Tante Roosje, het oorlogsgeheim van mijn familie

boek vrijdag 24 juni 2011

Paul Glaser

Over de Holocaust verschenen reeds talloze boeken, en met de regelmaat van een klok komen er nog nieuwe publicaties in de handel. Dat hoeft niet te verwonderen want de Endlösung der Judenfrage was de ergste misdaad die ooit in de geschiedenis heeft plaatsgegrepen. Zes miljoen Joden werden toen in enkele jaren tijd vermoord door een van de meest beschaafde volkeren in de wereld. De Duitsers die tot de meest beschaafde volkeren in de wereld werden gerekend, zwegen toen hun leiders de Joden begonnen te discrimineren, te vervolgen en te vermoorden. De meeste van die boeken, fictie en non-fictie, beschrijven doorgaans zakelijk hoe de Joden eerst werden gediscrimineerd, onderdrukt, vervolgd, gedeporteerd en tenslotte systematisch vernietigd. De meest indrukwekkende en aangrijpende boeken over dit thema zijn evenwel de persoonlijke getuigenissen van mensen die de Holocaust zelf aan de lijve ondervonden hebben, denk aan Primo Levi met zijn klassieker Is dit een mens?, Marcel Reich Ranicki in zijn autobiografie Mijn leven en Béla Zsolt met zijn levensverhaal onder de titel Negen koffers. Het zijn natuurlijk enkel getuigenissen vanuit het gezichtspunt van één enkele persoon, maar dat maakt het voor de lezer vaak veel duidelijker dan de vaak abstracte feiten over aantallen gedeporteerde en vermoorde mensen, over de algemene levensomstandigheden in de kampen en de uit tweede hand beschreven vernietiging van zoveel levens.

Zo’n bijzonder aangrijpende getuigenis lezen we ook in Tante Roosje van Paul Glaser, een man die tot zijn vijftigste niet wist dat hij Joodse voorouders had en daar enkel door een groot toeval achterkwam. Toen hij voor zijn werk enkele dagen in Krakau vertoefde, bezocht hij het beruchte concentratiekamp Auschwitz-Birkenau. In het hoofdgebouw is er een permanente tentoonstelling van de manier waarop de Joden naar het kamp werden afgevoerd en hoe ze werden vermoord. In één van de zalen ligt achter glas een enorme stapels afgeknipte haren, brillen, prothesen, eetgrief en koffers waarop de naam van de eigenaar en het land van herkomst staat. De Joden die vanuit diverse landen naar het kamp werden aangevoerd kregen te horen dat ze in het Oosten arbeid zouden moeten verrichten en dat ze daarom een koffer met kledij en persoonlijke spullen moesten meenemen. Eenmaal in het kamp werden de gedeporteerden geselecteerd en ontdaan van al hun bezittingen. De meeste onder hen werden onmiddellijk vergast, anderen moesten onder vreselijke omstandigheden dwangarbeid verrichten tot ze van uitputting of ziekte stierven. De inhoud van de koffers werd door een speciaal commando uitgepakt, gesorteerd en voor zover bruikbaar, teruggestuurd naar het Derde Rijk. Glaser zag op een koffer zijn eigen achternaam en de vermelding Nederland. Het bezorgde hem een schok waarna hij op zoek ging naar het oorlogsgeheim van zijn familie.

Navraag bij zijn vader levert niets op. Die weigert immers om één woord over zijn verleden te vertellen, en als Paul – die geboren werd in 1947 – naar zijn grootouders vraagt, krijgt hij als antwoord dat die een natuurlijke dood gestorven zijn. Pas door een toevallige ontmoeting met een achterneef komt Paul Glaser langzaam maar zeker achter de waarheid en dit aan de hand van het levensverhaal van zijn tante Roosje, een zus van zijn vader waarover hij voordien nooit gehoord had. Zo begint het boek dat niet alleen inhoudelijk boeiend is, maar ook knap in elkaar steekt qua vertelstructuur. Het leest als een thriller waarin de levensloop van Roosje en de zoektocht van Paul naar zijn Joodse roots handig door elkaar verweven zijn. Daarbij maakt de auteur dankbaar gebruik van de dagboekaantekeningen, brieven en foto’s van zijn tante, die hij na haar dood in 2000 aantrof in haar woning in Stockholm. Roosje groeide als jong meisje op met muziek en dans. Dat ze Joods is weet ze nauwelijks en had in het gezin geen enkel belang. ‘Mijn ouders waren helemaal geassimileerd in de Nederlandse maatschappij’, schrijft ze, en samen met haar vriend trekt ze vaak naar Duitsland waar ze in 1935, twee jaar na de machtsovername door Hitler, vaststelt dat iedereen zo enthousiast is over het regime. Alleen de Joden zijn minder enthousiast alhoewel ze daar zelf niet veel van merkt.

Roosje is een geëmancipeerde en aantrekkelijke vrouw die van huis wegloopt en een danscarrière begint. Samen met een nieuwe partner Leo Crielaars danst ze in Amsterdam, Londen, Parijs, Berlijn en Brussel en start ze met de dansschool. Ze trouwt met Leo, maar dan loopt het fout. Haar man, en vooral zijn broer, blijken bewonderaars te zijn van het nazi-regime en foeteren tegen de Joden. Al snel volgt een echtscheiding en de gewezen echtgenoten staan vanaf dan als vijanden tegenover elkaar zeker als Roosje begint met een concurrerende dansschool. Haar broer John, de vader van Glaser, wordt gemobiliseerd en vecht in Den Haag tegen de Duitsers. Na de bezetting stelt Roosje vast dat veel Nederlanders vlot samenwerken met het nieuwe Duitse gezag, een thema dat in de loop van het boek nog vaak aan bod komt. Ondanks de oorlog slaagt ze erin haar zaak uit te bouwen maar dan worden de Jodenwetten van kracht. ‘Ik mag geen radio meer hebben, toegang tot de beurs is verboden, kinderen van Joden mogen alleen naar Joodse scholen, ik mag niet naar restaurants, hotels, bioscopen, het strand, het park, en op veel plaatsen staat ‘Verboden voor Joden’, schrijft ze, maar ze trekt er zich weinig van aan. Ze weigert de verplichte jodenster te dragen en gaat illegaal door met haar danslessen. Tot ze door haar gewezen echtgenoot wordt aangegeven bij de politie en opgesloten door de SS. Het verklikken van Joden blijkt trouwens vaak te gebeuren door buurtbewoners, politiemensen, NSB-ers en de lokale burgemeester.

Ze geraakt toch vrij en gaat op zoek naar een onderduikadres voor haar moeder, terwijl haar vader in een werkkamp zit. Ze wordt opnieuw verraden door een Nederlandse vriend en komt terecht in Westerbork, samen met Vught het doorgangskamp van waaruit de Nederlandse Joden massaal gedeporteerd werden naar de vernietigingskampen Sobibor en Auschwitz-Birkenau. In zijn boek Is dit een mens? schreef Primo Levi dat de echte slachtoffers van de Holocaust de kampen en de getto’s niet hebben overleefd. De overlevenden namen volgens hem in veel gevallen hun toevlucht tot ‘listen en lagen, misdaden, leugens en verraad, of kenden ongelooflijk veel geluk’. Roosje kent veel geluk, maar gebruikt ook een list, haar schoonheid en charme waarmee ze in dit kamp, maar nadien ook in andere kampen, een leidinggevende SS-er kan verleiden. ‘Moffenliefje’, zo noemen andere gevangenen haar. Maar zo kan ze zichzelf en haar ouders in bescherming nemen en geniet ze van privilegies. Uiteindelijk wordt ze toch op transport gezet naar Auschwitz waar ze samen met ‘ongeveer 100 andere jonge goeduitziende vrouwen uitgezocht en apart gezet’ worden. Zo komt ze terecht in Block 10 waar de beruchte artsen Mengele en Glauberg medische experimenten uitvoeren op gevangenen. Hier ondergaat ze vreselijk zaken, zo wordt ze gesteriliseerd en ingespoten met vlektyfus.

Roosje overleeft het maar komt nadien terecht in een Sonderkommando’s in Birkenau waar ze ingezet wordt aan de gaskamers. Dit is een van de meest dramatische delen in het boek. Ze moet er de geselecteerde vrouwen en kinderen geruststellen (‘het is maar een douche nemen’) en nadien de lijken op een plank leggen. Die worden dan weggedragen door mannen om eerst de gouden tanden te verwijderen en nadien te cremeren. Ze houdt het niet uit maar slaagt erin om overgeplaatst te worden naar een fabriek om er handgranaten te maken. Opnieuw een enorm geluk want de leden van de Sonderkommando’s werden om de drie maand zelf vergast, en weer gebruikt ze haar charme om er de SS-chef te verleiden. Ze slaagt er zelfs in om er SS-bewakers te leren dansen en hun de bijbehorende etiquette aan te leren. Dat Roosje niet alleen aan zichzelf denkt maar ook medegevangenen helpt blijkt uit haar vriendschap met en steun aan twee Belgische vrouwen waarmee ze haar brood deelt. De Russen trekken intussen op en ze moet mee op stap in de beruchte dodenmarsen. Ook deze passage is verschrikkelijk en raakt de lezer tot in het diepste van zijn gemoed. Nadien belandt ze in het concentratiekamp van Ravensbrück, moet ze loopgraven helpen graven in een apocalyptisch Berlijn, en puin ruimen in Hamburg.

Dankzij het Zweedse Rode Kruis en opnieuw met heel veel geluk slaagt ze erin uitgewisseld te worden tegen gevangen genomen Duitse soldaten. Het betekent haar vrijheid en ze besluit in Zweden te blijven, en waarschijnlijk om die reden met een Zweedse man trouwt. Van Nederland houdt ze alvast niet meer. Ze verwijten haar dat ze met een Duitser naar bed is geweest, maar ze repliceert dat ze niet anders kon om te overleven. En waren het geen Nederlanders die haar bij de politie hadden aangegeven? Waren het niet de Nederlanders die hadden meegewerkt aan de uitvoering van de jodenwetten? Waar deed het Nederlandse Rode Kruis voor de gevangen Joden? En waar bleef de koningin die ervandoor ging naar Engeland ‘juist toen haar volk haar het hardst nodig had’. Het is juist dat koningin Wilhelmina in haar toespraken via Radio Oranje maar zelden sprak over het trieste lot van de Nederlandse Joden en al helemaal niet opriep om deze zo kwetsbare groep mensen te helpen. Dat de ze niets zou geweten hebben over het lot van haar joodse onderdanen is quasi onmogelijk. Het nieuws over de deportaties vanuit Westerbork en het wrede lot dat hen te wachten stond was al in de loop van 1942 bekend. En ze wijst er ook op dat in Nederland zo een hoog percentage aan Joden gedeporteerd is kunnen worden en ze snoeihard uithaalt: ‘Ik heb eigenlijk geen pech gehad omdat ik als Jodin geboren ben, maar pech omdat ik als Nederlandse geboren ben’.

Uiteindelijk zal Roosje bij een bezoek aan Nederland haar broer John terugzien, maar er ontstaat een discussie. Hij verwijt haar dat ze haar moeder door haar onvoorzichtig gedrag in de problemen heeft gebracht. Hun beide ouders en talloze familieleden zijn vergast. Ze praten niet meer met elkaar en John besluit om zijn kinderen katholiek op te voeden en finaal te breken met het jodendom want ‘vroeg of laat wordt het tegen jou gebruikt’. Hij zwijgt over het verleden. Gelukkig heeft de nieuwsgierigheid van de zoon ertoe geleid dat Roosje niet in de nevelen van de geschiedenis verdwijnt, maar zal voortleven als een levenslustige, optimistische en moedige vrouw die meer levens heeft geleefd dan wie dan ook. Dit boek is belangrijk omdat het aantoont dat niet alles wit of zwart was tijdens de oorlog, dat er goede en slechte mensen bestonden aan beide kanten van de oorlogvoerende partijen, en ook een goed beeld geeft tot wat mensen in staat zijn, zoals Pico Della Mirandolla ooit schreef: ‘hij kan ontaarden in het dierlijke, maar zich ook opheffen tot het goddelijke’. Alleen geloofde Roosje al lang niet meer in God. Net zoals Elie Wiesel vroeg ze zich af waar God was toen duizenden crepeerden. Dit boek zal snel een plaats veroveren in de lijst van klassiekers over het grote drama van de twintigste eeuw.


Recensie door Dirk Verhofstadt


Paul Glaser, Tante Roosje, het oorlogsgeheim van mijn familie, Verbum, 2010

Links
mailto:verhofstadt.dirk@pandora.be
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be