We consumeren ons kapot

boek vrijdag 09 november 2007

Dirk Geldof

De aandacht voor de bescherming van het milieu staat centraal in het discours van nationale en internationale politici en partijen. Op 24 september 2007 organiseerde de Verenigde Naties het UN High Level Event on Climate Change waarin de affecten van de klimaatverandering werden onderzocht en nagegaan welke maatregelen zich nu opdringen. Een van de sprekers was de Nederlandse premier Balkenende die een opmerkelijke toespraak gaf. Als premier van een land dat door de opwarming van de aarde op termijn in gevaar kan komen, wees hij op de noodzaak om nu snel maatregelen te nemen. ‘Met minder emissies kunnen we de klimaatverandering wel afremmen, maar niet stoppen. We zullen ons ook moeten aanpassen aan de gevolgen van de klimaatverandering’, aldus Balkenende. Hiermee spoort hij met opiniemakers zoals Al Gore, die de gevolgen van de opwarming van de aarde niet langer willen ondergaan, maar aandringen om zo snel mogelijk maatregelen te nemen. Ook in ons land wordt het klimaatprobleem niet langer ontkend. Jonge politiek en wetenschappelijk geëngageerde mensen zoals Els Keytsman en Peter Tom Jones waarschuwen al jaren voor de enorme impact van ons huidig economisch beleid op het milieu en bepleiten een radicale ecologische economie die het tij kan keren.

Hun ideeën worden nu mee onderschreven door de Vlaamse socioloog en publicist Dirk Geldof. In zijn boek We consumeren ons kapot beschrijft hij de wereld van overdaad waarin we thans leven. Nooit voordien hadden we als consumenten zoveel keuzes en mogelijkheden, en toch, zo betoogt de auteur, zijn we er niet gelukkiger door geworden. Meer nog, onze manier van consumeren belast ons milieu, zorgt voor stress en brengt zelfs onze democratie in gevaar. Het zijn controversiële stellingen die ingaan tegen de algemeen aanvaarde liberale standpunten over vrijheid, concurrentie en marktdenken. ‘We kunnen niet langer voorbij aan de schaduwkanten van onze consumptie’, aldus de auteur, zo moeten we alsmaar meer werken om meer te kunnen consumeren. Geldof wijst op de paradox tussen het toenemende individualisme enerzijds en het conformisme van consumenten anderzijds. De auteur erkent het belang van empowerment of de ‘kritische versterking van kinderen en jongeren om een eigen weg te vinden in een gecommercialiseerde wereld’, maar tegelijk wijst hij op het gevaar dat ons onderwijs één van de laatste bastions is die alsnog weerstand biedt tegen de impact van de reclame. De auteur heeft hier een belangrijk punt. Scholen moeten inderdaad gevrijwaard blijven van commercie, een standpunt dat ook door liberalen wordt gedeeld omdat kinderen in hun ogen vooral moeten worden opgevoed tot kritische burgers en dit binnen een zo neutraal mogelijke omgeving.

‘Onze consumptie draait daarbij steeds meer om distinctie’, aldus Geldof. Dat klopt, maar daar is niets mis mee. Net het tegenovergestelde zou ons zorgen moeten baren. Wie rondkijkt merkt dat mensen, vooral jongeren, zich in hun klederdracht willen onderscheiden, maar zelden conformeren zoals vroeger van overheidswege werd opgelegd in communistische landen. De auteur verwijst regelmatig naar de Franse filosoof Pascal Bruckner die intelligente vraagtekens plaatste bij het consumentisme, maar het nooit afviel, integendeel. ‘Alle gepraat over de leegte van het consumentisme is even leeg als datgene waar het zich tegen verzet’, aldus Bruckner. Hij wijst erop dat tal van zaken die we kopen, van een bril tot een computer, de mens juist verlost uit de beperkingen van tijd en ruimte waardoor we met onze beperkte capaciteiten meer greep krijgen op de werkelijkheid. Consumentisme is, in tegenstelling tot wat Geldof doet uitschijnen, geen negatieve omgangsvorm, maar een middel om ons als individu uit te drukken en tegelijk een stimulans voor een aangenamer, veiliger en zinvoller leven. Consumentisme als mogelijk gevolg van individualisme leidt niet tot standaardisering, integendeel. Het is juist de belangrijkste motor tot trendbreuken, vernieuwing en originaliteit.

Geldof heeft het over de toename van statusangst bij mensen (omdat ze jaloers zijn van het succes van hun buren), maar ook dat is eerder een vooroordeel dan een wetenschappelijk feit. Hij heeft het ook over ‘valse keuzevrijheid’, gebrek aan aandacht voor postmateriële waarden en irrationele beslissingen die het gevolg zijn van impulsaankopen. Het zijn de klassieke clichés tegen een van de belangrijkste verworvenheden van de Verlichting, namelijk het recht op zelfbeschikking. Want wat is eigenlijk het probleem? Het afbouwen of inperken van het consumentisme betekent onvermijdelijk de beknotting van de creativiteit, waardoor de kwaliteit van het leven, de eigenheid, de veiligheid en finaal de vrijheid van de mens wordt aangetast en beperkt. Juist de vrije markt leidt tot een voortdurende prikkeling van de creativiteit. Als er voldoende behoefte is aan restaurants waar alleen vegetarische gerechten worden aangeboden dan zullen die ook opengaan en succes kennen. Als er keuze is tussen textielproducten die op een ethisch correcte manier zijn gemaakt en andere die via kinderhanden passeerden dan zal de geïnformeerde burger immorele bedrijven ‘en masse’ de rug toekeren. Als blijkt dat bepaalde voeding omwille van contaminatie ter discussie staat dan zullen consumenten als eerste kiezen voor alternatieve producten. Een dergelijke houding is alleen mogelijk in landen waar mensen beschikken over een daadwerkelijke keuzevrijheid en, heel belangrijk, over voldoende informatie. In landen waar geen keuzevrijheid en vrijheid en informatie bestaat en waar alles beslist wordt door een centraal bestuur worden mensen misleid. In landen waar geen kritische oppositie mogelijk is kunnen regeringen misstanden verzwijgen of minimaliseren.

De vrijheid van de mens is in de loop van de voorbije eeuwen gestaag gegroeid en het individualisme was daartoe de belangrijkste motor. De tegenwerpingen dat de mens in zijn gedrag ‘gemanipuleerd’ of ‘onderworpen’ zou zijn lijken mij eerder te dienen om het systeem van de vrije concurrentie, de innovatie en de individualiteit op zich in vraag te stellen en aldus de weg van een utopisch denkbeeld in te slaan. Opvallend is immers het gebrek aan alternatief dat deze denkers aanbrengen. Als men consequent hun opmerkingen voor waar aanneemt en de mensen wil ‘bevrijden’ van de vermeende manipulaties door de vrije markt, blijft finaal maar één systeem over. Dat is de totale uitschakeling van de concurrentie, van de innovatie en zelfs van het vrije denken. Dan moeten we ofwel terugkeren naar de ‘oerstaat’ waarin elke mens naakt tegenover zijn medemens staat ofwel een egalitair systeem met dwang opleggen. Een systeem waarin iedereen evenveel heeft en alleen hetzelfde kan hebben. Het eerste is gewoon absurd, het tweede is onmenselijk omdat hierbij de ‘verdelende’ macht in de plaats zou treden van de vrije wil van de mens en hem zou conformeren tot een zielloos subject. We weten tot welke gruwelijkheden dat in het verleden geleid heeft.

‘Het té veel aan keuzemogelijkheden zou een land van dwazen installeren’, aldus de Vlaamse jezuïet Karel Van Isacker. We zouden moeten ‘consuminderen’ en onszelf moeten ‘beheersen’. Laat ons eens ingaan op die stellingen en de ultieme consequentie ervan onder ogen zien. Om het aantal keuzemogelijkheden te beperken zou iets of iemand moeten kunnen zeggen wat wel en wat niet op de markt komt, welke diensten we wel of niet mogen aanbieden en gebruiken. Iets of iemand zou dus moeten bepalen welke auto’s, televisieprogramma’s, boeken, CD’s, gsm’s, broeken, truien, kaassoorten, wijnen, bouwmaterialen, brilmonturen, computers, verzekeringen, reizen, geneesmiddelen, enz… wel op de markt mogen komen en welke niet. Het zou leiden tot een situatie zoals we die voor de val van de Berlijnse Muur kenden in Oost Duitsland. De West-Duitse consumenten konden kiezen uit tientallen merken en modellen, de markt speelde in op de vraag van de klanten en produceerde op die manier betere, veiliger, milieuvriendelijker wagens. In Oost Duitsland produceerde men één merk en model, de Trabant en het enige wat de bedrijfsleiding moest doen was er een bepaald aantal van aanmaken per jaar. Of die auto’s goed, veilig of milieuvriendelijk waren, had geen enkel belang, de consument had er trouwens niets over te zeggen. Erger is het wanneer dit gebeurt met geneesmiddelen. Door een gebrek aan prikkels vanuit de vrije markt werden in tal van onvrije landen weinig of geen investeringen gedaan in Research and Development, waardoor men geen accurate medische producten kon ontwikkelen tegenover bepaalde ziektes. Het beperken van keuzemogelijkheden betekent een fundamentele ingreep op de vrije markt met alle dramatische gevolgen vandien. Van zodra men dit doet wordt de mens overgeleverd aan de willekeur van de ‘keuzebeperkende’ instantie die dan zou optreden namens een ‘algemeen belang’ als uiting van de collectieve wil en bijgevolg na te volgen wet, zoals Jean-Jacques Rousseau dat voorstond.

Het consumentisme zou volgens haar critici sporen met een opkomende innerlijke ervaring van leegte. Het wekt de indruk van ‘vroeger was het beter’, dat mensen gedachteloos zouden kopen om te kopen, en dat het de oorzaak zou zijn van een innerlijke verarming. Ik ben het niet eens met de stelling dat het vroeger beter was. Onze grootmoeders waren door een gebrek aan technische hulpmiddelen vroeger vaak de slaaf van het huishouden waardoor ze weinig of geen tijd meer hadden voor andere zaken, zoals sociale contacten en andere belevingen die het leven zo rijk maken. Ik ben het niet eens dat mensen gedachteloos zouden kopen om te kopen. Heel wat mensen, vooral met midden en lage inkomens, zijn zich heel goed bewust van de keerzijde van de aankoop van een duurzaam consumptiegoed, namelijk maanden of jaren hard werken om de nodige financiële middelen te verdienen om zo een auto te kunnen kopen of een bouwlening af te betalen. Ik ben het niet eens dat veel keuzemogelijkheden zou leiden tot innerlijke verarming. Nog nooit gingen zoveel mensen naar culturele activiteiten, kochten ze zoveel boeken en luisterden ze zoveel naar muziek. Natuurlijk weet ik dat er veel eenzaamheid bestaat en die heeft altijd bestaan, maar er bestaat ook veel liefde, solidariteit en medeleven met anderen. Ook vandaag zijn kinderen en hun ouders (en omgekeerd), met hun grootouders, familieleden en medemensen. Het feit dat zoveel mensen zoveel sparen is daar een bewijs van.

Sta mij toe om de Franse filosoof Pascal Bruckner nog eens te citeren in zijn kritiek op intellectuelen die zich zo storen aan de zogenaamde koopwoede van de doorsnee burger. ‘De aanvallen op het plebs dat zwelgt in de nieuwste speeltjes en snuisterijen getuigen van een grote neerbuigendheid en van de wens om het volk tegen zijn wil van de commerciële verleidingen te bevrijden.’ Laat ons de duur bevochten rechten en vrijheden voor de mens niet te grabbel gooien voor een vermeende morele ‘verrijking’. Laat ons liever strijden om die rechten en vrijheden ook ter beschikking te stellen van de miljoenen mensen op de wereld die zelf geen keuzemogelijkheden hebben en die alleen maar kunnen dromen van het zo verfoeide consumentisme. Dat kan bijvoorbeeld door af te stappen van ons westers groepsegoïsme in de vorm van protectionisme. We geven in de Europese Unie jaarlijks miljarden euro’s uit aan productiesteun en exportsubsidies, vooral in de landbouw en er bestaan quota’s en importheffingen die verhinderen dat boeren in arme landen hun producten op onze markten kunnen brengen. Dat protectionisme is moreel verwerpelijk, moet afgeschaft worden en plaats maken voor een echte vrije markt.

De voornaamste reden van morele leegte of innerlijke verarming is niet de keuzevrijheid, maar de onverschilligheid. En die onverschilligheid is het grootst in landen die er collectivistische ideeën op na houden. Kijk naar het lot van de Roemeense wezen die gedumpt worden in erbarmelijke weeshuizen of naar de manier waarop men in China met het milieu omspringt. De grootste oorzaak van onverschilligheid is het wegnemen van persoonlijke verantwoordelijkheid en het uitschakelen van het eigen geweten. Individualisme is in die zin geen gemakkelijke houding. Het verheft de mens uit de groep en plaatst hem tegenover hemzelf. Daar kan hij zich niet verbergen achter de anonimiteit van het collectieve. Individualisme betekent dat de mens zowel tegenover zichzelf als tegenover de anderen zijn geweten moet laten spelen en zich niet kan onttrekken aan zijn persoonlijke verantwoordelijkheid. Mensen die vasthouden aan het monopolie van de moraal die uitgaat van de collectiviteit, een Führer of een heilige tekst kunnen elk moreel dilemma uit de weg gaan. De gelovige of volgeling wordt dan immers niet verplicht te kiezen tussen goed en kwaad. Hij kan vluchten in onwetendheid, onverschilligheid of superioriteit waartoe de hem (zelf) opgelegde moraal de kans biedt. Door het uitschakelen van het persoonlijk geweten in naam van een abstract en alomvattend plan, van absolute waarheden, van blind en irrationeel geloof, vonden de grootste drama’s uit de geschiedenis plaats.

Geldof heeft het over het verschil tussen de mens als burger en als consument. Maar dat valt niet te scheiden. De dagelijkse praktijk toont aan dat mensen als burgers én als consumenten hun macht prima weten te gebruiken. Via de markt straffen ze inefficiënte en onaangepaste bedrijven af. De consument is baas, niet theoretisch maar letterlijk. Het feit dat steeds meer bedrijven ethische codes aanvaarden uit vrees voor een slecht imago bewijst dit. Multinationals als Shell, Nike en Ikea plooiden snel voor een dreigende of effectieve boycot van hun producten ingevolge hun dubieuze praktijken in ontwikkelingslanden. Het feit dat bedrijven via advertenties fouten in hun producten bekendmaken en aansturen op teruggave of revisie bij hun verdeelpunten toont aan hoezeer ze beducht zijn voor de macht van de consument. Niet de bedrijven zelf, maar de burgers als consumenten en - niet te vergeten - ook steeds meer als individuele aandeelhouders, hebben de sleutel in handen voor het succes van een bedrijf. Tegelijk kunnen die consumenten als kiezers ook de politieke machtsverhoudingen bepalen en op die manier bijvoorbeeld impulsen geven om meer aandacht te besteden aan de rechten van de consumenten, iets waar politici steeds meer aandacht aan besteden.

Toch blijft het centrale kritiekpunt van Geldof op de wereldwijde toename van de welvaart overeind, namelijk wanneer hij het heeft over de vernieling van de natuurlijke omgeving, het overschrijden van onze ecologische grenzen. Terecht pleit hij hier voor ‘duurzame consumptie’ waarbij men ondermeer de volledige kosten, zoals de weerslag op het milieu in rekening brengt. In die zin pleit hij voor een bijsturing van de markt. Daar valt veel voor te zeggen. Ook de meest overtuigde aanhangers van de vrije markt zullen moeten beseffen dat er ingrepen van de overheid nodig zijn om onze aarde leefbaar te houden. En dat hoeft niet ten koste te gaan van de creativiteit en productiviteit. Laat mij één voorbeeld geven. In Europa en Japan worden benzine en diesel zwaar fiscaal belast, wat autoconstructeurs ertoe aanzette om minder brandstof verbruikende wagens te bouwen. In de Verenigde Staten deed men dit niet waardoor doorsnee wagens daar nog steeds 15 tot 20 liter meer verbruiken. Dit alles maakt dat Japanse en Europese wagens het goed doen op de Amerikaanse markt en aldus een voorsprong hebben. Maar het zijn niet deze commerciële argumenten die doorslaggevend zijn. Het meest cruciale argument van Geldof is onze verantwoordelijkheid ten aanzien van onze kinderen en kleinkinderen. Ook voor liberalen is dit essentieel. Zij willen niet alleen de rechten en vrijheden van de huidige burgers vergroten maar ook die van de toekomstige generaties vrijwaren.

Geldof hanteert in zijn strijd tegen het consumentisme het argument dat onze wereld naar de haaien gaat als we niets doen. Zo verwijst hij naar het eindigheid van aardolie als energiebron en de vernietiging van allerlei flora en fauna door de verpletterende ecologische voetafdruk van de mens. We moeten dus iets doen. Maar als hij zich keert tegen de liberale vrije markt vergist hij zich van tegenstander. Alleen binnen een liberale democratische samenleving die de markt maximaal laat spelen en enkel ingrijpt om uitwassen in te parken, is ‘duurzame consumptie’ mogelijk. De democratie is noodzakelijk om politieke tegenkrachten aan zet te brengen en consumentenorganisaties aan bod te laten komen. In landen waar geen democratie bestaat, zoals in China, bestaan die politieke tegenkrachten en consumentengroepen niet en net daar zagen (en zien) we de grootste milieurampen. In landen zonder een vrije markt wordt elke creativiteit gefnuikt en zagen (en zien) we dat er geen onderzoek en ontwikkeling gebeurde naar ecologisch meer interessante systemen. De vrije markt die werkt binnen een ethisch kader – afgesproken binnen een democratisch proces – is het beste antwoord op de problemen die de auteur aanhaalt.


Recensie door Dirk Verhofstadt

Dirk Geldof, We consumeren ons kapot, Houtekiet, 2007

Links
mailto:verhofstadt.dirk@pandora.be
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be