 2011

Peter Paul Verbeek

De soms wezenloze en vaak oeverloze discussies over oorzaken en achtergronden van de schietpartij in Alphen aan den Rijn (op 9 april 2011 waarbij 7 doden en enkele zwaargewonden vielen) laten impliciet het grote belang zien van het recente boek De grens van de mens van de Twentse hoogleraar Filosofie van Mens en Techniek, Peter Paul Verbeek. Het bontst in deze discussie maakte misschien leunstoelfilosoof Paul ter Heyne het in een opiniestuk van 15 april 2011. Het bloedbad van Alphen kwam volgens hem voort uit de individualistische cultuur van ons land en uitwassen daarvan zoals dit drama dienden bestreden te worden door betere opvoeding en meer moraal. Wapens en schietverenigingen hadden er volgens deze in Spanje wonende wijsgeer niets mee te maken.

Ter Heyne viel hier precies in de valkuil die Arnon Grunberg op de voorpagina in zijn korte commentaar op Alphen al direct had gesignaleerd. Grunberg verwees naar de bekende leus van de machtige Amerikaanse National Rifle Organisation: People kill people, not guns. Dit was het antwoord op de slogan ‘Guns kill people’ van groeperingen die in de Verenigde Staten een pleidooi houden om de verkoop van wapens strenger te reguleren. Bij de eerste uitspraak ligt alle nadruk op mensen, op karakter en moraal, bij de tweede op de wapens, de techniek. Met name de Franse technieksocioloog Bruno Latour heeft erop gewezen hoe onvruchtbaar en onzinnig deze tegenstelling is. Sinds het ontstaan van de mensheid zijn volgens hem mensen en techniek aan elkaar gekoppeld. “Niemand heeft ooit technieken op zichzelf gezien en evenmin heeft iemand ooit mensen zonder technieken gezien”. Een vuurwapen zonder mensen is niet veel meer dan rondslingerende rommel, een mens die wil moorden zonder over een wapen te beschikken, komt nooit tot een bloedbad als in Alphen.

In De grens van de mens maakt Verbeek duidelijk dat we in heel veel ethische discussies over nieuwe technologieën mens en techniek nog steeds los van elkaar analyseren, ja zelfs vaak tegenover elkaar stellen. De schitterend gekozen titel De grens van de mens, die op verschillende manieren geïnterpreteerd kan worden, verwijst bijvoorbeeld naar het in de ethiek veel gebruikte begrip ‘grens’. In naam van de mens, van het humane, moeten er dan grenzen worden gesteld aan de opmars van een of andere technologie die men bedreigend acht. Dat deze grenzen in de praktijk voortdurend worden overschreden en dus verplaatst en aangepast moeten worden, wijst er al op hoe hol het ‘tot hier en niet verder’ klinkt.

De andere kant van het dilemma is overigens, zo laat Verbeek zien, even ondoordacht. Wie de techniek alleen maar als een simpel middel beschouwt, dat mensen kunnen inzetten zonder dat zijzelf en hun onderlinge relaties veranderen, komt ook bedrogen uit. Elke nieuwe techniek grijpt in op de manier waarop wij onszelf en de wereld ervaren. De anticonceptiepil heeft onze beleving van seksualiteit beslissend veranderd net zo als de mobiele telefoon een nieuwe ervaring van bereikbaarheid met zich mee heeft gebracht. Dit soort voorbeelden laat zien dat we de relatie tussen mens en techniek steeds als een koppeling, ja vaak zelfs als een versmelting of inlijving moeten beschrijven. Die concrete en specifieke koppelingen en verbindingen moeten we dan in de praktijk onderzoeken in plaats van uit onze leunstoel in algemene zin over de mens of de dingen te filosoferen.

Met deze positie bouwt Verbeek voort op een aantal recente denkers over techniek, die hij beknopt en helder introduceert. Bruno Latour noemde ik al, maar ook de Amerikaanse techniekfilosoof Don Ihde en de dwarse Duitse denker Peter Sloterdijk komen ruimschoots aan bod. Het spannende is dat Verbeek hierbij steeds een stap verder gaat dan de denkers die hij bespreekt. Wanneer je het zo leest, lijkt het steeds of deze stappen logisch en vanzelfsprekend zijn, maar dat kun je alleen gemakkelijk achteraf zeggen. Aan elke nieuw stap liggen veel denkwerk en discussie ten grondslag.

Misschien kan ik dat het beste verduidelijken aan mijn eigen geval. Verbeek was een Twentse collega, die de empirisch gerichte techniekfilosofie die wij daar bedreven, bekwaam voortzet. Maar zoals gezegd, hij corrigeert mij ook en maakt de stap verder die mij niet lukte. Een beroemd en berucht begrip dat ik in het verleden lanceerde, was ‘de moralisering van apparaten’. Met behulp daarvan hield ik een pleidooi om de moraal in de techniek te zoeken en te leggen in plaats van in de bedoelingen van mensen. Bekend voorbeeld hiervan is de verkeersdrempel. Van grote afstand gezien lijken de chauffeurs bij het uitgaan van een school langzaam te rijden vanwege hun ethische betrokkenheid op de overstekende kinderen. Dichterbij gekomen zien we de verkeersdrempels en blijkt het voorzichtige rijgedrag eerder te maken te hebben met bezorgdheid over de schokbrekers van de voertuigen. Waar ligt hier de moraal, bij de mensen, de chauffeurs, of bij de techniek, de verkeersdrempel?

Met mijn ‘moralisering van de apparaten’ kreeg ik de nodige ethici op de kast. Zij vonden mijn concept ronduit belachelijk. Aan dingen kon je geen moraal toeschrijven, die kenden geen bedoelingen of intenties. Deels als denkprikkel bleef ik graag aan mijn term vasthouden, hoewel ik besefte dat hij uiteindelijk onhoudbaar was. Het lukt Verbeek nu om mijn idee te overstijgen door menselijke intentie en intentionaliteit van dingen aan elkaar te koppelen en in een theoretisch model uit te werken. Op dezelfde manier overstijgt Verbeek de concepten en ideeën van Latour, Ihde en Sloterdijk. Op fraaie wijze laat hij hierbij zien dat de techniek niet, zoals het vaak wordt voorgesteld, onze vrijheid bedreigt. Vrijheid is voor de mens nooit een absoluut gegeven, het gaat altijd om vrijheid in situaties, om vrijheid gekoppeld aan technische voorwerpen en omgevingen. Wie de vrijheid ter harte gaat, moet daarom onderzoeken hoe technologische ontwikkelingen kunnen worden ingezet om haar vorm te geven. Een blind en absoluut verzet tegen techniek vergroot in de meeste gevallen allerminst de vrije speelruimte waar wij als mens over beschikken.

In het voetspoor van de Belgische filosoof Gilbert Hottois pleit Verbeek in dit verband voor een interne begeleiding van de techniek in plaats van een morele beoordeling van buiten af. Alleen in een proces van begeleiding kunnen wij op verantwoorde wijze gestalte geven aan de verwevenheid van mens en techniek, waarvan in onze technologische cultuur steeds sterker sprake is. Bij dit soort begeleiding gaat het zowel om een verantwoorde ontwikkeling van technologieën door ingenieurs als om een verantwoord gebruik ervan door consumenten. Dit laatste beroep op de gebruiker krijgt in De grens van de mens een existentiële dimensie door de manier waarop de auteur in verschillende contexten de persoonlijke omgang met echoscopie van zijn vrouw en zichzelf beschrijft.


Recensie door Hans Achterhuis

Deze tekst verscheen in De Volkskrant van 30 mei 2011


Peter Paul Verbeek, De grens van de mens: Over techniek, ethiek en de menselijke natuur. Rotterdam Lemniscaat, 2011, 19.95 euro, 144 p.

Links
mailto:hans.achterhuis@casema.nl
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be