Een avond in het paleis van de rede

boek vrijdag 23 februari 2007

James Gaines

‘De oude Bach is hier.’ Met deze in opwinding uitgesproken woorden begint de beschrijving van een avond in 1747 waarop de oude componist van ‘gedateerde’ muziek, Johann Sebastian Bach, en de jonge soldatenkoning Frederik de Grote van Pruisen de muzikale degens kruisen. Uitgedaagd door de koning componeert Johann Sebastian Bach de Musikalischen Opfer, zijn geestelijk testament, in de gecodeerde alchemistische taal van het contrapunt. Deze historische ontmoeting tussen de geniale componist en de wereldlijke leider verzinnebeeldt de botsing tussen twee wereldbeelden. De wereld van de barok, van het geloof in transcendentie en de Verlichting, de rede en de empirie. De ontmoeting van de beide heren kan zonder meer beschouwd worden als een scheidslijn tussen twee werelden. Tussen de godvruchtige Bach die twintig kinderen had verwekt en de wereldse Frederik, een biseksuele misantroop zonder kinderen, die elke religie verachtte en opkwam voor religieuze tolerantie. Bach maakte muziek tot meerdere glorie van God, terwijl Frederik muziek zag als een vorm van vermaak. De eerste was de vader van de late Barok, de tweede een zoon van de vroege verlichting.

Over de ontmoeting tussen deze twee zo tegengestelde figuren schreef de journalist James Gaines het boek . Het betreft een dubbelportret waarin de karakters en persoonlijkheden van Frederik de Grote en Johann Sebastian Bach worden blootgelegd. Het resultaat is een interessante tijdsstudie en biografie over twee personen die elk op hun terrein een grote invloed hebben gehad op komende generaties. Bach was een volgeling van Maarten Luther die het gebruik van kerkmuziek aanmoedigde als ‘preken in geluid’, omdat muziek net ‘een gave en een rijke schenking van God’ is en geen menselijke gave. Bach werkte als organist in Arnstadt en Mühlhausen, later als kamermusicus en organist aan het hof in Weimar, en uiteindelijk als cantor van de Thomaskerk en ‘director musices’ in Leipzig. Alhoewel hij wonderbaarlijke muziek schreef en vooral uitblonk als orgelvirtuoos en contrapuntisch kunstenaar, bleef Bach zijn ganse leven een wat antieke, onhandelbare en onbekende man. ‘Een ouwe pruikekop’, aldus zijn jongste zoon Johann Christian. Pas honderd jaar na zijn dood in 1750, en zeker na de samenvoeging van de Duitse provincies tot één staat, werd hij opnieuw ontdekt en zijn werk beschouwd als een onschatbaar onderdeel van het Duits-nationale erfgoed. Het was trouwens de Duits-joodse componist en dirigent Felix Mendelssohn die ervoor zorgde dat zijn werk in die oplaaiende periode van de romantiek, echt populair werd.

Frederik van zijn kant verfoeide zijn vader die hem op een spartaanse wijze en letterlijk met stokslagen opvoedde. Frederik toonde zich al vroeg een beschermer van de kunsten. Hij verzamelde tal van musici, geleerden en intellectuelen om zich heen en richtte een omvangrijke bibliotheek op. Hij was een kind van de vroege verlichting die zich de vrijheid toeeigende om alles in twijfel te trekken. Na de dood van zijn vader kondigde hij een politiek aan van godsdienstvrijheid, schafte marteling af als hulpmiddel in strafrechtelijke zaken, legde moerassen droog, trok nieuwe mensen aan om te werken op de drooggelegde gronden en bevorderde de Pruisische export. Hij correspondeerde met tal van grote geesten uit zijn tijd, niet in het minst met de beruchte Voltaire. In 1738 trok hij Carl Philipp Emanuel aan, de tweede zoon van Bach, als hofmusicus en begeleider van de latere koning Frederik die een verdienstelijk amateurfluitist was. Carl had net als zijn vorst een andere kijk op muziek dan de oude Bach, want ook voor hem kwam het vermaak op de eerste plaats. In 1745 liet de koning het lustslot Sanssouci bouwen in Potsdam, een schoolvoorbeeld van de Duitse rococo-architectuur, dat al snel uitgroeide tot een centrum van cultureel en spiritueel leven.

Maar Frederik die de bijnaam ‘de Grote’ kreeg, was niet alleen een cultuurliefhebber, hij was ook een ambitieuze machthebber die zijn rijk met alle middelen wou uitbreiden. Tijdens de Zevenjarige Oorlog vanaf 1756 vocht hij tegen de legers van Oostenrijk, Frankrijk en Rusland en kon hij zijn grondgebied uitbreiden. De tol was echter hoog. Meer dan honderd vijftig duizend soldaten en een half miljoen Pruisische burgers verloren het leven, het land en de stad Berlijn lagen in puin. James Gaines beschrijft de koning in dat stadium als ‘een oude man van eenenvijftig’. Zijn belangstelling voor kunst en muziek verdween en , opvallend, hij verfoeide de nieuwe generatie kunstenaars zoals Goethe, Haydn en Mozart. ‘Nieuwe muziek is gedegenereerd tot niet meer dan lawaai, dat onze oren geweld aandoet, in plaats van hen te strelen’, zo schreef hij in 1777. Hij leefde nog negen jaar en stierf totaal vereenzaamd en, zoals de auteur opmerkt, er waren maar weinigen die om hem rouwden. Ook hij geraakte gedurende meer dan honderd jaar in de vergetelheid tot hij na de Duitse eenmaking herondekt werd en geëerd als een held van de nieuwe Duitse natie. Zijn faam als militair machthebber zou evenwel volledig terugkeren onder het nationaal socialisme. In Mein Kampf noemde Adolf Hitler Frederiks Pruisen ‘de kiemcel van het Reich’, de formele proclamatie van het Derde Rijk vond plaats op Frederiks graf en boven Hitlers bureau hing zijn portret.

De eigenlijke ontmoeting tussen Bach en Frederik de Grote, dat het uitgangspunt vormt van dit boek, valt wat tussen de plooien. Inderdaad, Bach werd uitgedaagd door de koning om een moeilijke compositie te maken, en de meester slaagde erin om binnen de twee weken een suite van zestien delen te maken. De oude meester demonstreerde hiermee weer eens zijn bijzondere talent. Maar wat de impact ervan was op Frederik de Grote is niet zo duidelijk. Dat er een wet bestaat die hoger is dan die van een koning en aan de hand waarvan eenieder uiteindelijk beoordeeld zal worden? ‘Natuurlijk is dat wat Bach zei’, schrijft James Gaines, maar dat is maar een hypothese. Blijkbaar weerhield die ‘wetenschap’ de koning er niet voor om oorlog te voeren met zowat al zijn buren en honderdduizenden mensen de dood in te jagen voor zijn grootse plannen. De enige conclusie die men kan trekken is dat Bach met zijn muziek een mijlpaal betekende voor de hele westerse muziek. Martin van Amerongen noemde hem zelfs ‘zonder concurrentie de beste componist van allemaal.’ Welk belang men in de toekomst aan Frederik de Grote zal toekennen is hoogst onzeker. Wat overblijft zijn de geniale werken van Bach, niet in het minst zijn imponerende Mattheuspassie. De wereldlijke heerser zal uiteindelijk eindigen als een voetnoot in de geschiedenis.

Dat betekent natuurlijk niet dat het geloof hiermee triomfeert en de Verlichting slechts een vonkje betekende in de geschiedenis. De auteur verwijst naar de verwoesting van Lissabon in 1755 door een aardbeving en vloedgolf die zowat alle toenmalige intellectuelen tot nadenken stemde. Die ramp zorgde voor heel wat pessimisme over de vooruitgangsideeën van de Verlichting en dreef tallozen in de armen van de romantiek. De kiem voor die beweging werd gelegd in Frederiks Pruisen en zorgde voor een massale weerstand tegenover de rede. In die beweging werd de muziek van Bach opnieuw ontdekt en uitgevoerd. Uiteindelijk verzandde de romantiek in de Blut und Boden ideeën van de nazi’s. Gelukkig heeft men ingezien dat de muziek van Bach daar niets mee te maken had. James Gaines beschrijft de eenmalige bijeenkomst van Bach en Frederik de Grote als een scharniermoment in de geschiedenis, namelijk hét moment van de afscheiding tussen rede en geloof. Een scharniermoment was het echter niet, daarvoor zijn betere voorbeelden te geven. Belangrijk is wel dat de Duitsers in 1950 Bachs lijk op een waardige wijze begroeven in het koor van de Thomaskerk van Leipzig naar aanleiding van de viering van zijn tweehonderdste sterfdag. Die daad, nauwelijks vijf jaar na de ondergang van het nazisme, is het bewijs dat men het oeuvre van Bach beschouwde als een deel van het werelderfgoed, en dat men de componist een plek toewenste die hijzelf zoveel keer in gedachten had. Los van het aardse.


Recensie door Dirk Verhofstadt

James Gaines, Een avond in het paleis van de rede, De Arbeiderspers, 2006

Links
mailto:verhofstadt.dirk@pandora.be
Share |

De Arabische Revolutie:

tussen droom en werkelijkheid

Op woensdag 5 april 20.00 uur

Afspraak in De Markten (Oude graanmarkt 5, 1000 Brussel) voor een avond met Koert Debeuf,

schrijver, columnist, directeur van het Tahrir Institute for Middle East Policy Europe en onderzoeker aan de Universiteit van Oxford.

Zijn recentste boek is "Inside the Arab Revolution. Three Years on the Front Line of the Arab Spring".

Koert zal gebaseerd op zijn persoonlijke ervaringen de Arabische Revolutie trachten te kaderen door parallellen te trekken met de Franse Revolutie en door een aantal inzichten te bieden in het Midden Oosten.

Uw aanmeldingsmail aan info@liberales.be geldt als inschrijving.

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be