Invitation to Terror

boek vrijdag 20 maart 2009

Frank Furedi

Volgens veel analisten signaleerden de terroristische aanslagen van 11 september 2001 een keerpunt in de geschiedenis van het westen. De vooraanstaande Britse historicus Timothy Garton Ash zag in deze dramatische gebeurtenis het einde van een korte periode die was begonnen bij de val van de Berlijnse Muur op 11 november 1989. Een tijdperk waarin er in het westen sprake was van een optimistisch wereldbeeld en dat moest plaatsmaken voor sombere weerspiegelingen over de nabije toekomst en het voortbestaan van de wereld en het westen in het bijzonder. Hoewel we hier ontegensprekelijk te maken hebben met een generalisering schuilt er een grond van waarheid in deze vaststelling. Hoewel ook het laatste decennium van de vorige eeuw niet gespeend was van catastrofes, oorlogen en andere calamiteiten is het tegenwoordig een hele karwei om de toenemende pessimistische literatuur aan het begin van de 21ste eeuw nog in ogenschouw te nemen. Steeds meer boeken die de westerse cultuur proberen te analyseren gewagen van het ontstaan van een angstcultuur waarin het pessimisme en de apocalyptische doemscenario’s hoogtij vieren.

Deze gevoelens van onbehagen worden in veel gevallen op een directe wijze gekoppeld aan de gebeurtenissen van 9/11. Opvallend is het ook om vast te stellen dat deze pessimistische betogen niet te reduceren vallen tot één land. Of het nu gaat over België, Nederland, Duitsland of de Verenigde Staten, in al deze landen is er een onmiskenbare tendens om de hedendaagse samenleving te beschrijven in negatieve bewoordingen. Naast 9/11 is het dan ook niet verwonderlijk dat de aanslagen in London op 7 juni 2005 en deze in Madrid op 11 maart 2004 een belangrijke rol spelen in de manier waarop het westen zich thans zelf beschrijft. Het bekende Schopenhaueriaanse adagium dat het ergste nog moet komen is in het westen plots weer brandend actueel. Weg met de afkondiging van het einde van de geschiedenis zoals dat werd gedaan door de politieke filosoof Francis Fukuyama aan het begin van de jaren negentig van de twintigste eeuw. Welkom aan de apocalyptische visies die ons het einde van de mensheid of de globe voorschotelen.

In zijn boek Invitation to Terror. The Expanding Empire of the Unknown onderwerpt de Britse socioloog Frank Furedi de westerse samenlevingen aan het begin van deze eeuw aan een grondige analyse. Hiermee borduurt hij voort op eerdere van zijn werken waarin hij reeds duidelijk liet blijken verontrust te zijn door de ontwikkelingen binnen de westerse samenleving zoals deze door hem worden waargenomen. Via een onderzoek naar officiële verklaringen van de Amerikaanse en Britse regeringen en instellingen op het gebied van veiligheid gaat hij op zoek naar antwoorden op de vraag waarom de westerse cultuur tegenwoordig in de ban is van het spook van de angst. Zijn onderzoek, en dus ook de kern van zijn boek, focust dan ook op de landen Groot Brittannië en de Verenigde Staten, maar het is zijn overtuiging dat meerdere conclusies ook toe te passen vallen op andere landen gesitueerd in West Europa. Dit omdat hij voor verklaringen gaat kijken naar intellectuele ontwikkelingen die hebben plaatsgevonden in de gehele westerse wereld en omdat de invloed van de Anglo-Amerikaanse politiek en intellectuele wereld sowieso groot is op de rest van het westen. Het resultaat van zijn werk is een striemende kritiek op de houding van de leidinggevende politieke klasse en de intellectuelen die hen voeding geven.

Volgens Furedi moeten we de oorzaak van het ontstaan van een angstcultuur niet primair zoeken in de dreiging die wordt veroorzaakt door radicale moslimterroristen maar in de lankmoedigheid van de westerse intellectuele elites. Deze zijn onder invloed van intellectuele en wetenschappelijke ontwikkelingen vervreemd geraakt van hun eigen identiteit en weten zich tegenwoordig geen raad meer met de waarden van de moderniteit. In het bijzonder een veranderde houding ten aanzien van technologische vooruitgang is kenmerkend voor het denken van hedendaagse elites. Tegenwoordig geloven weinigen van hen nog in de potentieel positieve implicaties van nieuwe technologieën terwijl er in eenzelfde beweging grote angst bestaat rondom de potentieel negatieve implicaties van technologische vernieuwing en verandering. Deze nieuwe houding ten aanzien van technologie zorgde volgens Furedi voor een culturele omslag binnen het westerse denken. Dit is een probleem dat moet worden aangepakt. Het is paradoxaal genoeg immers de onzekerheid van de westerse elites zelf die moet aanzien worden als de belangrijkste oorzaak voor de dreiging van het terrorisme. Deze onzekerheid vormt, zoals de titel van zijn boek suggereert, een uitnodiging om geterroriseerd te worden. Een ontsnapping uit de huidige cultuur van de angst begint dan ook niet bij het bestrijden van het terrorisme maar in een heropleving van de westerse identiteit en het herwinnen van vertrouwen in de principes van de moderniteit. Hoe brengt hij deze analyse tot uiting in dit boek en in hoeverre snijden de argumenten van Furedi hout?

Nieuw Terrorisme?

Bepaalde onderzoekers spreken de laatste jaren van de opkomst van het nieuwe terrorisme. Hiermee veronderstellen ze dat er een verschil bestaat tussen oude en voorgaande vormen van terrorisme. Door te spreken van een ‘nieuw terrorisme’ wordt de indruk gewekt dat we te maken hebben met een dreiging die geen precedenten kent in het verleden. Volgens de aanhangers van het concept van het nieuwe terrorisme hebben we te maken met een vorm van het fenomeen dat op meerdere manieren gevaarlijker en omvangrijker is dan welke voorganger dan ook. Furedi haalt dit argument onderuit. Volgens hem zijn er geen objectieve gronden om te spreken van nieuw terrorisme. De kenmerken die door specialisten worden opgesomd om dit nieuwe concept substantie te geven waren één voor één al aanwezig bij eerdere vormen van terrorisme. Opvallend is het binnen dit opzicht dat de aanslagen van 11 september werden uitgevoerd met relatief bescheiden middelen. Het kapen van een vliegtuig door terroristen om het vehikel in een wolkenkrabber te boren mag dan al aanzien worden als een daad van extreme brutaliteit, volgens Furedi kan het amper worden beschreven als een hypertechnologische vorm van terreur.

Op 9/11 was er in tegendeel sprake van het gebruik van terroristische middelen die in bepaalde opzichten kunnen beschreven worden als zeer traditioneel. Zo schrijft hij: ‘In retrospect, it is evident that the destruction of the World Trade Center was the consequence of tactics that have been deployed by terrorists for a very long time.’ Het enige dat nieuw is aan het zogenaamde nieuwe terrorisme is volgens Furedi de manier waarop het terrorisme wordt geconceptualiseerd. Niet langer wordt er over terrorisme gesproken als louter een probleem veroorzaakt door radicale en misnoegde groepen in de marge van de samenleving maar als een wereldwijd en globaal probleem dat overal en op ieder moment kan toeslaan. In plaats van over terrorisme te spreken als een bedreiging van de fysieke veiligheid van bepaalde gedeeltes van de samenleving op bepaalde momenten, wordt het geconceptualiseerd als een allesvernietigende existentiële bedreiging voor het voortbestaan van de wereld waartegen geen kruid opgewassen is. Opmerkelijk hierbij is dat terroristen omnipotente krachten worden toegeschreven die schijnbaar eindeloos lijken.

Deze vaststelling speelt een prominente rol in de analyse van de perceptie van het terrorisme door officiële instanties die wordt gemaakt in dit boek. Beleidsmakers en specialisten ter zake gaan uit van de premisse dat het plaatsvinden van een terroristische daad een gegeven is dat onvermijdelijk geworden is. Het is geen kwestie of we zullen te maken krijgen met een terroristische aanslag maar . Deze manier van spreken over het terrorisme verraadt een gevoelen van machteloosheid en defaitisme. Beleidsmakers en politici geven de indruk dat er tegen het terrorisme niets kan worden ondernomen. Ongeacht de maatregelen die zullen worden genomen om onze veiligheid te verhogen, zullen we vroeg of laat worden getroffen door een aanslag, zo lijken de officiële meedelingen over terrorisme vandaag de dag allemaal over te dragen. Het is een kwestie van tijd voor we zelf (opnieuw) te maken krijgen met een vernietigende aanslag. Deze houding van veiligheidsexperts en beleidsmakers is opvallend. Zijn het immers niet zij die de samenleving er van moeten overtuigen dat bescherming van de samenleving en de veiligheid van haar burgers bij hen in goede handen is? Als zij zelf niet geloven in hun eigen capaciteiten en mogelijkheden om terreurdaden te voorkomen hoe kunnen we dan verwachten dat de gewone burgers niet overmand worden door angstgevoelens? Volgens Furedi is deze defaitistische houding van de elites dan ook een belangrijke steen des aanstoot.

Net als in zijn vorig boek Where have all the Intellectuals Gone? uit 2004 haalt hij opnieuw zwaar uit naar wat hij ‘het defaitisme van de politieke elites in het westen’ noemt. De verklaring van deze defaitistische houding van onze elites neemt enkele hoofdstukken van dit boek in beslag. In grote lijnen beschrijft hij twee oorzaken die deze evolutie verklaren. Ten eerste is er sprake van een culturele crisis van de westerse identiteit en ten tweede bespeurt hij binnen het domein van de wetenschappelijke wereld dat zich bezighoudt met technologie, technologische dreiging en terrorismebestrijding een paradigmawisseling. Probabilistische methoden werden vervangen door possibilistische methoden. Een nieuwe methodologische aanpak met vergaande gevolgen.

Westerse identiteitscrisis

Binnen de oorlog tegen het terrorisme zoals deze door westerse autoriteiten wordt gevoerd heeft zich gedurende de laatste jaren een subtiele doch belangrijke verschuiving voorgedaan. Aanvankelijk werd de vijand binnen deze oorlog gezien als een doelwit dat aanwezig was op relatief verre afstand van het westen. De oorlog tegen de terreur was er aanvankelijk één tegen radicale islamieten afkomstig uit niet-westerse delen van de wereld. Denken we maar aan de aandacht die er aanvankelijk werd besteed aan de bekende madrassa’s of religieuze scholen in landen zoals Afghanistan en Pakistan, plaatsen waar islamitisch fundamentalisme met de paplepel wordt ingegoten bij toekomstige strijders voor de Jihad tegen het westen. Hoewel de angst voor deze madrassa’s vandaag de dag zeker niet is verdwenen, is het onmiskenbaar dat het grootste deel van de aandacht van beleidsmakers en veiligheidsspecialisten tegenwoordig uitgaat naar de radicale moslims die afkomstig zijn uit de westerse wereld. Bijna dagelijks worden we in de westerse media geconfronteerd met berichten over terrorismecellen die te lokaliseren vallen binnen westerse landen zelf. Steeds meer krijgen de betrokken instanties in de gaten dat de radicale moslims die een bedreiging vormen voor het westen, en die bijgevolg kunnen beschreven worden als de primaire vijanden in de oorlog tegen het terrorisme, niet moeten gezocht worden in verafgelegen delen van deze globe maar binnen de grenzen van de westerse samenlevingen. Een term die in deze context door de beleidsmakers vaak wordt gebruikt is dan ook zeer treffend inlands terrorisme of terrorisme van eigen bodem (home grown terrorism). Deze verschuiving is volgens Furedi veelbetekenend.

Het is volgens hem het bewijs dat de oorlog tegen het terrorisme geëvolueerd is van een bestrijding van fysieke dreiging naar een ideologische strijd. Niet langer gaat het nog louter om het afwenden van fysiek gevaar maar ook om de bestrijding van radicale en extremistische ideeën onder grote delen van de bevolking. Daarnaast plaatst deze verschuiving ook vraagtekens achter de geografische dimensie van de oorlog tegen het terrorisme. Furedi schrijft: ‘The discovery of home-grown radicalisation implicitly calls into question the conventional portrayal of the war on terror. Not only has the distinction between them and us become more and more confused, but the conflict also increasingly points to tension within the western society itself’. Meer en meer is de oorlog tegen het terrorisme een strijd die zich afspeelt binnen het westen zelf. Bovendien is het zoals gezegd niet langer een fysieke strijd maar een ideologische. De oorzaak van dit laatste is het gevolg van een identiteitscrisis binnen het westen. Een crisis die werd veroorzaakt door de intellectuele en ideologische verwarring van de westerse elites, hét kernthema binnen dit boek van Furedi.

Onmiddellijk na de aanslagen van 11 september 2001 opperden sommigen dat er in de nasleep van deze catastrofe misschien sprake zou zijn van een heropleving van de westerse solidariteit en het nationale zelfvertrouwen van landen zoals de VS in het bijzonder. Niets was echter minder waar. Vanuit 2007 terugkijkend naar deze voorspellingen maakt duidelijk dat deze hoop ongegrond was. Frank Furedi stelt het tegendeel vast. Sinds de fatale maand september van 2001 is het westen er alleen maar minder zeker op geworden. Steeds meer heerst er binnen het meest welvarende en democratische deel van de wereld een zweem van onzekerheid en een acuut gebrek aan zelfvertrouwen. Volgens de auteur weet het westen simpelweg niet meer waar het voor staat: ‘Since 9/11 the West feels strangely confused and defensive about its image.’ Sinds de aanslagen heeft het westen te kampen met een crisis in morele autoriteit. In plaats van zelfbewust de eigen waarden te verdedigen nemen westerse leiders meer en meer een defensieve positie aan en staan ze weigerachtig ten aanzien van de eigen identiteit. Deze opmerkingen van Furedi zijn niet altijd even geloofwaardig.

Vele analisten, zoals de Hongaarse ondernemer en publiek intellectueel George Soros, hebben immers overtuigend aangetoond dat de mislukking van de militaire poot van de oorlog tegen het terrorisme en Afghanistan en Irak het gevolg zijn van een roekeloze en onnadenkende strategie van de neoconservatieve regering van G.W. Bush. In plaats van de nodige terughoudendheid aan de dag te leggen trokken de Amerikanen met enkele bondgenoten immers hals over kop Afghanistan en Irak binnen. Met alle gevolgen van dien. Soros spreekt dan ook niet van een identiteitscrisis, maar beweert dat een naïef optimisme en een te radicaal geloof in het eigen kunnen hebben geleid tot het voeren van roekeloze en inefficiënte militaire operaties. Zijn pleidooi voor meer fallibilisme in zijn laatste boek lijkt dan ook net het tegengestelde te impliceren dan de morele crisis geformuleerd door Furedi.

Laatstgenoemde is zich van deze paradox bewust. Daarom probeert hij op meerdere plaatsen in dit boek uit te leggen dat de assertieve politiek van de Amerikaanse regering weliswaar gebaseerd is op een sterk geloof in het eigen kunnen, maar dat er desondanks binnen de retoriek van politici zoals G.W Bush en Donald Rumsfeld sprake was van een grote mate van onzekerheid over de eigen identiteit. Geheel overtuigend zijn deze pogingen zelden. Opvallend is ook zijn nostalgie naar de historische leiders van de Koude Oorlog zoals Franklin Delany Roosevelt en Winston Churchill. In tegenstelling tot Tony Blair en G.W. Bush had het westen toen wel te maken met leiders die zeker waren van hun zaak en die wisten waar het westen voor stond. Deze vergelijking roept opnieuw vraagtekens op. Is het immers niet zo dat de zekerheid die G.W. Bush probeerde uit te stralen net wel geleek op de oorlogsretoriek van Churchill? Algemeen geweten is het feit dat één van de eerste geschenken die G.W Bush in ontvangst mocht nemen van Tony Blair een borstbeeld was van Winston Churchill omdat de huidige Amerikaanse president hem in veel opzichten deed denken aan diens robuuste uitspraken over de buitenlandse politiek tijdens de Tweede Wereldoorlog en tijdens de beginjaren van de Koude Oorlog. Het verschil tussen Churchill en G.W. Bush lijkt er niet één te zijn van zelfvertrouwen versus angst, maar één van staatsmanschap, historisch inzicht en politieke bekwaamheid overmatig aanwezig bij de ene en dramatisch afwezig bij de andere.

Bovendien is het ook onduidelijk hoe Furedi een antwoord kan geven op de vraag waarom zo veel westerse landen en sommigen van hun politici en intellectuelen bijzonder lang weigerachtig stonden ten aanzien van een radicale aanpak van het totalitarisme in de Sovjet-Unie, en waarom velen zelfs beweerden dat de retoriek van de Koude Oorlog niet meer was dan kapitalistische propaganda van de VS. Denken we maar aan iemand als de Franse filosoof Jean Paul Sartre. Het historische verschil dat Furedi meent waar te nemen tussen de oorlog tegen het terrorisme en de Koude Oorlog, en vooral de manier waarop het westen tijdens deze periodes reageerde, lijkt dan ook grotendeels gebaseerd op nostalgie.

Toch moeten we oppassen om het idee van een westerse identiteitscrisis geheel en al af te branden. Wanneer we immers niet zo zeer kijken naar het buitenlands beleid van de VS maar naar de houding van westerse regeringen en intellectuelen ten aanzien van het inlandse terrorisme begrijpen we beter de stelling van Furedi. Wanneer we een blik werpen naar de culturele stemming die er heerst sinds de aanslagen van 9/11 onder de westerse bevolking is er wat te zeggen voor de stelling dat er sprake is van een afwezigheid van een robuust zelfbewustzijn. Allicht heeft Furedi gelijk wanneer hij schrijft dat er binnen onze samenleving grote onzekerheid heerst over onze eigen waarden. Bovendien is het ontegensprekelijk dat een gebrek aan zekerheid over onszelf nadelig is wanneer we de oorlog tegen het terrorisme aanzien als een ideologische strijd. Wanneer we niet weten wie we zelf zijn is het moeilijk om diets te maken aan jonge moslims waarom ze zich moeten aanpassen aan bepaalde waarden van de westerse cultuur. Sterker nog, wanneer we zelf het beeld uitstralen van onzekerheid en radeloosheid vergroot dit de kans dat jonge migranten zich verder gaan vervreemden en een grote haat gaan ontwikkelen ten aanzien van het westen.

Wanneer we onzeker zijn over onszelf en wanneer we er niet in slagen om te definiëren voor welke waarden we staan, is het een hopeloze zaak voor nieuwkomers om een bepaalde impuls te krijgen om zich te integreren binnen de nieuwe samenleving waarin ze zijn terechtgekomen. Een samenleving die overloopt van angst straalt geen positieve signalen uit naar nieuwkomers, zoveel is duidelijk. Op dit vlak heeft Furedi het gelijk aan zijn kant. De angst en onzekerheid lijken met andere woorden te liggen op het niveau van de samenleving en niet op het domein van het buitenlandse beleid van de VS, zoals Furedi meermaals suggereert in zijn boek. Wel dient te worden gezegd dat zijn aandacht voor de onzekerheid over de westerse identiteit binnen de westerse samenleving nagenoeg even veel aandacht krijgt als zijn kritiek op de regering G.W. Bush. Dat we in het westen tegenwoordig onzeker zijn over de eigen identiteit en dat dit een klimaat van angst en onzekerheid met zich meebrengt is zonneklaar. De toevoeging van Furedi is dat hij dit klimaat in dit boek beschrijft als een situatie waardoor we er als ware zelf om vragen om geterroriseerd te worden.

Probabilisme en Worst-Case denken

De tweede ontwikkeling (naast de culturele identiteitscrisis) die aan de oorsprong ligt van het ontstaan van een angstcultuur is een belangrijke verschuiving binnen de wetenschappelijke wereld. Furedi buigt zich met name over nieuwe benaderingen die in het domein van technologiestudies de kop opgestoken hebben. In het bijzonder analyseert hij de manier waarop er door westerse wetenschappers wordt gedaan aan risico analyse. Het aanvankelijke paradigma waarmee risico’s werden benaderd is het zogenaamde probabilisme. De auteur beschrijft deze benadering als volgt: ‘Throughout modern times risk has been interpreted through the language of propability. From this perspective the outcomes associated with risks are expressed as probabilities.’ Risico’s werden beschreven als de mogelijk nadelige gevolgen die konden optreden bij het gebruiken van technologieën. Het doel van het probabilisme was om deze risico’s zo goed mogelijk in kaart te brengen en te berekenen waar en wanneer ze zich konden voordoen. Essentieel bij deze aanpak was het achterliggende idee dat de risico’s geassocieerd met technologische vooruitgang, berekenbaar zijn. Bovendien zijn ze altijd ondergeschikt aan de mogelijke voordelen die de introductie van nieuwe technologie met zich meebrengen. Het probabilisme gaat uit van twee premissen: technologische vooruitgang impliceert meer voordelige dan nadelige consequenties en de potentieel nadelige consequenties zijn berekenbaar, inschatbaar en bijgevolg in veel gevallen ook beheersbaar. Deze benadering hangt nauw samen met het vooruitgangsoptimisme dat we kunnen associëren met de moderniteit. Tijdens deze periode in de westerse geschiedenis werd het geloof in wetenschappelijke en technologische vooruitgang op een voetstuk geplaatst. De voortbrengselen van de westerse technologie brachten voornamelijk voordelen met zich mee en waren quasi onuitputtelijk qua omvang en hoeveelheid. Deze positieve ontwikkelingen zorgden voor het ontstaan van een geloof in technologische vooruitgang die compleet beheersbaar was door de mens.

Gedurende het tweede deel van de twintigste eeuw kwamen de grondbeginselen van het probabilisme steeds meer onder vuur te liggen. Vooral door environmentalisten werd er steeds meer gehamerd op de negatieve consequenties van technologische vooruitgang en de mogelijk schadelijke impact ervan op onze leefwereld. De environmentalisten worden doorheen dit boek meermaals met de vinger gewezen als primaire oorzaak voor het einde van het probabilisme. Een denker die Furedi terecht aanhaalt binnen deze context is de vooraanstaande Duitse socioloog Ulrich Beck. Deze legde in zijn werken over de door hem benoemde risicosamenleving een sterke nadruk op de potentieel schadelijke consequenties van technologie. Het hele concept van een risicosamenleving impliceert het idee dat de moderne mens technologieën in het leven heeft geroepen waarvan hij zelf de potentiële consequenties niet meer kan controleren binnen de structuren van de moderniteit. Het voorbeeld waarop Beck zijn concept van de risico samenleving baseert, is de ontploffing van de nucleaire centrale in Tsjernobyl in 1986 en de gevolgen van deze catastrofe op de andere landen in Europa.

De potentieel catastrofale consequenties van moderne technologie liggen volgens Beck tegenwoordig buiten het bereik en de controle van de mens. Onder invloed van deze en andere analyses bekeerden wetenschappers en analisten die zich bezighouden met risicoanalyse zich tot het zogenaamde possibilisme. Binnen dit paradigma wordt de relatie tussen vooruitgang en risico op zijn hoofd gezet. Niet langer wordt vooruitgang gezien als de normale toestand met negatieve consequenties als een uitzondering. Het zijn in tegendeel de potentieel nadelige consequenties die worden opgeheven tot het niveau van de normaliteit. Catastrofes zijn de regel en potentieel voordelige gevolgen van technologie worden herleid tot de uitzondering. Het gevolg van deze verandering op de concrete praktijk is volgens Furedi enorm. Specialisten houden zich binnen dit nieuwe paradigma niet meer bezig met het berekenen van de omvang van mogelijk negatieve consequenties van technologie, maar leggen zich toe op het bedenken van het ergst mogelijke scenario dat kan optreden. Dit is een direct gevolg van het idee dat negatieve consequenties en niet vooruitgang worden gezien als normaal. Wanneer men uitgaat van het idee dat alle technologische vooruitgang zal leiden tot catastrofes met potentieel globale omvang, verschuift de aandacht binnen onderzoek van het bepalen en pogen tot controleren van negatieve consequenties naar het beschrijven van de grootst mogelijke negatieve consequenties. Worst case scenario’s nemen de bovenhand op rationele analyses.

Een opvallend gegeven dat we terugvinden in dit boek is dan ook het feit dat Furedi vaststelt dat risicoanalisten zich steeds meer beroepen op sciencefiction boeken om hun onderzoek uit te voeren. Zo is het algemeen bekend dat Amerikaanse veiligheidsdiensten sinds de aanslagen van 11 september 2001 een beroep doen op scenarioschrijvers uit Hollywood in een poging om in de geest te kunnen kruipen van terroristen. Dat mensen die actief zijn in de filmsector beschikken over de noodzakelijke verbeeldingskracht om potentiële terroristische rampen te voorspellen ligt aan de basis van deze opmerkelijke evolutie. Volgens Furedi ondermijnt deze benadering de wetenschappelijkheid en objectiviteit van risico analyse en geraken zelfs de publieke gezagsdragers met belangrijke functies in de ban van een buitensporige doemscenario’s. Een interessant voorbeeld is dat van de roman The Cobra Web van de Amerikaanse schrijver Richard Preston. Geschreven als een fictief werk over een terroristische aanslag met massavernietigingswapens op een Amerikaanse stad, groeide dit boek tijdens het einde van de jaren negentig uit tot een soort bijbel voor risicoanalisten actief in de regering van de toenmalige Amerikaanse president Bill Clinton. Furedi schrijft over deze bijzondere ontwikkeling het volgende: ‘What is fascinating about the response to the Cobra Event is the manner in which a work of fiction was effortlessly converted into an expert narrative which scientists and security professionals had to take seriously.>/I>’ Na de publicatie van het boek in 1996 werd de auteur gepresenteerd als een expert binnen publieke debatten aangaande terrorisme. Daarnaast werd het boek ook door echte experts grondig gelezen en aanzien als een handboek in plaats van een roman.

De vraag die we ons moeten stellen is of een meer behoedzame omgang met technologische vooruitgang per definitie een slechte zaak is. Weinig redelijke mensen zullen betwisten dat bepaalde technologieën en technologische systemen tegenwoordig zo krachtig zijn dat de gevolgen bij onvoorziene omstandigheden catastrofaal kunnen worden genoemd. Dit is dan ook niet het punt dat Furedi probeert te maken. Voorzichtigheid met betrekking tot technologie en het inbouwen van garanties tegenover mogelijke rampen is ook voor hem belangrijk. Problematisch is echter de verschuiving van het probabilisme naar het possibilisme. Volgens Furedi is het perfect mogelijk om binnen een probabilistische benadering om te gaan met de potentiële risico’s die gepaard gaan met technologische vooruitgang. Het possibilisme is volgens hem een negatie van risicoanalyse zelf. Door te vertrekken van het primaat van de catastrofe wordt het berekenen en voorkomen van risico’s onmogelijk gemaakt of in ieder geval gezien als onrealistisch. Wat er overblijft, is het formuleren van worst-case scenario’s of doembeelden die het einde van de globe presenteren.

De proliferatie van deze doembeelden zorgt op zijn beurt voor een toename van defaitisme. Het idee dat de risico’s inderdaad zo groot zijn dat ze niet kunnen worden tegengegaan, leidt tot een overheersend gevoel van machteloosheid. Om de hoek ligt de verleiding om de schouders op te halen en te proclameren dat we niets kunnen doen aan de negatieve consequenties van technologie en enkel kunnen inbeelden wat het ergst mogelijke is dat ons kan overkomen. Dit defaitisme creëert op deze manier een gevoel van angst ten aanzien van de toekomst: ‘An inflated consciousness of the dangers that lie ahead encourage an apocalyptic style of engagement with the future.’ Het possibilisme leidt ultiem tot een alomtegenwoordig gevoel van onzekerheid ten aanzien van de toekomst. Een omkering van het optimistische zelfbeeld van de mens tijdens de moderne tijd. Deze scepsis ten aanzien van de moderne tijd en haar technologie beschrijft Furedi als volgt: ‘Despite impressive scientific achievements, contemporary culture appears sceptical about society’s ability to know very much about the future. Far from living in an optimist age of triumphalism, 21st century society possesses an uncannily modest account of its intellectual capacity and potential.

Belangrijk is de invloed van het probabilisme op de diensten die zich bezighouden met het bestrijden van terrorisme. Binnen zijn onderzoek naar officiële rapporten over terroristische dreigingen binnen westerse samenlevingen merkt Furedi een overduidelijke overgang van het probabilisme naar het possibilisme op. Niet langer houden deze diensten zich bezig met het rationeel berekenen van de mogelijkheid waarin een terroristische aanslag zich zal voordoen, maar steeds meer zaaien ze angst door op de proppen te komen met worst-case scenario’s. Opvallend is bovendien dat de doemscenario’s niet alleen worden gebruikt als basis om intern onderzoek op te baseren maar ook simpelweg worden gecommuniceerd aan de bevolking. Verhalen dat terroristen er op uit zijn om gehele Amerikaanse steden van de kaart te vegen waren de laatste maanden dan ook niet uit de lucht gegrepen in de VS. Steeds meer geven instanties de indruk dat het voorkomen van een terroristische aanslag een onmogelijkheid is geworden en dat we ons beter kunnen voorbereiden op het allerergste. Het defaitisme dat gekoppeld is aan het possibilisme komt hier in zijn volle glorie in het daglicht te staan.

Kwetsbaarheid

De kritiek op de possibilistische benadering van risico’s is niet louter een abstract wetenschappelijk debat tussen verschillende modellen. Waar het Furedi echt om te doen is, is de invloed van het possibilisme op de westerse cultuur. Zoals hierboven beschreven gaat het possibilisme uit van worst case scenario’s en leidt dit niet alleen tot een excessieve aandacht voor fictieve verhalen maar ontstaat er ook een gevoel van defaitisme of machteloosheid. Dit gevoel dringt vervolgens door in de cultuur als geheel. Dit kan worden opgemerkt door de toename van het woord kwetsbaarheid (vulnerability) in de media en politieke verklaringen. Steeds meer krijgen we tegen het einde van het eerste decennium van de eenentwintigste eeuw in de oren geknoopt dat we leven in een kwetsbare samenleving. Een samenleving die onder permanent gevaar verkeert en die zelfs in haar voortbestaan wordt bedreigd. Een alomtegenwoordige angst voor terroristische aanslagen is hier het meest duidelijke voorbeeld van, maar het is zeker niet het enige. Denken we maar aan de aandacht die er tegenwoordig is voor het probleem van de opwarming van de aarde. Opnieuw moet hier worden benadrukt dat Furedi ons niet probeert mee te delen dat de opwarming van de aarde geen reëel probleem is. Waar het hem om gaat is de manier waarop het probleem geconceptualiseerd wordt. Deze manier is identiek als bij de beschrijving van het probleem van het terrorisme: het gevaar wordt steeds meer beschreven als onbeheersbaar. Het is geen kwestie meer of maar wanneer we de ramp op ons bord voorgeschoteld krijgen. Irrationele angsten met betrekking tot gevaren die worden beschreven als onvermijdelijk nemen de bovenhand op rationele risico analyses die kunnen leiden tot pogingen om het probleem te controleren.

Het beschrijven van onze cultuur als een kwetsbare cultuur is de belangrijkste kritiek van Furedi. Dit zelfbeeld is een ondermijning van de principes van de moderne tijd die door de auteur hoog in het vaandel worden gedragen. Onder deze principes figureren het geloof in technologische vooruitgang en de controleerbaarheid van technologie door de mens prominent. De socioloog Furedi ziet dit niet graag gebeuren. Terecht is zijn waarneming dat het ondermijnen van deze principes van de moderne tijd hebben geleid tot een westerse cultuur waarin opmerkelijk veel aandacht is voor kwetsbaarheid. In een tijdperk waarin de menselijke mogelijkheden en de technologische verwezenlijkingen op een hoogtepunt zijn aanbeland, zijn we ook steeds meer onzeker over deze ontwikkelingen. Het defaitisme binnen de hedendaagse cultuur is onmiskenbaar. Het woord vooruitgang heeft tegenwoordig een negatieve connotatie en wordt door cultuurpessimisten beschreven als voorbijgestreefd en naïef. Als empirische beschrijving van de hedendaagse westerse cultuur is dit boek dan ook zeer inzichtrijk. Als geen ander slaagt de auteur er in om de algemene grondstemming van westerse samenleving terecht te beschrijven als een gevoel van kwetsbaarheid. Anderzijds is het opvallend dat hij niet ingaat op de positieve manieren waarop de heersende onzekerheid en gevoelens van kwetsbaarheid kunnen bijdragen aan een voortzetting van de moderniteit.

Wanneer we grondiger kijken naar de werken van de Duitse socioloog Ulrich Beck, die kan aanzien worden als een vertegenwoordiger van het door Furedi zo verfoeide possibilisme, zien we immers niet alleen pessimisme en defaitisme. Het concept van de risicosamenleving van Beck impliceert inderdaad op sommige plaatsen in zijn werk dat bepaalde technologische ontwikkelingen buiten het bereik liggen van menselijke capaciteiten ter controle van de consequenties van deze technologie. Wat Beck echter ook schrijft is dat deze onmacht een gevolg is van de structuren van wat hij de eerste moderniteit noemt. Onder andere impliceert dit de moderniteit van de territoriale natiestaten waarin politiek uitsluitend het domein is van politici die verantwoordelijkheid dragen voor het territoriale gebied waarvan zij de vertegenwoordigers zijn. Volgens Beck bestaat onze opdracht er dan ook in om de bestaande structuren van de eerste moderniteit te vervangen door nieuwe structuren die de problemen met betrekking tot technologische vooruitgang opnieuw kunnen beheersen. Concreet verstaat hij hieronder kosmopolitische structuren die globale problemen zoals de opwarming van de aarde of het terrorisme wel krachtdadig kunnen aanpakken. Deze kosmopolitische structuren zouden dan het begin inleiden van de tweede moderniteit. Een periode die door hem aanzien wordt als een verderzetting van de eerste moderniteit omdat essentiële kenmerken zoals het geloof in rationaliteit en wetenschappelijke vooruitgang behouden blijven.

Deze analyse van Beck wordt ook gedeeld door de vooraanstaande socioloog Zygmunt Bauman die het bestaan van de angstcultuur onder andere wijt aan de scheiding tussen macht en politiek. Volgens deze interpretatie is er tegenwoordig vooral sprake van negatieve globalisering van macht terwijl de politiek lokaal geworteld blijft in territoriale natiestaten. Dit heeft tot gevolg dat heel wat problemen die globaal zijn van aard niet efficiënt kunnen worden aangepakt. De oplossingen van de politiek zijn immers lokaal, en dit op hetzelfde ogenblik dat problemen een uitgesproken globaal karakter hebben. Deze inefficiëntie heeft tot gevolg dat individuen binnen westerse samenlevingen een gevoel krijgen van machteloosheid. Het zijn volgens Bauman deze gevoelens van machteloosheid die leiden tot een angstcultuur. Als oplossing stelt hij daarom net als Beck voor om te werken aan globale politieke structuren die er ook daadwerkelijk in slagen om hedendaagse problemen efficiënt aan te pakken.

Kortweg kunnen we besluiten dat Furedi zich opnieuw zeer vaardig toont in het blootleggen van wat er heerst in de westerse samenleving aan het begin van deze eeuw. Op beschrijvend niveau is het moeilijk om een speld tussen zijn betoog te krijgen. Hij slaat nagels met koppen, om het met een cliché te stellen. De westerse identiteitscrisis en de toename van het beschrijven van onze samenleving als zijnde kwetsbaar, zijn gegevens die amper kunnen worden weerlegd. Hij slaagt er echter niet in om ons een uitweg te bieden uit de impasse waarin we ons als westerse samenleving vandaag bevinden. Enerzijds is er een vaag pleidooi voor het construeren van een robuuste westerse identiteit, anderzijds is er de kritiek op het possibilisme en het resulterende defaitisme. Daarnaast is er in het laatste hoofdstuk van dit boek ook nog aandacht voor de veerkracht van gemeenschappen wanneer deze geconfronteerd worden met tegenslagen. Doorheen de geschiedenis gaat hij op zoek naar voorbeelden waarbij mensen niet reageren op catastrofes met paniek en onzekerheid maar met vastberadenheid en de kracht om terug te slaan. Dit is volgens hem zoals het zou moeten gaan met het probleem van het terrorisme of zelfs de opwarming van de aarde. Mensen moeten de kracht vinden om te reageren en om iets te doen aan de gevaren waarmee ze geconfronteerd worden. Dit is een betere reactie dan de stap te zetten naar het defaitisme en cultuurpessimisme dat zo kenmerkend is voor veel leden van de hedendaagse culturele elite van het westen. Deze vaststelling van Furedi is terecht maar moet worden aangevuld met het kosmopolitisme van Ulrich Beck. Alleen via het construeren van politieke structuren die geschikt zijn om de wortels van hedendaagse problemen aan te pakken, is veerkracht een geloofwaardig alternatief ten aanzien van angst. Furedi heeft gelijk wanneer hij beweert dat we moeten ophouden met onszelf nodeloos bloot te stellen aan gevaren die worden uitvergroot door het hameren op het bestaan van een cultuur van kwetsbaarheid strijdig met de principes van de moderne tijd. Wat hij vergeet is dat we hiervoor structuren en instellingen nodig hebben die corresponderen met de wereld waarin we aan het begin van deze eeuw leven.


Recensie door Christophe Andrades



Andrades, C. (2007). Angst aan het Begin van de Eenentwintigste Eeuw. In: Krisis. Tijdschrift voor actuele filosofie (105-110). Vol. 1. 2007

Bauman, Zygmunt (1999). In Search of Politics. Cambridge: Polity Press.

Bauman, Zygmunt (2006). Liquid Fear. Cambridge: Polity Press.

Beck, Ulrich (1999). World Risk Society. Cambridge: Polity Press.

Beck, Ulrich (2006). Cosmopolitan Vision. Cambridge: Polity Press.

Furedi, Frank (2004). Where Have all the Intellectuals Gone? Confronting 21st Century Philistinism. London: Continuum.

Furedi, Frank (2005). Politics of Fear. Beyond Left and Right. London: Continuum.

Soros, Georges (2006). The Age of Fallibility. The Consequences of the War on Terror. London: Phoenix Books.

Furedi Frank, Invitation to Terror. The Expanding Empire of the Unknown, London, Continuum, 2007

Links
mailto:Chris.Andrades@HISTORY.unimaas.nl
Share |

De Arabische Revolutie:

tussen droom en werkelijkheid

Op woensdag 5 april 20.00 uur

Afspraak in De Markten (Oude graanmarkt 5, 1000 Brussel) voor een avond met Koert Debeuf,

schrijver, columnist, directeur van het Tahrir Institute for Middle East Policy Europe en onderzoeker aan de Universiteit van Oxford.

Zijn recentste boek is "Inside the Arab Revolution. Three Years on the Front Line of the Arab Spring".

Koert zal gebaseerd op zijn persoonlijke ervaringen de Arabische Revolutie trachten te kaderen door parallellen te trekken met de Franse Revolutie en door een aantal inzichten te bieden in het Midden Oosten.

Uw aanmeldingsmail aan info@liberales.be geldt als inschrijving.

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be