Het geluk van de kunst

boek vrijdag 21 december 2012

Marc Reugebrink

In 2008 won de tot dan onbekende auteur Marc Reugebrink met zijn roman Het grote uitstel totaal onverwacht De Gouden Uil, de belangrijkste literaire prijs in Vlaanderen. Hij haalde het toen tot zijn eigen verbijstering van meer bekende auteurs zoals Jeroen Brouwers, A.F.Th. van der Heijden, Marjolein Februari en Frans Thomése. Daar werd in een aantal kranten nogal smalend over gedaan, maar intussen wordt zijn werk als schrijver, dichter en essayist sterk gewaardeerd in literaire kringen. Dit jaar verscheen Het geluk van de kunst, een reeks essays waarin de auteur laat zien ‘wat het betekent om anno 2011 een literair auteur te zijn’.

In het deel over Het (on)geluk van de literatuur geeft Reugebrink forse kritiek op de diverse literaire prijzen zoals De Gouden Uil waarin niet zozeer de literaire kwaliteit centraal staat maar door de samenstelling van de jury eerder het commerciële belang van de geldschieters. Dat was nog duidelijker in 2009 toen de jury onder leiding van Humo-coryfee Guy Mortier de debuutroman Alleen maar nette mensen van Robert Vuijsje verkoos boven Via Cappello 23 van Christiaan Weijts en vooral Nergensman van Frans Thomése, terwijl onder meer het sublieme Godenslaap van Erwin Mortier zelfs de longlist niet haalde. Het boek van Vuijsje was dan wel goed geschreven en maatschappelijk relevant maar een literaire hoogvlieger was het niet, hooguit een pageturner goed voor de trein van Gent naar Brussel en terug.

Een profetische Thomése had deze misstap in Nergensman al voorzien met zijn ongenadig oordeel over ‘professionele beoordelaars… die er hun beroep van maken over boeken te schrijven’ en ‘in jury’s te zitten’. Volgens Reugebrink is literatuur onderdeel geworden van de massacultuur en de relevantie van een auteur afhankelijk is van wat de massamedia op een zeker moment als zodanig definiëren. ‘De kritiek (of de essayistiek) is niet langer een literair genre, zij is uitbesteed aan kleine carrièremakers die meedobberen op de golven die door anderen worden gemaakt, die dus uitvoeren wat in de bedrijfstak gewenst wordt geacht.’ Het gevolg is dat winnende boeken ‘in niets meer zijn te onderscheiden van het vergeetproza van krant of damesblad’, aldus Thomése. De jury van de Gouden Uil toonde zich blind voor literaire kwaliteit en volgde liever ‘de massalezer (die) niet bewondert wat hij zelf niét kan’.

Reugebrink heeft het ook niet begrepen op de hedendaagse moraalridders met hun openlijke heimwee naar de heimatliteratuur van vroeger. Zo haalt hij uit naar onder meer Theodore Dalrymple, de reactionaire goeroe van Bart De Wever, die voortdurend afgeeft op de ‘erfenis’ van de jaren zestig. Het is alsof Dalrymple de vrijheid weer aan banden wil leggen, ook die van schrijvers. Zijn kritiek op de geest van de jaren zestig is trouwens onjuist. Die periode heeft immers gezorgd voor een grote toename van het recht op zelfbeschikking waardoor bijvoorbeeld de strijd tegen de segregatie in de VS, de strijd tegen Apartheid in Zuid-Afrika en de strijd van vrouwen in de westerse wereld om zelf te mogen beslissen over hun levenslot, zorgde voor de bevrijding van honderden miljoenen mensen. Die verworven vrijheid mogen we nu niet te grabbel gooien. Vandaar de oproep van Reugebrink om die vrijheid met kracht te verdedigen tegen zij die het in deze posthumane tijden willen inperken.

In het deel over Het (on)geluk van de vorm wijst Reugebrink op de machteloosheid van G.L. Durlacher die Auschwitz overleefde, om zijn ervaringen te verwoorden. ‘Steeds dikkere woorden, steeds grotere clichés, steeds meer overtrokken beelden’, maken dat de overlevende het onvoorstelbare niet gezegd krijgt. ‘Een slachtoffer van de Holocaust hoeft eigenlijk niet meer te spreken. Dat hij of zij het is, lijkt gewoonlijk voldoende, en met zijn of haar getuigenissen kunnen we meestal niks beginnen’, aldus de auteur. Hij verwijst in dat verband ook naar Tonio waarin A.F.Th. van der Heijden de absurde door (door een verkeersongeval) van zijn zoon beschrijft, dat volgens hem een getuigenis is van ‘de macht én onmacht van de literatuur’. Waarop hij besluit dat de literatuur niet bij machte is om de wereld te veranderen.

Ik begrijp de gedachtegang van Reugebrink. Sommige gebeurtenissen zijn onmededeelbaar omdat ze elk voorstellingsvermogen, laat staan inlevingsvermogen van de lezer, onmogelijk maken. Daar tegenover staat dat veel Holocaust-overlevenden er wel degelijk in geslaagd zijn om hun persoonlijke tragedie op een tegelijk waarachtige, begrijpbare én literaire manier over te brengen, denk aan het werk van Béla Zsolt, Elie Wiesel, Primo Levi, Marcel Reich-Ranicki en Gyorgy Konrad. Dat overtrokken taalgebruik niet nodig is om het diepmenselijk verdriet over te brengen bewees ook Agota Kristof met haar beroemde trilogie Het dikke schrift, Het bewijs en De derde leugen en in haar autobiografie onder de merkwaardige titel L’analfabète. Dat literatuur de wereld niet kan veranderen, is ook niet helemaal waar. Lees De Zwenking van Greenblatt waarin de grote impact van De Rerum Natura van Lucretius wordt beschreven.

In het deel Het (on)geluk van heimwee legt Reugebrink het meest zichzelf bloot. Hij stelt vast dat zijn generatie (de auteur werd geboren in 1960) ‘zo verdomde rechts is geworden, terwijl de nieuwe generatie me bepaald niet links lijkt, maar eerder pragmatisch’. Ik zou het zelf eerder enggeestig noemen, want het gif van het nationalisme en het ‘eigen volk eerst’ heeft de geesten van heel wat jongeren aangetast. Hij baalt van het niveau van de publieke discussie. ‘Zat ben ik het. Zo zat dat ik mezelf soms nauwelijks meer kan onderscheiden van het gajes dat dagelijks de internetsites teistert met de van niets dan ressentiment en eigenbelang getuigende scheldkanonnades tegen alles en iedereen.’ En hij haalt volkomen terecht fel uit naar het beleid van onderwijsminister Pascal Smet en de mentaliteit van gewezen rector André Oosterlinck die het onderwijs uitleveren aan de macht van het geld, waardoor we niet langer meetellen als mens maar alleen als economische eenheden.

Daarbij verwijst hij naar de liberale filosofe Martha Nussbaum en haar indringend boekje Niet voor de winst waarin ze stelt dat niet de economische of financiële crisis de poten vanonder de moderne democratie zaagt, maar wel een crisis in het onderwijs waarin de humane wetenschappen moeten inboeten ten bate van al die praktische vaardigheden die onmiddellijk economisch te kwantificeren zijn. Het is geen aanval op het wilde kapitalisme alleen, maar op zowat alle bestaande politieke ideologieën die zich hebben neergelegd bij het dominante neoliberale marktdenken waarbij men uitsluitend denkt in termen van nut en rendement, ook in de cultuur. Maar hoe het tij voor links te keren? Het antwoord staat er niet en Reugebrink verwijst naar De Kapellekensbaan van Louis Paul Boon die zelf al op zoek was naar iets ‘dat de neergang van het socialisme tegenhouden kan’. Het lijkt op een noodkreet.

Misschien vergist Reugebrink zich. Niet zozeer het marktdenken vormt een probleem, maar wel het absolute marktdenken. Het geloof dat de vrije markt zelfregulerend zou zijn en alles zou kunnen oplossen. Dit marktfundamentalisme is een kanker in het systeem en moet aangepakt worden, en dat beseffen steeds meer partijen en politici. Maar even erg als het wilde kapitalisme is het enge nationalisme dat in Vlaanderen en in Europa zo een opgang maakt en het kosmopolitisme verdacht maakt als een vorm van volksverraad. Dàt is de nieuwe breuklijn. Een terugval in nationalisme, protectionisme en tribalisme of een hernieuwd geloof in een open, sociaal en solidair Europa met een gecontroleerde vrije markt en een politieke unie die net zoals de voorbije 67 jaar zorgt voor vrede en welvaart in het Avondland.

Net als professor Paul Verhaeghe haalt de auteur keihard uit naar het individualisme en de ‘hedendaagse individualisering’. Dat is onterecht en stoelt op een begripsverwarring. De auteur bedoelt het toenemende egoïsme, niet het individualisme want dat betekent het recht op zelfbeschikking. Dat laatste moeten we niet temperen maar juist aanmoedigen in het bijzonder voor de miljoenen mensen, vooral vrouwen, die alleen maar kunnen dromen van een situatie waarin ze zelf mogen beslissen over hun levenslot. Individualisme is niet tegengesteld aan gemeenschap en solidariteit, maar vormt er juist een noodzakelijke voorwaarde toe, want alleen als men echt zelfbeschikkingsrecht heeft kan men waarachtig solidair zijn. Maar de auteur heeft gelijk dat de literatuur niet langer aanzien wordt als een remedie tegen de ziekte van de hedendaagse samenleving. Ook de literatuur luistert naar de dictatuur van de markt, aldus de auteur. Dat lijkt me overtrokken en dit boek is er het levende voorbeeld van.

Zolang er schrijvers zoals Reugebrink zijn, is er hoop. Niet alleen zijn romans, maar ook zijn essays zijn de vervelende kiezeltjes in onze schoenen. Ze doen ons beseffen dat we wel veel welvaart genieten, maar dan wel ten koste van tal van andere zaken. Zijn analyse van de literatuur is scherp en zet aan tot zelfreflectie. “Goede literatuur bezit het vermogen ons met andermans ogen te laten zien”, aldus wijlen Gerrit Komrij. Daar is de auteur met dit boek goed in geslaagd. Het geluk van de kunst is een scherpe tijdsopname. Weliswaar pessimistisch van aard, maar veel reden om te juichen bestaat er vandaag niet. In elk geval toont de auteur aan dat zijn Gouden Uil in 2008 geen toeval was. Reugebrink is een begenadigd schrijver, maar ook een wat naïeve moralist. Iemand die willens nillens de weg wijst, zelfs al is er niemand die hem volgt.


Recensie door Dirk Verhofstadt

Marc Reugebrink, Het geluk van de kunst, De Bezige Bij, 2012

Links
mailto:verhofstadt.dirk@telenet.be
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be