Een morele afrekening

boek vrijdag 05 oktober 2007

Daniel Jonah Goldhagen

In 1994 publiceerde Harvard-politicoloog Daniel Jonah Goldhagen zijn ophefmakende boek Hitlers gewillige beulen. Zijn stelling dat zowat alle Duitsers mededaders waren aan de vernietiging van de joden en aldus mee verantwoordelijkheid droegen, schokte velen. Traditionele verklaringen voor de gruwel van de holocaust vertrekken doorgaans vanuit een raciaal antisemitisme dat beperkt blijft tot de kaders van de NSDAP, lees bijvoorbeeld het boek Hitlers religie van de historicus Michael Hesemann. De SS zou gewone burgers hebben gedwongen om mee te helpen, mensen waren als bureaucratische tandwielen in een goed geoliede machine maar die elk op zich niet wisten wat er gebeurde (Wir haben es nicht gewußt), ze luisterden blindelings naar bevelen (Befehl ist Befehl), en de Kerk en de paus zouden bewust gezwegen hebben teneinde groter kwaad te voorkomen (ad maiora mala vitanda). Volgens Goldhagen klopt dit allemaal niet. Zijn boek vertrekt vanuit een theoretische situatieschets van de opgang van het antisemitisme in de Duitse samenleving lang voor de 20ste eeuw. Het toont aan dat gedurende gans de geschiedenis een latent antisemitisme aanwezig was in de Duitse samenleving dat met regelmatige tussenpozen gewelddadige vormen aannam. Lang voor er van Hitler of het nazisme sprake was, was de Duitse maatschappij doordrongen van antisemitisme.

In zijn boek Een morele afrekening gaat Goldhagen verder in op de rol van de katholieke kerk in de Holocaust en haar onvervulde plicht tot herstel. Voordien reeds werd de dubbelzinnige rol van paus Pius XII belicht, denk aan het onthullende boek Hitlers paus van John Cornwell. Goldhagen verbreedt evenwel de discussie die zich volgens hem tot nu toe te veel concentreerde op de rol van de paus tijdens de oorlogsjaren. Hij heeft het over het christendom zelf, de inhoud van haar heilige teksten, de opeenvolgende encyclieken, de rol van diverse pausen – die van Pius XI en Pius XII in het bijzonder, de houding van de meerderheid van de bisschoppen, priesters en de gelovigen, maar ook die van de leiders en leden van protestantse Kerken die alle doordrongen waren van een virulent antisemitisme. De joden zijn in de ogen van de christenen de moordenaars van God en zijn daarom allemaal vervloekt tot in de eeuwigheid. Bladzijde na bladzijde toont de auteur aan dat de betrokkenheid van de Kerk en de paus bij de vervolging van de joden veel verder gaat dan tot nu toe werd aangenomen. Zo waren de kerkleiders volledig op de hoogte van de vervolgingen en de massale uitroeiing. Desondanks spraken zij zich er niet tegen uit en deden ook niets om verzet ertegen aan te moedigen. Meer nog, op cruciale ogenblikken ondersteunden ze de nazi-politiek en waren er zelfs geestelijken die actief deelnamen aan de massamoord.

‘Eeuwenlang, en het meest catastrofaal in de twintigste eeuw, is het antisemitisme een bindende kracht geweest, Europa’s gemeenschappelijke haat die zelfs werd gedeeld door volkeren en groepen die elkaar vijandig gezind waren’, schrijft Goldhagen en hij verwijst naar voorbeelden van grootschalige moordpartijen op joden in diverse landen. Zo vermoordden Duitsers van 1348 tot 1350 zowat alle joden op hun grondgebied ‘waardoor Duitsland bijna judenrein (jodenvrij) werd’. Zelfs in de twee jaar na de Tweede Wereldoorlog werden in Polen nog vijftienhonderd joden vermoord. De voornaamste oorzaak was de leer en de liturgie van de katholieke kerk die de joden steevast voorstelde als de dienaren van de duivel, een voorstelling van zaken die tot op de dag van vandaag het antisemitisch ressentiment onder katholieken in tal van landen blijft voeden. Het was natuurlijk niet de kerk zelf die de Holocaust uitvoerde, maar ze was er volgens de auteur een noodzakelijke voorwaarde toe. De katholieke kerk was de eerste officiële instantie die met de goedkeuring van het Concordaat met de Duitsers zorgde voor een feitelijke legitimatie voor de machtsgreep van Hitler. Daarin ging ze immers akkoord met de opheffing van de democratische katholieke centrumpartij en dus met de vernietiging van de democratie in Duitsland. Blijkbaar zag de Kerk in het nazisme een bondgenoot tegen het Sovjetcommunisme. Het Concordaat betekende het begin van een sinistere politiek van de Kerk en de paus tegenover de joden.

Al jaren probeert het Vaticaan de houding van de Kerk en van Pius XII voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog te verantwoorden en zelfs goed te keuren. Daarbij verwijst ze steevast naar de encycliek Mit brennender Sorge als een veroordeling van het nazisme. In feite ging het over een protest tegen enkele overtredingen van het Concordaat die de belangen van de katholieke kerk schonden. Nergens is er sprake van een veroordeling van het nationaal-socialisme en nergens kwam het lot van de joden aan bod. Dat de Paus zou gezwegen hebben omdat dit het lot van de joden alleen maar zou verslechterd hebben, noemt Goldhagen ‘klinkklare onzin’ en daarvoor brengt hij heel wat bezwarende feiten aan. Zo verwijst hij naar het protest van de Deense lutherse Staatskerk die in oktober 1943 openlijk in opstand kwam tegen de jodenwetten en die met het oog op een zekere deportatie al haar joden in veiligheid bracht door ze stiekem per boot af te voeren naar Zweden. Pius XII wist dat, maar zweeg zelf toen voor zijn neus in Rome twee weken later meer dan duizend joden werden opgepakt en gedeporteerd naar de gaskamers. Zelfs na de bevrijding van Rome in juni 1944 – toen de paus volkomen veilig was – weigerde hij te protesteren tegen de deportatie van de joden uit Triëst, en dit ondanks smeekbedes van de plaatselijke bisschop. De Kerk en de paus zwegen, erger nog ze werkten mee.

Zo zweeg de kardinaal-staatssecretaris Pacelli en latere paus Pius XII niet alleen toen de Neurenbergse rassenwetten werden afgekondigd die de joden tot Untermenschen degradeerde en die het begin vormde van de Endlösung. De Kerk (ook de protestantse trouwens) stelde bovendien haar bevolkingsregisters open voor de nazi’s, zodat die konden nagaan in hoeverre de voorouders van burgers joods waren. Dit was cruciaal om de rassenpolitiek en later de Holocaust mogelijk te maken. ‘In januari 1936 sprak het Klerusblatt – het officiële orgaan van de Beierse priesters – zijn goedkeuring uit over de net aangenomen Neurenberger wetten en stelde dat de rassenwetten maatregelen waren om “het Duitse bloed te bewaren en te verjongen” alsook om “de joden als houders van burgerlijke en politieke rechten te elimineren”.’ Goldhagen maakt melding van honderden Duitse priesters, met aan het hoofd de katholieke militaire bisschop Rarkowski (een overtuigde nazi) die in het leger in Oost-Eropa dienden en dus ‘midden tussen de moordoperaties in zaten, missen opdroegen voor en de biecht hoorden van moordenaars’, en groepsabsolutie gaven aan de soldaten. Of wat gedacht van de Slowaakse president Tiso, een priester die actief meewerkte aan de massamoord op joden, van de Litouwse Kerk die openlijk collaboreerde, van Kroatische priesters die persoonlijk deelnamen aan de massamoorden. Pius XII ondersteunde de moordende regimes in die landen.

Verschillende kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders zoals de kardinalen Adolf Bertram, Michael Faulhaber, Theodor Innitzer, Ludwig Muller, Conrad Gröber, Lorens Jäger, Alois Hadal en anderen werkten samen met de nazi’s en droegen met hun openlijke antisemitisme bij tot de Endlösung. In maart 1941 gaf aartsbisschop Conrad Gröber nog een herderlijk schrijven uit waarin hij de joden beschuldigde van de moord op Jezus en derhalve de eliminatiepolitiek van de nazi’s rechtvaardigde. En toen de Endlösung volop bezig was, schreef Adolf Bertram, zowat de leidende kardinaal van de Duitse Kerk, aan de nazi-leiders over ‘de schadelijke joodse invloeden op de Duitse cultuur en nationale belangen’. De auteur geeft nog tal van voorbeelden van kerkleiders in Italië, Polen, Kroatië, Sarajevo, Hongarije en Slovenië die de rassenwetten en de eliminatie van de joden goedkeurden. Natuurlijk waren er ook bisschoppen en priesters die protesteerden en joden hielpen, maar ze deden dit op eigen initiatief en tegen het officiële beleid van de Kerk in. En er waren verzetsdaden van Hans en Sophie Scholl die vanuit hun christelijke overtuiging in opstand kwamen (en dit met de dood bekochten). Maar daartegenover staat een enorme bewijslast tegen de Kerk, paus Pius XII en tal van bisschoppen en priesters die hen niet kan vrijpleiten ‘van hun vele ontegenzeglijk schadelijke doen en laten, en uiteindelijk van hun zware morele schuld aan de slachting van de joden door de Duitsers en hun handlangers’, aldus Goldhagen waaruit hij besluit dat de Kerk een grote morele en politieke schuld heeft die moet worden ingelost.

De morele schuld is duidelijk. Ondanks haar enorme morele gezag weigerde de Kerk en de paus openlijk de uitroeiing van de joden aan te klagen. Meer nog, door haar verbeten antisemitisme ondersteunde ze in feite de criminele handelingen van de nazi’s. Ook de politieke medeschuld staat vast omdat ze valse beschuldigingen uitte tegenover de joden als de ‘moordenaars van God’. De agressieoorlog die de Duitsers vanaf 1939 voerden en die door het Internationaal Hof in Neurenberg bestempeld werd als een misdaad, werd door de Kerk openlijk gesteund. ‘Twee weken nadat Duitsland de Tweede Wereldoorlog begon door Polen binnen te vallen, deden de Duitse bisschoppen een gezamenlijk herderlijk schrijven uitgaan waarin zij hun geloof verwoorden in de juistheid van deze agressieve oorlog die diende om Lebensraum te veroveren’, schrijft Goldhagen. Nog schrijnender is dat in januari 1945, toen de nederlaag voor het nazi-regime onafwendbaar was, de joden in de concentratiekampen met tienduizenden crepeerden en talloze gelovige burgers in platgebombardeerde steden in de diepste misère zaten, aartsbisschop Lorenz Jäger van Paderborn de katholieken aanmaande om door te vechten tegen ‘het liberalisme en individualisme enerzijds, en het collectivisme anderzijds’. En na de oorlog gaf kardinaal Bertram de opdracht aan alle kerken van zijn aartsbisdom om een requiemmis uit te voeren ‘ter herinnering aan de Führer’. Het openlijke antisemitisme van de katholieke kerk en ook van de protestantse evangelische leiders boden het motief voor heel wat misdadigers.

Toen de eindoverwinning van de geallieerden vaststond, probeerde de Kerk de schade te beperken, maar zelfs daarna bleef haar rol bijzonder schimmig en dubieus. Paus Pius XII heeft na de oorlog geen enkele massamoordenaar van joden geëxcommuniceerd. In de dertien jaar van zijn leven na de oorlog heeft hij de Endlösung nooit openbaar veroordeeld en dit in tegenstelling tot alle protestantse kerken die in 1948 het antisemitisme tot een zonde verklaarden. Bisschoppen zoals Alois Hadal zorgden ervoor dat de grootste criminelen zoals Adolf Eichmann, Franz Stangl, Klaus Barbie en Josef Mengele onder protectie van de Kerk konden ontsnappen. Goldhagen toont aan dat de katholieke kerk tot vandaag weigert om rekenschap af te leggen voor haar houding voor en tijdens de oorlog. In 1999 werd een commissie opgericht bestaande uit drie katholieke en drie joodse historici. Hun vraag tot inzage in de archieven van het Vaticaan werd geweigerd waarop de commissie haar werk moest staken. Wat heeft de Kerk te verbergen? Waarom mogen historici geen kennis nemen van documenten over feiten die zich meer dan een halve eeuw voordien hebben afgespeeld? De enige plausibele uitleg is dat de inhoud ervan de kern van haar misdadige houding zou blootleggen, namelijk een genadeloos antisemitisme als motor van een godsdienst die, net als de islam, uit is op bekering, verovering en macht.

Het leidt Goldhagen tot de conclusie dat de katholieke Kerk een plicht heeft tot schadevergoeding. Net zoals West Duitsland en tal van grote commerciële bedrijven die profiteerden van joodse dwangarbeiders, heeft de katholieke Kerk geprofiteerd van de vernietiging van de joden en moet het op een of andere manier zijn slachtoffers vergoeden.. De auteur verwijst ondermeer naar ‘het goud dat Kroatische massamoordenaars hebben gestolen van hun joodse en Servische slachtoffers en meebrachten naar het Vaticaan toen de Kerk hen daar een heenkomen bood’. Belangrijker voor hem is de morele schadevergoeding die erin zou bestaan dat de Kerk een openbaar mea culpa slaat, oprecht berouw toont, het onrecht dat het de joden heeft aangedaan in de mate van het mogelijke ongedaan zou maken en, het belangrijkste, zichzelf zou hervormen en zuiveren van het antisemitisme.

Wat de eerste twee elementen betreft zijn er precedenten: de Franse bisschoppen hebben in 1997 een ‘Verklaring van berouw’ uitgegeven waarin zij letterlijk schreven: ‘Wij vragen God om vergeving en wij vragen het joodse volk om onze woorden van berouw aan te horen’. Een jaar later deed de Oostenrijkse evangelische Kerk een publieke schuldbekentenis: ‘Niet alleen individuele christenen maar ook onze Kerken delen in de schuld aan de holocaust/shoah’. Waarom deden de pausen dat niet? Waarom blijft ook de nieuwe paus Benedictus XII, ooit lid van de Hitlerjugend (het is al opvallend dat sinds 1939 alle Duitse seminaristen verplicht waren daarbij aan te sluiten, iets waar de Kerk geen bezwaar tegen had) en aldus beter dan wie ook weet heeft van de gruwelijkheden die in naam van God zijn gebeurd ten aanzien van de joden, doofstom? Goldhagen geeft zelf het antwoord. Als de paus als hoofd van de katholieke Kerk haar schuld zou toegeven, dan doorbreekt ze haar dogma van de onfeilbaarheid van de paus. Daarbij zit de Kerk met het probleem dat haar ‘heilige boeken’ vol staan met antisemitische uitspraken en dat een afwijzing ervan de ‘waarheid’ van de Bijbel op de helling zou zetten.

Goldhagen hamert er voortdurend op dat hij geen antikatholiek is. Zijn ‘morele afrekening’ is gebaseerd op de christelijke principes van schuldbesef, berouw en boetedoening. Centraal staat het vijfde gebod ‘Gij zult niet doden’. Dat gebod heeft de Kerk indirect maar substantieel overtreden door haar stilzwijgen en zelfs openlijke steun aan de judeocide. Zijn oproep tot de Kerk om het zwijgen te doorbreken is urgent, zeker nu het antisemitisme opnieuw de kop opsteekt, zoals vandaag in Polen. Er blijft maar één optie open: net zoals de toenmalige rijkskanselier Willy Brandt een openlijke knieval deed voor het monument van de slachtoffers in het getto van Warschau, zou ook de paus dit moeten doen. Dit uitzonderlijke gebaar van Willy Brandt was meer dan symbolisch. Het betekende de erkenning van het principe dat alle mensen, tot welk volk, ras, geloof of nationaliteit ze ook behoren, gelijkwaardig zijn en de erkenning dat dit in het verleden door zijn Duitse landgenoten op een vreselijke manier miskend werd. Deze knieval was niet alleen een verontschuldiging voor de morele schuld van het Duitse volk tegenover de joden, maar nog meer een uiting van beschaafdheid en erkenning van de gelijkwaardigheid van elke mens. Het is de morele plicht van de paus, de kerkleiders en zelfs van alle katholieke gelovigen die bewust deel uitmaken van de katholieke kerk om eenzelfde daad van menselijke waardigheid te betonen.


Recensie door Dirk Verhofstadt

Daniel Jonah Goldhagen, Een morele afrekening, Manteau/De Bezige Bij, 2002, 382 blz.

Links
mailto:verhofstadt.dirk@pandora.be
Share |

De Arabische Revolutie:

tussen droom en werkelijkheid

Op woensdag 5 april 20.00 uur

Afspraak in De Markten (Oude graanmarkt 5, 1000 Brussel) voor een avond met Koert Debeuf,

schrijver, columnist, directeur van het Tahrir Institute for Middle East Policy Europe en onderzoeker aan de Universiteit van Oxford.

Zijn recentste boek is "Inside the Arab Revolution. Three Years on the Front Line of the Arab Spring".

Koert zal gebaseerd op zijn persoonlijke ervaringen de Arabische Revolutie trachten te kaderen door parallellen te trekken met de Franse Revolutie en door een aantal inzichten te bieden in het Midden Oosten.

Uw aanmeldingsmail aan info@liberales.be geldt als inschrijving.

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be