Een kleine geschiedenis van de wereld

boek vrijdag 03 februari 2012

EH Gombrich

Wie is er in staat om de geschiedenis van de wereld samen te vatten in één boek? De geschiedenis is een aaneenschakelijking van gebeurtenissen die binnen een bepaalde tijdspanne plaatsvonden. Voor een overzicht van de belangrijkste gebeurtenissen kan men natuurlijk terecht in een encyclopedie en tegenwoordig op Wikipedia op het internet. Maar de informatie is zo overweldigend dat bijna niemand het geheel nog kan bevatten, laat staan die echt kennen. Toch was er een auteur die een poging deed om de belangrijkste gebeurtenissen uit de wereldgeschiedenis op een bevattelijke manier samen te voegen en te publiceren. Het betrof de Joods-Oostenrijks-Hongaarse schrijver EH Gombrich die in 1909 geboren werd in Wenen en er goed bevriend was met Karl Popper en Friedrich Hayek. Hij studeerde af als doctor in de kunstgeschiedenis en kreeg in 1935 de vraag om de wereldgeschiedenis te schrijven voor een jeugdig publiek. Op zes weken tijd schreef hij toen zijn bekende werk Eine kurze Weltgeschichte für junge Leser dat onmiddellijk een bestseller werd in Duitsland en Oostenrijk. Maar al snel werd het boek door de nazi’s verboden, niet om antisemitische redenen, maar omdat het te pacifistisch werd bevonden. In 1936 zag hij zich gedwongen naar Engeland te emigreren en werd onderzoeksassistent aan het Warburg Instituut in Londen.

Pas tegen het einde van zijn leven in 2001 besloot hij het boek in het Engels te publiceren. Sindsdien is het een wereldwijd succes met uitgaven in meer dan 20 talen. Het succes van het boek ligt niet alleen in de bondigheid maar vooral in zijn persoonlijke visie over de oorlogen, de kunstwerken en de wetenschappelijke ontdekkingen die in de loop van de eeuwen de ijkpunten van onze geschiedenis werden. Uiteraard is het bijzonder moeilijk om een boek dat op zich al een korte samenvatting is van vele duizenden jaren geschiedenis op een behoorlijke manier te recenseren. Elke bespreking zou tekort doen aan de samenhang van het boek, dat op zich al een samenvatting is van eeuwenlang menselijk handelen. Natuurlijk kan men kritiek leveren op Gombrich’s keuze over de thema’s die aan bod komen, of die juist niet werden besproken. Maar al wie wat van de geschiedenis afweet, zal moeten erkennen dat het een klein meesterwerk is dat bijzonder nuttig is voor elke jongere die wat basiskennis wil opdoen over de evolutie van de mensheid.

Die evolutie was er vooral een van oorlog en geweld, waarbij religie heel vaak de oorzaak was, zeker vanaf de periode van de opmars van de monotheïstische godsdiensten met hun universalistische aspiraties. Ook voor die periode geloofden mensen in bovennatuurlijke krachten en wezens, maar dan altijd in de vorm van meerdere goden aan wie diverse kwaliteiten en eigenschappen werden toegedicht. Gombrich toont daarbij goed aan dat de menselijke moraal niet gebaseerd werd op een of andere God, maar dat het een product is van de menselijke samenleving. Neem bijvoorbeeld het oude Egypte waar de mensen langs de vruchtbare Nijl woonden. Om handel te kunnen drijven namen ze een aantal regels aan die door de farao’s werden opgelegd en afgedwongen. Zo staan in de Egyptische dodenrollen de plichten zoals ‘gij zult de graanmaat niet vervalsen’ en ‘gij zult de gewichten niet vervalsen’. Een ander voorbeeld is het wetboek van Hammoerabi uit 1700 voor Christus dat door de Babyloniërs werd opgesteld en nageleefd.

Dat betekent natuurlijk niet dat er toen geen geweld werd gepleegd, maar het toont wel aan dat een moraal niet hoeft te steunen op een God. Pas vanaf het jodendom , het christendom en later de islam werd hoofdzakelijk gemoord en geplunderd in naam van God, en probeerde men andersgelovigen, afvalligen en ongelovigen het zwijgen op te leggen, figuurlijk, maar meestal ook letterlijk. Eerst werden de christenen nog vervolgd, maar onder Constantijn kwam daar een einde aan en later werd het christendom staatsgodsdienst. Vanaf dan begon de kerk andersdenkenen op een gruwelijke manier te vervolgen. In het Oosten stond in de zevende eeuw Mohammed op en noemde zijn leer de islam. ‘Hij verklaarde dat zijn aanhangers voor die leer moesten strijden en zegevieren, en dat het geen zonde was om ongelovigen, die hem niet als profeet erkenden, te doden. Ook zei hij dat dappere krijgers die voor het geloof, voor Allah en voor de Profeet omkomen in de strijd, meteen in het paradijs zouden komen’, schrijft Gombrich. Daar zal hij zeker aan gedacht hebben bij de aanslagen van 9 september 2001, want hijzelf leefde nog tot 3 november van dat jaar. Zo verwijst hij ook naar de inbrandsteking van de bibliotheek van Alexandrië die hij toeschrijft aan kalief Omar, hoewel dat historisch niet helemaal zeker is. Het kan ook op bevel van keizer Theodosius zijn geweest die in 394 het christendom tot staatsgodsdienst maakte en het bevel gaf om alle heidense tempels en bibliotheken in het Romeinse Rijk te vernietigen. In elk geval ging het om een van de eerste duidelijke voorbeelden waartoe godsdienstwaanzin kan leiden.

Gombrich vervolgt zijn kleine geschiedenis van de wereld met de kruistochten waarbij de christelijke strijders niet alleen de moslims en Joden over de kling joegen, maar ook de orthodoxe christenen in Byzantium. Hij verwijst naar het enorme antisemitisme in het christendom waarover de historicus Hebeis het volgende schreef: ‘Het uit oeroude middeleeuwse ideeën ontstane en door de Kerk naar de 20ste eeuw meegebrachte anti-judaïsme mengde zich aan het einde van de 19de eeuw met moderne ideeën en werd de voorloper van het antisemitisme en bijgevolg de aanloop voor de Shoah’. Gombrich heeft het ook over de inquisitie, de talloze moorden die werden begaan op zogenaamde ketters, en de absurde heksenvervolgingen. Hij staat stil bij de genocide op de indianen na de ontdekking van Amerika door Columbus. Dat de kerkleiders dit nog altijd niet beseffen blijkt uit een opmerkelijke uitspraak van paus Benedictus XVI in 2007 op een vergadering van Latijns-Amerikaanse bisschoppen dat de indianen lang onwetend waren maar uiteindelijk Christus als hun verlosser zagen ‘naar wie zij in stilte hunkerden’. Daarmee ging hij voorbij aan een van de gruwelijkste gebeurtenissen in de geschiedenis waarbij miljoenen mensen werden afgemaakt en anderen onder bedreiging werden bekeerd in naam van God. Wie een bezoek brengt aan het Museo dell Tortura in Lima (Peru) zal vaststellen hoe vreselijk de inquisitie er heeft huisgehouden. Gombrich besefte dat wel. ‘Dit hoofdstuk in de geschiedenis van de mensheid is zo afschuwelijk en beschamend voor ons, de Europeanen, dat ik er liever niet over spreek’, zo schrijft hij.

Intussen hadden de protestanten zich afgescheurd van Rome, maar ook daar ging het bloedvergieten voor het geloof door. Ketters werden verbrand, en de opstandige boeren die hun hoop gevestigd hadden op Luther en de zijnen, werden door hemzelf veroordeeld en massaal vermoord. Heel wat protestantse kerkleiders waren de grootste medestanders van het nazi-regime en keurden de jodenvervolging zelfs goed. Het is maar een kleine greep uit de gruweldaden die in naam van een geloof zijn gebeurd. Soms beweert men dat ook goddeloze mensen tot gruwelijke zaken in staat zijn, waarbij ze verwijzen naar de Franse Revolutie, het communisme en Hitler. Maar ze vergeten dat het in elk van die gevallen om vormen van ‘erzatz-religionen’ ging, met eigen onfeilbare leiders, onbetwistbaar boeken en martelaren voor de ‘goede’ zaak. De Franse Revolutie was niet atheïstisch. Artikel I van het Decreet van 18 floréal an II (7 mei 1794) erkent “l’existence de l’être suprême et de l’immortalité de l’âme” en boven de ingang ven de kerk van Saint-Sulpice in Parijs, die ten tijde van de revolutie werd omgevormd tot een tempel van de rede, staat nu nog de tekst van dat decreet. Robespierre was geen atheïst en had het in zijn toespraken vaak over het ‘Opperwezen’. En zo was het ook met Stalin en Hitler. Ze beschouwden zichzelf als God op aarde.

Toch was het in de loop van de geschiedenis niet allemaal kommer en kwel. In de oudheid, later in de Renaissance en zeker vanaf de Verlichting, heeft de rede het vaak gehaald van het onderdrukkende geloof. In die periodes werden tal van prachtige zaken uitgevonden en ontwikkeld. Denk aan de filosofie, de vele kunstwerken, de vele uitvindingen. De wetenschap heeft de mens nieuwe inzichten verschaft en middelen tegen ziektes en aandoeningen. De mensheid is er ondanks alles op vooruit gegaan, ook op ethisch vlak. Het recht op zelfbeschikking maakte dat mensen zelf hun lot in eigen handen konden nemen en hun geluk zelf konden zoeken. Dat betekent niet dat er sinds de Verlichting geen geweld meer werd gebruikt. De twintigste eeuw was met het nationalisme, het communisme, het fascisme en de theocratie (denk aan Khomeini) de meest gruwelijke uit de geschiedenis. Maar na de Tweede Wereldoorlog werd ook de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens uitgevaardigd en werd het Internationaal Strafhof in Den Haag opgericht. Allemaal kleine stapjes op weg naar Kants Zum Ewigen Friede. Maar Gombrich kan niet voorbij die donkere eeuw.

In zijn slot bespreekt hij de vreselijke gevolgen van de Eerste Wereldoorlog, en hij beseft hoe dicht de wereld bij een nieuw drama staat – hij schreef zijn boek op het ogenblik dat de nazi’s de macht hadden gegrepen. ‘Ik had het destijds niet in de gaten. Onder de overwonnen volken heerste de algemene overtuiging dat ze door een list in het verderf waren gestort,’ schrijft hij. En dat was net wat Hitler deed: de Joden de schuld geven voor de nederlaag in 1918 en op die manier het volk mentaal klaarmaken voor de Endlösung der Judenfrage. De auteur had het gelukkig aangevoeld en kon op tijd naar Engeland vertrekken, enkele maanden voor de nazi’s Oostenrijk zouden annexeren. Toch eindigt Gombrich nog hoopvol. Dat kwam ondermeer door de val van de Berlijnse Muur in 1989 en het daaruit voortvloeiende optimisme. Zelf stelde hij zijn hoop vooral op de nieuwe en betere communicatiemiddelen die meer appèl zullen doen op het geweten van de rijke mensen om de anderen te helpen. Misschien is de Arabische Lente daar een voorbeeld van, al moet er niet veel gebeuren voordat het religieus obscurantisme opnieuw de bovenhand haalt en net zoals in het verleden miljoenen mensen ketent, onderdrukt en elimineert.


Recensie door Dirk Verhofstadt

EH Gombrich, Een kleine geschiedenis van de wereld, Bert Bakker, 2010

Links
mailto:verhofstadt.dirk@pandora.be
Share |

De Arabische Revolutie:

tussen droom en werkelijkheid

Op woensdag 5 april 20.00 uur

Afspraak in De Markten (Oude graanmarkt 5, 1000 Brussel) voor een avond met Koert Debeuf,

schrijver, columnist, directeur van het Tahrir Institute for Middle East Policy Europe en onderzoeker aan de Universiteit van Oxford.

Zijn recentste boek is "Inside the Arab Revolution. Three Years on the Front Line of the Arab Spring".

Koert zal gebaseerd op zijn persoonlijke ervaringen de Arabische Revolutie trachten te kaderen door parallellen te trekken met de Franse Revolutie en door een aantal inzichten te bieden in het Midden Oosten.

Uw aanmeldingsmail aan info@liberales.be geldt als inschrijving.

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be