Europe. Superstate or New Market Economy?

boek vrijdag 23 januari 2004

John Gillingham

De blauwe vlag met de twaalf sterren doet het hart van de burger nog niet sneller kloppen. De Ode aan de Vreugde uit Beethovens Negende iets meer - al is dat misschien het genre. Deze beide symbolen worden spoedig gecanoniseerd in de Europese Grondwet, waarover de EU-regeringsleiders sinds drie weken onderhandelen. De ontwerptekst, opgesteld door een grondwetgevende Conventie onder voorzitterschap van Valéry Giscard d'Estaing, voorziet behalve in vlag en volkslied ook in een motto (Unita diversitate, verenigd in diversiteit) en in een Europese feestdag (de 9de mei). Het zijn de kersen op de taart van driehonderd pagina's politiek-juridisch proza.

Bedoeling van deze symboolpolitiek? Patriottistische gevoelens kweken bij de bevolkingen van de Europese Unie. Die weigeren hun nationale jas af te leggen en onvoorwaardelijk Europeaan te worden. Terwijl het zo mooi zou zijn als we verenigd waren! Eén grondwet voor één volk! Want als Europa 'met één stem' kon spreken in de wereld, dan zouden de Amerikanen wel luisteren! Zo spreekt de goedbedoelende historische overmoed, vermomd als gezond verstand. De werkelijkheid is ingewikkelder. Het Europese volk kan niet per decreet worden afgekondigd. Maar hoe komen we er wel?

Het zijn niet alleen de verguisde laatkomers (Denen, Britten, Zweden, binnenkort de Polen) die de mars naar Europese integratie vertragen. Ook de zes landen die gehoor gaven aan de oproep van de Franse minister van Buitenlandse Zaken Robert Schuman, gedaan op (inderdaad) 9 mei 1950, om de kolen- en staalproductie onder een gemeenschappelijke autoriteit te brengen (Frankrijk, Duitsland, Italië en de Benelux), blijven bij alle samenwerking liever zichzelf. Nu voormalig modelleerling Nederland de aanstaande grondwet per referendum aan een wispelturige bevolking zal voorleggen, houdt men in Brussel, gewaarschuwd door de episode-Fortuyn, zijn hart vast. De Europese integratie, lang een speeltje van de politieke elites, kan niet van bovenaf worden opgelegd. Dat is een van de lessen uit een fascinerend boek over de geschiedenis van de Europese integratie: European Integration, 1950-2003 - Superstate or New Market Economy?, geschreven door de Amerikaanse historicus John Gillingham.

Het heeft alles in zich om een onmisbaar standaardwerk te worden: kennis van zaken en afstand, eruditie en intelligentie. Gillingham schrijft bovendien soepel, soms speels, en met een oog voor anekdote en detail, wat de lezer op de been houdt in de ruim vijfhonderd informatiedichte pagina's. Het boek bevat enkele juweeltjes van portretten van historische figuren, evenals knappe panorama's van economische politiek in afzonderlijke lidstaten.

Minpunt is dat deze kwaliteiten naar het einde toe vervlakken: zodra het heden nadert, verslappen de synthetische gaven van de auteur (het resultaat is tweehonderd wijdlopige pagina's over de matig interessante periode 1995-2003).

Gillinghams grootste verdienste is dat hij breekt met de brave standaardgeschiedenissen. Daarin schijnt het hele Europese project soms één lange uitwerking van het genie van père fondateur Jean Monnet (de influisteraar van Schumans verklaring). De Amerikaan toont uitputtend aan dat er vanaf het begin twee strijdige ideeën van Europese integratie werkzaam waren. Enerzijds het idee van Monnet: een centrale bureaucratie bouwen die de Europese economie plant en reguleert, en aldus van staatswege een 'feitelijke solidariteit' tussen de volkeren schept. Anderzijds het klassiek-liberale idee, door Gillingham verbonden met de Oostenrijks-Britse econoom Friedrich Hayek, dat het de vrije markt is die welvaart en een 'spontante orde' tot stand brengt. Het eerste idee leidde tot de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (1950), het tweede tot de Europese Economische Gemeenschap van 1957 (EEG, later EG en EU). Tussen die beide, tussen - in termen van de ondertitel - Superstate en Market Economy, is het Europese project nog steeds gespannen.

Een heropvoering van het duel Monnet-Hayek vindt in de jaren tachtig plaats, met Jacques Delors en Margareth Thatcher in de hoofdrollen. De internationale economische- en handelssituatie - waar Gillingham voortdurend oog voor heeft - is dan veranderd. Na de ineenstorting van het internationale wisselkoersstelsel van Bretton-Woods (1971) is niet langer volledige werkgelegenheid maar financiële stabiliteit het voornaamste doel van nationale economische politiek. De naoorlogse welvaartsstaat komt onder druk te staan. Thatcher, de enige Europese regeringsleider die de benodigde hervormingen blijmoedig doorvoert, geeft ook een nieuwe impuls aan de Europese integratie met het plan voor een Interne Markt.

De voorzitter van de Europese Commissie, Jacques Delors, een Frans socialist die meer geneigd is tot dirigisme, sluit dit 'pact met de duivel' (Gillingham) omdat zijn instelling aan macht wint bij het loslaten van de unanimiteitsregel voor wetgeving ten behoeve van de Interne Markt. Het resultaat is de Single European Act (1986), voor de auteur onbetwist de grootste stap in de Europese integratie, van meer belang dan euro of grondwet. Hij betreurt het dan ook dat een teleurgestelde Thatcher er nadien afstand van nam.

Gillinghams volle sympathie ligt bij het liberale idee van Europese integratie. Hij is daarmee geen euroscepticus. Vrij verkeer van mensen, goederen, kapitaal en diensten is de vruchtbaarste manier om Europa's bevolkingen nader tot elkaar te brengen. De auteur verzwijgt dit parti-pris niet; hij beargumenteert het. Daarbij gaat menig heilig huisje omver. De gedwongen solidariteit van de 'positieve integratie', belichaamd door een pretentieuze Brusselse bureaucratie die marktfeilen meent te compenseren door miljarden aan subsidies over te hevelen van rijke naar arme lidstaten, is economisch ondoelmatig en kweekt politiek ressentiment. Daarop valt volgens Gillingham geen federale staat te bouwen. Bij gebrek aan een Europees volk kan dat hoogstens via het langere traject van de 'negatieve integratie', dat door grenzen en belemmeringen op te heffen en concurrentie te reguleren meer welvaart schept, alsmede politiek draagvlak voor een bescheidener Europa. Europa lijdt niet aan te veel markt, maar aan te weinig.

De kracht van European Integration, 1950-2003 is dat deze polemische stellingen niet als (Amerikaanse) propaganda kunnen worden afgedaan. Ze getuigen van onmiskenbaar economisch-historisch vakmanschap en een coherente, pro-Europese politieke visie. Hierop kunnen nog velen hun tanden stukbijten.

Vergeleken bij Gillinghams ambitieuze en gedreven synthese steekt een andere recente titel over Europa wat flets af. In Europa - De geschiedenis van een idee catalogiseert de Amsterdamse historicus Pim den Boer beelden en verbeeldingen van Europa. Dit boekje, een herziene uitgave van een titel die eerder bij Prometheus (nu bij Fagel) verscheen, is een historisch vademecum waarin de lezer in hoofdstukjes als 'Europa en de klassieke Oudheid', 'Europa en de bijbel' en 'Europa als supermacht?' zonder veel verrassingen door ruim twee millennia geschiedenis wordt geloodst. Den Boer onthoudt zich doorgaans van waardeoordelen (al laat hij zich ergens wel ontglippen dat 'de wil tot nationale overgave . . . prijzenswaardig' is).

Bij de sleutelvraag hoe men van Denen, Maltezen en Fransen Europeanen kan maken (markt, staat of symboliek?), kiest de auteur voor symboliek. Den Boer, een groot kenner van de Franse 19de-eeuwse geschiedschrijving, wijst er terecht op hoe de natiestaten hun burgers het natiebesef actief hebben ingeprent, met onderwijs, dienstplicht en feestdagen. Op dezelfde manier, meent Den Boer, 'kan een Europees geschiedenisonderwijs ontwikkeld worden door een identiteitspolitiek van de Europese Unie'. Natuurlijk, sust hij, mag men daarbij niet vervallen in 'eurocentrisme' of de 'feilen van de oude vaderlandse geschiedenis'. Of zulk lesmateriaal de veronderstelde gunstige effecten zou hebben, dan wel een dankbaar spotobject voor euro sceptici zou zijn, blijft een open vraag.


Zie ook Pim den Boer, Europa - De geschiedenis van een idee, Fagel, 2003, 221 blz.



Recensie door Luuk van Middelaar


John Gillingham, European Integration, 1950-2003 - Superstate or New Market Economy?, Cambridge University Press, 2003, 588 blz.

Share |

De Arabische Revolutie:

tussen droom en werkelijkheid

Op woensdag 5 april 20.00 uur

Afspraak in De Markten (Oude graanmarkt 5, 1000 Brussel) voor een avond met Koert Debeuf,

schrijver, columnist, directeur van het Tahrir Institute for Middle East Policy Europe en onderzoeker aan de Universiteit van Oxford.

Zijn recentste boek is "Inside the Arab Revolution. Three Years on the Front Line of the Arab Spring".

Koert zal gebaseerd op zijn persoonlijke ervaringen de Arabische Revolutie trachten te kaderen door parallellen te trekken met de Franse Revolutie en door een aantal inzichten te bieden in het Midden Oosten.

Uw aanmeldingsmail aan info@liberales.be geldt als inschrijving.

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be