Op de cover van de Saturday Review of Literature van 18 augustus 1945 stond prominent in het midden een citaat uit Oswald Spengler's Der Untergang des Abendlandes: ''Up to now, everyone has been at liberty to hope what he pleased about the future. But henceforward, it will be every man's business to inform himself of what can happen, and what irrespective of personal ideas, hopes, desires, will happen.'' Spengler's boek was uit 1926. De Saturday Review besloot de woorden een plaats te geven op hun cover, een week nadat de Amerikanen een atoombom hadden gegooid op Nagasaki, een bom die op slag 39,000 duizend mensen om het leven bracht. Voor Saturday Review hoofdredacteur Norman Cousins was het aanleiding om in zijn hoofdredactioneel commentaar te stellen dat de moderne mens obsoleet is, een anachronisme, in staat alles te veranderen behalve zichzelf. Cousin, die zijn commentaar later in boekvorm zou publiceren, concludeerde dat de Mens, bewust met een hoofdletter geschreven als verwijzing naar diens absolute essentie, zich in een diepe crisis bevond. Niet alleen een wereldlijke crisis, maar een identiteitscrisis, een ''crisis of man''.

Dat is ook wat Mark Greif's begin dit jaar verschenen The Age of crisis of Man, Thought and fiction in America, 1933-1973 beslaat. Greif, assistent professor literaire studies aan de The New School in New York en mede-oprichter van n+1 magazine beschrijft in zijn boek een intellectueel discours dat opkwam in de jaren dertig, een hoogtepunt bereikte na de oorlog, en vanaf de jaren zestig in diskrediet raakte. De conditie van de Mens werd, met name na de schok en het trauma van de Wereldoorlog, geproblematiseerd; niet zoals dat door de eeuwen heen altijd het geval is geweest, van het Bijbelboek Job tot Kant met zijn vraag Was ist der Mensch?, maar op een nieuwe manier. Het midcentury discours dat Greif beschrijft is een episode in de geschiedenis waarbij het intellectuelen en schrijvers niet zozeer ging om het zoeken naar antwoorden op vraag wat de mens is, maar om het afgeven van een zwaarwegende intentieverklaring: de mens is in crisis; de universele Mens moet weer in ere hersteld worden.

Greif laat met zijn analyse van de midcentury overtuigend zien dat onderwerpen die historici vaak als apart van elkaar beschouwen – totalitarisme, Verlichting, universalisme, existentialisme, mensenrechten, relativisme, Koude Oorlog consensus, technologie, literaire kritiek – in wezen een gemeenschappelijke deler hebben. De Mens werd een 'figuur', iemand die geadresseerd, bekritiseerd, gevormd, moest worden. Het discours vormde zo een fundamentele breuk met de progressieve en pragmatische manier van denken van (grofweg) vóór 1933, die vooral gericht was op het beheersen en verbeteren van zijn omgeving. De filosofie van pragmatist John Dewey vormde hier een belangrijke exponent van.

De terugkeer van de Mens als het centrum van intellectuele vraagstelling werd, voor een belangrijk deel, omlijnd en in de kern geformuleerd door de theoloog Reinhold Niebuhr. Diens The Nature and Destiny of Man (1941-1943) vormt het ''eerste fundamentele meesterwerk'' van het discours. Met als uitgangspunt het beperkte kenvermogen van de mens, stelt Niebuhr dat de erfenis van de Verlichting, de gedachte dat de mens met wetenschap en politieke en sociale hervorming langzaam gestalte zou kunnen geven aan zijn lotsbestemming, een valse is gebleken: ''Man has always been his own most vexing problem. How shall he think of himself? Every affirmation which he make make about his stature, virtue, or place in the cosmos becomes involved in contradictions when fully analysed''. Niet alle beweging is vooruitgang. ''[T]he course of history...has proved the earlier identification of growth and progress to be false''. De mens moet leren flink in te binden; dat is de harde les die de (recente) geschiedenis ons heeft geleerd, zegt Niebuhr.

Het is de Verlichting die in het discours rond de crisis van de Mens, met Niebuhr's The Nature and Destiny of Man als vertrekpunt, een centrale rol speelt. Niet verrassend legden intellectuelen zich toe op wat Greif een ''Re-Enlightenment'' noemt. Re-Enlightenment is niet hetzelfde als een herwaardering van de ideeën van de Verlichting. Integendeel, het is niet veel meer of minder dan het stellen van de vraag wat er over is van het idee van vooruitgang. Uit die vraag vloeien na verloop van tijd ook de vier kenmerken van het discours voort: 1. Of er een er een fundamentele en kenbare menselijke natuur bestaat. 2. Of er in de geschiedenis van de Mens een historische lotsbestemming schuilgaat, en, als dat niet het geval is, er een rehabilitatie van geschiedenis nodig is. 3. Of het mogelijk is om een geloof in een abstractie, een abstracte werkelijkheid, te hebben. 4. Of technologie (in het discours ''techniks'' genoemd) een gevaar vormt voor de Mens, omdat ze zijn natuur mogelijk overtreft of perverteert. Naast Niebuhr waren het ook Max Horkheimer, Theodor Adorno (Dialektik der Aufklärung, 1944), Hannah Arendt, Karl Jaspers, Peter Drucker, en met name Lewis Mumford (The Condition of Man, 1944), die spraken van ''the destructive aspect of progress'' maar op hetzelfde moment pleitten voor ''deep regeneration and renewal''. De ambitie van de intellectuelen straalde ook af op de literaire wereld. De verwachting van schrijvers - toch altijd de meer speelse en persoonlijke onder de denkers - was dat ze zich zouden richten op het vormgeven van de universele mens, de mens zoals hij 'echt' is. Maar Greif laat in het tweede deel van zijn boek - getiteld transmissie - zien dat het tegendeel gebeurde. Ralph Ellison (die ''de innerlijke queeste van een individu om de contouren van zijn eigen 'gezicht' te vinden'' prefereerde boven algemene uitspraken over de Mens), Saul Bellow, Flannery O'Conner, Thomas Pynchon; ze verzetten zich allemaal tegen de gedachte dat de mens geen context behoeft, dat er inderdaad zoiets bestaat als de Mens zonder meer. De breuk met het oude discours werd misschien wel het meest exemplarisch omschreven door Richard Wright, in zijn roman The Outsider uit 1953, waarin protagonist Cross Damon zich op een gegeven moment afvraagt: ''Maybe man is nothing in particular. Maybe that's the terror of it. Man may be anything at all."

De jaren 1968-1973 - een ''big bang'' - luidden de periode in waarin we nog steeds leven. Het eigenaardige humanisme van the ''age of the crisis of man'' begon men benauwd te vinden. De literatuur verraadde al iets van dat ongemak, maar nu verspreidde zich het ook naar een breder filosofisch discours. De jaren zestig, in opmaat naar wat we voor het gemak het anti-humanisme van de jaren zeventig kunnen noemen, stelde: de mens? Welke mens? De mens is niet overal één en dezelfde 'De mens' bestaat niet. Rond 1972 was dat relativisme min of meer gemeengoed geworden. In plaats daarvan volgde logischerwijs wat Greif ''theory'' noemt, de beschrijving en theoretisering van systemen, van machten, organisaties (markt, media enzovoort); alles wat de individuele Mens-vraag ontstijgt, zich juist richt op ''a principled removal of the level of explanation of phenomena from single rational human actors and their explicit self-understandings to sub- and superpersonal aggregations''. De breuk met de discourse of man is compleet.

Greif heeft een boek geschreven dat een zeer weinig voorkomende kwaliteit heeft, en dat is dat het in grote mate origineel is. De wijze waarop Greif de ideeëngeschiedenis van de midcentury aan elkaar weeft is vernieuwend, doorwrocht, en overtuigend. Hij werkte niet voor niets zo'n tien jaar aan het boek. Voor Greif geldt, wat voor iedere schrijver van een uitzonderlijk goed boek geldt: kwaliteit van opinie openbaart zich pas na een lange, solitaire weg van (onvermoeibare) (zelf)studie. Dat Greif tien jaar aan zijn boek gewerkt heeft, bewijst ook zijn zelfverzekerde conclusie. Genadeloos noemt hij het discours van the age of the crisis of man ''vrij leeg'' en maeutisch: het gaat over 'wat we ons moeten afvragen', waar over 'zou moeten worden gesproken' en waar antwoorden op 'zouden moeten worden gegeven', zonder dat die antwoorden zelf volgen, en zonder dat er wezenlijk handvatten worden aangereikt om tot antwoorden te kunnen komen.

Tien jaar studie naar een discours over wat de Mens in essentie is en zou moeten zijn, hebben bij Greif een scepsis en ironie losgemaakt over precies die vraag. Greif's advies aan de lezer luidt: als de vraag ''Wat is de Mens'' zich aandient, trek dan de teugels aan. Elke keer als we ons afvragen wat de mens ''fundamenteel is'', moeten we onszelf corrigeren en simpelweg zeggen: stop. Greif pleit voor lichtvoetig pragmatisme. Probeer de praktische vragen van alledag te beantwoorden, schrijft hij, vragen die zonder megalomane uitspraken over wat de mens is kunnen, betrekking hebben op wat te doen in welke specifieke situatie.

Die conclusie, of waarschuwing, is waardevol. Pragmatisme is het meest waardevol als het zweverigheid en grootspraak weet te corrigeren. Pragmatisme is waardevol als het mensen een tik op de vingers geeft alvorens ze hun zoektocht naar waarheid beginnen. Toch zit er ook een ongemakkelijke kant aan Greif's (veel te korte) conclusie. Hij zegt weliswaar dat we ons niet hoeven te schamen voor het stellen van de vraag ''Wat is de Mens'', maar tegelijkertijd is hij stellig in zijn bewering dat we geen antwoorden moeten verwachten, en dat die er ook eigenlijk niet zijn. Terwijl hij sympathiek staat tegenover het stellen fundamentele vragen, lijkt hij vermoeid te zijn geraakt door de zoektocht naar antwoorden erop. Maar zijn de twee niet onlosmakelijk met elkaar verbonden?

De kritische lezer bespeurt in zijn benadering van het discours zelfs een zekere vijandigheid ten opzichte van filosofische waarheidsvragen en een verlangen naar een antwoord daarop. Greif heeft het over ''hoe onleesbaar [...], hoe vervelend, hoe onbehulpzaam [the discourse of man]'' was. Greif's wantrouwen ten opzichte van abstracties, alle pogingen om definitieve antwoorden te geven op veelomvattende vragen, de ironische afstand die hij bewaart tussen zichzelf en het discours dat hij bestudeert, zijn prijzenswaardig. Hetzelfde geldt voor de grote waarde die hij hecht aan de tastbare en zelfreflectieve werkelijkheid die literatuur ons aanreikt. Maar tegelijkertijd zou zijn kritiek op de vragen die intellectuelen zich in de ''discourse of man'' stelden, de kritiek dat ze vruchteloos en ''onbehulpzaam'' zijn, en vooral historisch interessant zijn, op een lichte scepsis moeten stuiten.

Het stellen van fundamentele vragen reflecteert een gezonde preoccupatie met hoe mensen zouden moeten leven, met betekenis naast alleen praxis. Fundamentele vragen stellen en zoeken naar antwoorden – ook de verwachting koesteren dat er antwoorden mogelijk zijn - impliceert ook de aanwezigheid van een wereldbeeld, en een wereldbeeld kan niet bestaan zonder een opvatting over wat mensen zouden kunnen of moeten zijn; zonder antwoorden op fundamentele vragen dus. Essayist Leon Wieseltier schreef in een essay in the New York Times, Among the disrupted treffend: ''Greif seems not to realize that his own book is a lasting monument to precisely such inquiry, and to its grandeur. “Answer, rather, the practical matters,” he counsels, in accordance with the current pragmatist orthodoxy. “Find the immediate actions necessary to achieve an aim.” But before an aim is achieved, should it not be justified? And the activity of justification may require a ''picture of ourselves''. Don’t just stop. Think harder. Get it right''. Telkens als we ons afvragen wat de mens ''fundamenteel is'', moeten we op onze hoede zijn; maar we moeten niet stoppen met denken of naar antwoorden zoeken. Dat is de mens aan zichzelf verplicht, ook als De Mens niet bestaat.


Recensie door Daniël Boomsma

Mark Greif, The Age of the crisis of Man, Thought and Fiction in America, 1933-1973, Princeton University Press, 2015

Links
mailto:daniel_boomsma@hotmail.com
Share |

De Arabische Revolutie:

tussen droom en werkelijkheid

Op woensdag 5 april 20.00 uur

Afspraak in De Markten (Oude graanmarkt 5, 1000 Brussel) voor een avond met Koert Debeuf,

schrijver, columnist, directeur van het Tahrir Institute for Middle East Policy Europe en onderzoeker aan de Universiteit van Oxford.

Zijn recentste boek is "Inside the Arab Revolution. Three Years on the Front Line of the Arab Spring".

Koert zal gebaseerd op zijn persoonlijke ervaringen de Arabische Revolutie trachten te kaderen door parallellen te trekken met de Franse Revolutie en door een aantal inzichten te bieden in het Midden Oosten.

Uw aanmeldingsmail aan info@liberales.be geldt als inschrijving.

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be