De ontwikkeling van het geld in termen van koopkracht kende een belangrijke trendbreuk rond het begin van de twintigste eeuw. De periode voor deze trendbreuk werd gekenmerkt door stabiliteit wat betreft de koopkracht van het geld. De laatste honderd jaar daarentegen wordt gekarakteriseerd door een continue inflatie en bijgevolg ook een drastische ontwaarding van het geld. Niet dat de periode voor de twintigste eeuw geen opstoten kende van inflatie. Zo tonen de beschikbare historische gegevens aan dat er zeker periodes zijn geweest voor 1900 waarin de prijzen soms hoog konden oplopen. Alleen werden deze periodes steevast gevolgd door periodes waarin de prijzen terugliepen naar hun oorspronkelijke niveaus, waardoor op de langere termijn de koopkracht van de munten nagenoeg stabiel bleef.

Zo wijst de Tilburgse econoom Edin Mujagić er in zijn boek Geldmoordop dat de waarde van één Britse pond nauwelijks veranderde tussen 1650 en 1914. Dezelfde bevinding geldt ook voor andere munten (bijvoorbeeld de Nederlandse gulden). Vanaf het eerste decennium van de 20ste eeuw werden periodes van inflatie niet langer gevolgd door periodes van deflatie. Sinds 1914 zijn de prijzen bijna constant gestegen. De wereld kreeg bovendien meer te maken met periodes van hyperinflatie. Van de dertig bekende hyperinflaties vonden er negenentwintig plaats in de 20ste eeuw waarvan de meesten sinds de jaren ‘70. De gevolgen voor de gewone burger waren niet te onderschatten. Zo tonen cijfers aan dat het reële inkomen van de gewone werkende Amerikaan daalde sinds 1970.

De thesis van Mujagić’s is dat de centrale banken een verpletterende rol hebben gespeeld in de ontwaarding van het geld. Mujagić vat de gevolgen van een eeuw centrale banken zelfs samen als een catastrofe. Hij stelt dan ook dat de geboorte van de centrale banken het begin was van de dood van de koopkracht. Zo duidt Mujagić de Fed en de andere centrale banken aan als hoofdverantwoordelijke voor de huidige financiële, economische en politieke crisis. Het zijn namelijk zij die gedurende de afgelopen decennia de rente kunstmatig te laag hebben gehouden om groei te stimuleren, daarbij wetende dat dit niet zonder prijskaartje kon gebeuren. Dit omdat er nu eenmaal niets is als een gratis lunch (economen spreken van no free lunch). Elke rekening moet vroeg of laat door iemand betaald worden. De betaling kan hooguit minder zichtbaar worden gemaakt of uitgesteld, maar nooit afgesteld. Mujagić voorspelt dan ook dat de effecten van dit expansief monetair beleid voor de komende generaties heel wat ellende zullen bezorgen. Bovendien leert de ervaring dat de gevolgen vooral de lagere klasse (maar steeds meer ook de middenklasse) zal raken.

Mujagić schuift de focus van de centrale bankiers op het houden van de inflatie rond de 2 tot 3 procent naar voor als één van de belangrijke oorzaken waarom het monetaire beleid gefaald heeft. Naar zijn mening hebben centrale bankiers deflatie teveel gedemoniseerd. Ze zijn daar volgens hem zelfs in zodanige manier in gelukt, dat het algemeen geaccepteerd is geworden dat een beetje inflatie zelfs goed is voor de economie. Deflatie wordt door centrale bankiers steeds voorgesteld als iets dat dodelijk is voor economische voorspoed. De economische redenering om deze bewering te ondersteunen, luidt dan vaak als volgt: in periodes van deflatie waarin prijzen teveel en/of te lang dalen, dreigen consumenten hun aankopen uit te stellen. Als reactie hierop laten bedrijven hun aanbod dalen, waardoor de vraag naar arbeid afneemt met een negatieve impact op de lonen als gevolg. Hierdoor daalt dan weer de koopkracht van burgers waardoor zij nog meer aangezet worden om minder te consumeren. Het resultaat is dan een negatieve, zichzelf versterkende spiraal met steeds minder consumptie, minder groei, minder tewerkstelling, minder loon, minder groei, etc.

Mujagić erkent het gevaar van deze negatieve spiraalbewegingen, maar onderlijnt ook dat deflatie niet automatische resulteert in dergelijke mechanismen. Er zijn namelijk historische en economische data die aantonen dat periodes van deflatie ook kunnen gepaard gaan met economische groei. Mujagić spreekt in dit geval over ‘goede deflatie’. Dergelijke deflaties kunnen het gevolg zijn van positieve aanbodschokken zoals bijvoorbeeld dalende productiekosten als gevolg van technologische vooruitgang en innovaties in de productieprocessen van bedrijven. Een mooi voorbeeld van een periode van goede deflatie is de periode vlak voor de Grote Depressie van de jaren ‘30. De fout die centrale bankiers volgens Mujagić maken, is dat zij geen onderscheid maken tussen “slechte deflatie’ en ‘goede deflatie’. Dit verklaart dan ook hun focus op het houden van inflatie rond de 2 tot 3 procent, een focus die volgens Mujagić te eenzijdig en fout is. Het is namelijk dit beleid van lage rentes en continue inflatie dat er toe geleid heeft dat zowel de publieke schuld als de private schuld aanzwelden tot een megalomane schuldenberg.

Een derde belangrijke oorzaak waarom de centrale banken grotendeels volgens Mujagić verantwoordelijk zijn in het tot stand brengen van de huidige financiële en economische crisis, is de rol die ze gespeeld hebben in de dereguleringstrend die sinds de jaren ‘70 zijn opgang gekend heeft en die zich sindsdien ook steeds harder is gaan doorzetten. De centrale banken hebben namelijk niet alleen nagelaten deze dereguleringen te superviseren (toch één van hun kerntaken), ze waren ook één van de grootste verdedigers van de deregulering van de financiële sector. Hierdoor kregen de banken nagenoeg volledig vrij spel met de nu gekende catastrofale impact. Zo maakte de versoepeling het niet alleen mogelijk voor de banken om producten te ontwikkelen die vooral erop gericht waren om de transparantie op de markt te verminderen (met als gevolg dat zowel particuliere als institutionele beleggers niet meer in staat waren om de juiste risico’s en inhoud van die producten in te schatten), het liet de banken ook toe om steeds minder kapitaalbuffers aan te leggen voor in het geval zich een tegenslag voordeed.

Daar waar kapitaalbuffers na de Grote Depressie van de jaren ‘30 nog relatief hoog waren (zo waren buffers boven de 10 procent toen heel normaal), zijn deze door de decennia heen constant afgezwakt tot een buffer van 1 procent van het kapitaal eind 2011. Het resultaat hiervan was een steeds grotere belang van fractioneel bankieren en banken die overleveraged waren. De financiële sector kwam hierdoor op een lemen fundament te staan en het was gewoon een kwestie van tijd vooraleer de ganse constructie als een pudding ineen zou zakken. Gezien het feit dat de huidige financiële en economische crisis volgens Mujagić voornamelijk het resultaat zijn van fouten gemaakt door de centrale banken in het verleden, hoeft het niet te verwonderen dat Alan Greenspan de centrale bankier is die het hardst aangepakt wordt in zijn boek (de enige centrale bankier die respijt krijgt, is Paul Volcker). Er zijn tegenwoordig trouwens nog maar weinig economen en analisten die er aan twijfelen dat Greenspan's monetair beleid voor een uiterst vruchtbare bodem heeft gezorgd waaruit de huidige economische crisis kon groeien.

Nochtans werd Greenspan gedurende de voorbije decennia door diezelfde economen en analisten (of toch velen onder hen) op handen gedragen en bijna vereerd als een god. Mujagić is echter vernietigend voor het beleid van Greenspan. Naar zijn mening pleegde dit beleid niet alleen een brutale moord op de koopkracht van ons geld, het strooide ook zand in de ogen door geld ontlenen decennialang spotgoedkoop te houden en daarmee de aandelenkoersen en huizenprijzen op een kunstmatige manier tot in de hemel te duwen. Zonder de lage rente en bijgevolg de goedkope en overtollige leningen, was het namelijk al lang geleden voor iedereen duidelijk geworden dat de welvaart helemaal niet zo sterk aan het stijgen was gedurende de laatste decennia en al zeker niet aan het tempo zoals aangeduid werd door heel wat economische indicatoren.

Mujagić schetst in het tweede deel van zijn boek ook zijn verwachtingen voor de nabije toekomst. Deze zijn allesbehalve rooskleurig. Zo voorspelt Mujagić dat de huidige financiële, economische en politieke malaise een sterke, negatieve impact zal hebben op (1) de vrijhandel, met een toenemende afkeer van globalisering en daaruit volgend een sterke toename van protectionistische maatregelen (de recente beslissing van Frankrijk om een hogere taks te heffen op zware bieren is hiervan een mooie illustratie), (2) onderzoek en ontwikkeling, waar de onzekerheid over de toekomst een hinder vormt voor meer investeringen en inspanningen terwijl we nu daar net meer behoefte aan hebben, (3) de politiek, waar het falen van de klassieke politieke families dreigt wind in de zeilen te geven van populistische, nationalistische en extreemrechtse partijen, (4) de inkomensongelijkheid en de armoede, met een verdere afkalving van de middenklasse als gevolg, (5) onze verzorgingsstaat, waar het uitblijven van ingrijpende, maar broodnodige structurele veranderingen dreigt onze verzorgingsstaat onhoudbaar te maken, (6) de solidariteit tussen jong en oud, waar de onevenwichtige verdeling van de lasten (vergrijzing, etc.) dreigt een generatieconflict te creëren, en (7) de voedsel-, grondstof- en energieprijzen, waar een onevenwicht tussen vraag en aanbod er dreigt voor te zorgen dat de prijzen de pan uit zullen swingen (met opnieuw nefaste gevolgen voor de inflatie). Toch is volgens Mujagić de situatie nog niet volledig hopeloos en kan, indien een aantal onaangename ingrepen niet langer uitgesteld worden, toch een deel van de malaise nog steeds afgewend worden. Zo pleit Mujagić er onder andere voor dat de centrale banken snel moeten overgaan tot het sterker aantrekken van de monetaire teugels. Dit zou op de korte termijn nefaste gevolgen hebben voor de economische groei, maar de gevolgen op de lange termijn zouden dan weer wel positief zijn. Toch schat Mujagić de kans dat de centrale banken dit snel zullen doen in als eerder gering. Waarom? Het is voor politici, door Mujagić ook wel de meesters van de centrale bankiers genoemd, gewoon te aantrekkelijk om de rekeningen te laten betalen door het aanzetten van de geldpersen (in plaats van het snoeien in de overheidsuitgaven en/of het verhogen van de belastingen).

Mujagić verwacht voor de nabije toekomst dan ook eerder een geleidelijk aan oplopende inflatie waardoor de schuldenlast voor de overheid afneemt, maar ook met negatieve gevolgen voor de koopkracht van de gewone burgers. Hoe hoog de inflatie zal oplopen, is een vraag die moeilijk te beantwoorden is. Sommige analisten en economen verwachten periodes van hyperinflatie. Toch denkt Mujagić dat het niet zo een vaart zal lopen. De reden hiervoor is dat overheden misschien wel belang hebben bij een bepaalde inflatie, maar zeker niet bij een teveel aan inflatie (gezien de nefaste gevolgen die hyperinflatie heeft op de economische en sociale stabiliteit). Hij verwacht eerder inflatiecijfers rond de 5 tot 10 procent, en hier en daar 15 procent.

Mujagić beëindigt zijn boek met het pleidooi om de invloed en macht van de centrale banken drastisch te beperken. Ook de modus operandi van de centrale banken moet naar zijn mening veranderd worden: in plaats van te streven naar gematigde inflatie moeten centrale bankiers zich vooral focussen op het nastreven van een bepaald percentage van geldgroei. De bijbehorende rente bepaalt de markt dan zelf. Mujagić wijst erop dat deze oplossing geen novum is. Het was namelijk de Amerikaanse econoom Milton Friedman die als eerste dit idee naar voren bracht in zijn boek A Program for Monetary Stability. Een bijkomend voordeel van de centrale banken te verplichten zichzelf te richten op de geldgroei, is dat ze de handen niet meer vrij zullen hebben om een bepaald tempo van prijsstijgingen na te streven, alsook dat ze minder ruimte hebben om staatsobligaties op te kopen (lees: het gat in de hand van de overheden te dichten).

Daarnaast stelt Mujagić ook voor om het beest van het fractioneel bankieren terug in het hok te duwen. De regels voor de banken moeten terug aangescherpt worden zodat er meer controle mogelijk is over de geldgroei. Op die manier kan de economie en het financiële stelsel stabieler gemaakt worden voor de toekomstige generaties. Dit realiseren betekent wel dat de economische groei in de toekomst veel lager zal zijn dan in het verleden. Dat lijkt een hoge prijs, maar dat is het volgens Mujagić niet. Volgens hem zijn periodes met geringe maar stabiele groei namelijk te verkiezen boven periodes van instabiliteit en sterk fluctuerende groei.


Recensie door Nicky Rogge

Edin Mujagic, Geldmoord, Hoe de centrale banken ons geld vernietigden, Uitgeverij Balans, Amsterdam, 2012, 272 blz., € 19,95.

Links
mailto:nicky.rogge@hubrussel.be
Share |

De Arabische Revolutie:

tussen droom en werkelijkheid

Op woensdag 5 april 20.00 uur

Afspraak in De Markten (Oude graanmarkt 5, 1000 Brussel) voor een avond met Koert Debeuf,

schrijver, columnist, directeur van het Tahrir Institute for Middle East Policy Europe en onderzoeker aan de Universiteit van Oxford.

Zijn recentste boek is "Inside the Arab Revolution. Three Years on the Front Line of the Arab Spring".

Koert zal gebaseerd op zijn persoonlijke ervaringen de Arabische Revolutie trachten te kaderen door parallellen te trekken met de Franse Revolutie en door een aantal inzichten te bieden in het Midden Oosten.

Uw aanmeldingsmail aan info@liberales.be geldt als inschrijving.

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be