Gerardje. Notities van een Reve-liefhebber

boek vrijdag 12 maart 2010

Theodor Holman

‘Wie in een boek iets aanstootgevens tegenkomt, kan het boek terstond dichtklappen, weggooien en bij zijn boekhandelaar terugbrengen.’ Het is een uitspraak van wijlen Gerard Reve die met zijn schrijfsels, uitspraken en gedrag meer dan eens voor beroering zorgde. In 1947 schreef hij zijn eerste roman De Avonden, een boek dat algemeen beschouwd wordt als een van de grote klassiekers van de Nederlandse literatuur en dat tot op de dag van vandaag veel gelezen en geciteerd wordt. Toen de Vlaamse minister van Cultuur Bert Anciaux enkele jaren geleden in een interview over De Nachten sprak, ging dan ook een golf van plaatsvervangende schaamte doorheen literair Vlaanderen. Later zou diezelfde minister nogmaals in de problemen komen toen koning Albert II in 2001 weigerde om de Prijs der Nederlandse Letteren aan Gerard Reve uit te reiken omdat diens levenspartner Joop Schafthuizen werd verdacht van kindermisbruik. Daarop zou Reve over de Belgische koning gezegd hebben: ‘Zijn hofhouding heeft hem wijsgemaakt dat wij homoseksueel zijn. Daar had die man nog nooit van gehoord’. Het is een van de vele leuke anekdotes in het vermakelijke boek Gerardje. Notities van een Reve-liefhebber van Theodor Holman die altijd gefascineerd bleef door de beruchte schrijver en zelf ook niet vies is van een straffe uitspraak.

Het boek is geen wetenschappelijke biografie maar bevat tal van levendige portretjes van de romantisch-decadente kunstenaar die meer dan eens het establishment tegen de schenen stampte. Dat deed hij samen met zijn volgens mij even getalenteerde broer Karel al vlak na de oorlog door van het communistische ‘geloof’ waarin de broers waren opgegroeid af te vallen en van de weeromstuit felle communistenhaters werden. Al snel zagen ze de onmenselijkheid van het communisme in en stelden dit regelmatig publiekelijk aan de kaak. Iedereen wist hoe dictators als Stalin, Hitler, Mao en Castro met kritische mensen in het algemeen en met kunstenaars in het bijzonder omgingen en hoe die zich conformeerden, al was het maar om hun vege lijf te redden. De enkelen die het niet deden werden geliquideerd of uitgestoten, denk aan Boris Pilnjak, Isaak Babel, Osip Mandelstham, Carl von Ossietzky, Wu Han en Heberto Padilla. Wat de broers nog het meeste verbaasde was evenwel de houding van westerse intellectuelen als Jean Paul Sartre en Harry Mulisch die ondanks al hun kennis het moorden en onderdrukken bleven goedpraten. De verwaande Mulisch zou later een van de felste opponenten van Gerard worden en hem regelmatig beschuldigen van te heulen met de vijand en van ronduit racisme omwille van denigrerende opmerkingen over vreemdelingen.

Holman noemt die beschuldiging ‘belachelijk’ en wijst erop dat Gerard zich altijd heeft verzet ‘tegen daadwerkelijk racisme, vooral als het zich voordeed in de vorm van onderdrukking van homo’s of antisemitisme’. Betwiste uitspraken, zoals ‘inferieure kokosnotenplukkers’ doet Holman af als satire en pastiche al lees je in de teksten van Gerard ook wel een ander motief, namelijk het ‘lukratieve effect daarvan’. Daarmee bedoelde hij de bijkomende aandacht die hij als schrijver trok, met een grotere verkoop van zijn boeken tot gevolg. Toch leek niet geld de reden van zijn vaak aanstootgevende gedragen en uitlatingen geweest te zijn, maar wel zijn directe en oprechte manier van spreken en leven. Eenzelfde houding die mijn inziens ook Theo Van Gogh ten toon spreidde met zijn veelvuldig gebruik van het woord ‘geitenneukers’ wanneer hij het over radicale islamisten had. Opvallend is trouwens dat Gerard zich al in een vroeg stadium bewust was van de effecten van het gebrek aan voorzieningen opdat nieuwkomers in Nederland zich zouden kunnen integreren, waarbij hij met een beschuldigde vinger naar het socialisme wees. Hij werd later nog uitgescholden voor fascist maar dat was nogal absurd in de wetenschap dat hij samen met broer Karel tijdens de oorlog actief in het verzet zat en daar op een dag ook voor werd gearresteerd.

Maar tegen zere schenen stampen, dat deed hij wel, bewust en onbewust. Zo trouwde hij in 1948 met de dichteres Hanny Michaelis maar al snel raakte zijn voorliefde voor mannen bekend. En al even tegen de tijdsgeest besloot hij om zich te bekeren tot de rooms-katholieke kerk. Holman beschrijft goed de persoonlijke angst van de grote schrijver om verlaten te worden. Hij leed aan zware depressies, begon steeds meer te drinken en kreeg aanvallen van razernij. Een eerste storm(pje) ontstond naar aanleiding van zijn in 1951 in het Engels geschreven verhaal Melancholia waarin hij het had over masturberen en (ietwat omfloerst) over sadomasochisme. ‘Pornografie’ aldus een katholieke staatssecretaris die daarom weigerde hem een reisbeurs te geven. ‘Het ligt zeker niet op de weg van de overheid zodanige uitingen te bekronen of op welke wijze ook aan te moedigen’, aldus de staatssecretaris. Maar de grote aanvaring kwam er in 1966 met het beruchte Ezelsproces. In een tijdschrift had Gerard de Wederkomst beschreven: ‘Als God zich opnieuw in Levende Stof gevangen geeft, zal hij als ezel terugkeren, hoogstens in staat een paar lettergrepen te formuleren, miskend en verguisd en geranseld, maar ik zal hem begrijpen en meteen met hem naar bed gaan, maar ik doe zwachtels om zijn hoefjes, dat ik niet te veel schrammen krijg als hij spartelt bij het klaarkomen.’ Het levert hem een proces wegens godslastering op wegens overtreding van artikel 147 van het Wetboek van Strafrecht. Uniek voor Nederland en Europa, aldus Holman.

Het Ezelsproces zelf beschrijft Holman maar kort. Dat is spijtig want het was niet alleen een bijzonder grappige kwestie maar ook een buitengewoon interessante testcase die tot op de dag van vandaag actueel blijft – zie de spotprenten en ‘lasterlijke’ uitspraken over Mohammed. De rechtbank oordeelde dat de passages weliswaar godslasterlijk waren, maar geen smalend karakter hadden, waardoor de auteur niet strafbaar werd geacht. Reve achtte zich door dit vonnis ‘niet voldoende vrijgepleit van het tenlastegelegde’ en ging in hoger beroep (waarbij hij zelf zijn verdediging voerde) en de zaak uiteindelijk won. Een bijzonder belangrijke uitspraak want daarmee werd duidelijk hoe onzinnig het was (en is) om een verschil te maken tussen het beledigen van personen die als een God vereerd worden en andere personen die deze door mensen toegekende status niet hebben, Geert Wilders of Harry van Bommel bijvoorbeeld, ik zeg maar wat. Gerard vond trouwens dat de incarnatie van God in een ezel juist een compliment betekende, want voor hem was dat een lieftallig wezen, en hij stelde dat de door elke mens gewenste intimiteit met een godheid voor hem ‘een duidelijk seksueel karakter’ had. Net in die periode trad hij toe tot het katholieke geloof waarna hij een treffende uitspraak deed: ‘Het kenmerk van een religieuze waarheid is, dat zij een oneindig aantal interpretaties kan verdragen, behalve één: die van de letterlijkheid.’

Holman beschrijft dat hierna een ‘verwijdering’ met zijn broer Karel begon wat niet hoeft te verwonderen. Lees de De ongelofelijke slechtheid van het opperwezen waarin broer Karel via een rationele gedachtegang het fundament van elke monotheďstische godsdienst onderuithaalde. Als we al het goede te danken hebben aan Gods wil, hebben we dan ook al het kwade aan hem te danken? Zo begreep Karel de Russische dissidente schrijver Solzjenitsyn niet toen die zijn overleving van ‘de marxistische holocaust’ toeschreef aan God die blijkbaar wilde dat hij, Solzjenitsyn, in leven bleef om van die gruwelen te getuigen. ‘Maar als het in leven blijven van Solzjenitsyn zijn wil is, dan is het creperen van die miljoenen andere gevangenen ook zijn wil’. ‘En: als die God zo tegen de nazi’s was, waarom heeft hij ze ons dan gezonden? Waarom die hele oorlog niet afblazen? En: als die God der christenen blijkbaar die nazistische holocaust zo nuttig en nodig achtte, waarom prijzen de christenen die God dan?’, zo stelde Karel nuchter vast. Gerard zag dat blijkbaar wat anders. Volgens Holman ‘aanvaardde (Gerard) dat er een conflict was tussen de logica en het gevoel, en de oplossing die hij had bedacht om dat conflict te bestrijden, was om een systeem te bedenken dat orde in zijn gevoel kon aanbrengen. De katholieke dogma’s deden dat’, aldus Hofman. Dit had zelfs kerkspecialist Antoine Bodar niet kunnen verzinnen.

Niet dat Gerard vriendelijk bleef voor zijn religie. Zo verwees hij naar het antisemitisme dat hij bestempelde als ‘het gruwelijke erfgoed van het christendom’, maar hij verweet marxisten met hun ziekelijke verheerlijking van de Partij wel in hetzelfde bedje ziek te zijn. Hij had het heel treffend over de onfeilbaarheid van hun Partij, hun eigen ‘heilige’ boeken zoals Het kapitaal van Marx, hun eigen priesters als ‘ingenieurs van de nieuwe mens’, hun eigen martelaren, hagiografieën, heksenprocessen, processies, iconen, kleine rode catechismus, enz. Gerard had het over ‘dezelfde mythe in een andere gedaante’. En hij ergerde zich rot aan de socialistische partij PVDA die zich uitsprak ‘vóór erkenning van de Duitse politiestaat van Ulbricht’ (de voormalige DDR). In dat opzicht had Gerard alvast meer inzicht dan die idiote Mulisch die zich als een levende Sartre blijft koesteren in de vermeende heilsboodschap en weldaden van Fidel Castro en zijn dictatoriale opvolger. Ronduit schitterend was de poëtische doodschop van Gerard over een nieuw boek van Mulisch: ‘Het gaat over een zeepbel die uiteenspat/de critici noemen het sterk autobiografisch’. Holman heeft het trouwens vaak over de lucide opmerkingen en woordspelingen die Gerard maakte bij interviews, minder grof dan Willem Frederik Hermans, maar meer in de stijl van de sprankelende Hugo Claus.

‘Na mijn dood word ik op de scholen tien jaar vrijwillig gelezen en daarna nog eens tien jaar verplicht. Dan noemen ze een straat naar me. En dan ben ik helemaal vergeten. Niemand weet toch meer wie Tweede van der Helst was?’, aldus Reve in een gesprek in 1983. De uitspraak van Anciaux over De Nachten zou hem bijna gelijk geven. Maar het klopt gelukkig niet. Zijn beschrijving in De Avonden bijvoorbeeld van het kleinburgerlijk bestaan van een kantoorklerk die leeft zonder doel, vooruitzicht of menselijk contact is van alle tijden. Gerard zelf leefde een ander leven, niet altijd vrolijk, integendeel, maar wel steeds intens op zoek naar warmte en liefde. Het is de verdienste van Holman om dit met veel empathie en zin voor humor nog eens in de verf te zetten. En dat Ezelsproces, ah, daar zal nog veel over te doen zijn, en hopelijk met een even goede afloop, alhoewel ik er soms voor vrees.


Recensie door Dirk Verhofstadt

Theodor Holman, Gerardje. Notities van een Reve-liefhebber, Mets&Schilt, 2009

Links
mailto:verhofstadt.dirk@pandora.be
Share |

De Arabische Revolutie:

tussen droom en werkelijkheid

Op woensdag 5 april 20.00 uur

Afspraak in De Markten (Oude graanmarkt 5, 1000 Brussel) voor een avond met Koert Debeuf,

schrijver, columnist, directeur van het Tahrir Institute for Middle East Policy Europe en onderzoeker aan de Universiteit van Oxford.

Zijn recentste boek is "Inside the Arab Revolution. Three Years on the Front Line of the Arab Spring".

Koert zal gebaseerd op zijn persoonlijke ervaringen de Arabische Revolutie trachten te kaderen door parallellen te trekken met de Franse Revolutie en door een aantal inzichten te bieden in het Midden Oosten.

Uw aanmeldingsmail aan info@liberales.be geldt als inschrijving.

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be