Het bouwen van een staat

boek vrijdag 22 april 2005

Francis Fukuyama

Voorbijgaand aan allerhande vooroordelen, voorbij de gangbare ideologieën bespreekt Fukuyama de grootste kwestie van de huidige en toekomstige wereldgemeenschap: hoe zwakke of mislukte staten institutioneel heropbouwen? Van armoede tot aids, van terrorisme tot drugs, veel van ’s wereld ernstigste problemen vinden hun oorsprong in staten die ofwel gewoonweg geen beleid hebben, ofwel de kracht ontbreken om het uit te voeren.

De aids-problematiek illustreert heel duidelijk het belang van de staat. Alleen in Afrika zijn er al meer dan 25 miljoen mensen besmet; het overgrote deel zal eraan sterven. En het onlangs ter beschikking komen van aids-remmers tegen een lagere prijs zal hier maar weinig aan veranderen. Om deze effectief toe te dienen is het immers noodzakelijk dat er gezondheidsprogramma’s opgestart worden daar de remmers in gecombineerde dosering en over lange termijn moeten worden toegediend. Staten die kunnen voorzien in een sterke infrastructuur van de gezondheidszorg zijn dus noodzakelijk om deze globale pandemie effectief aan te pakken.

Ook voor de economische ontwikkeling van een land zijn instellingen de kritische factor. Met andere woorden en terugkomend op de ‘Washington Consensus’ die vooronderstelde dat elke mate van liberalisering waarschijnlijk beter was dan geen enkele liberalisering, stelt Fukuyama dat de kracht van een staat belangrijker is dan het bereik ervan. Hij verwijst hiervoor naar het ontwikkelingsverschil tussen Zuid-Amerika waar het beleid de voorbije decennia beheerst werd door liberalisering en privatisering, en Oost-Azië met sterke en regulerende staten. Verder steunt hij hiervoor op de positieve correlatie tussen het BBP van een land en het percentage van het BBP dat een land naar zich toetrekt. Dit laatste geeft een indicatie voor de sterkte van een staat.

Dat een land beter sterke instellingen heeft waarvan de bevoegdheid soms te ver reikt, dan zwakke die zich beperken tot datgene waartoe ze zich moeten beperken, heeft volgende oorzaak. Inperking van het bereik van een staat leidt voor ontluikende staten ofwel tot een verzwakken van de kracht, ofwel tot een behoefte aan nieuwe staatsfuncties die onvoldoende of niet beantwoord kan worden. En zoals de economische en financiële crisissen uit de jaren ’90 ons geleerd hebben kan het niet beantwoorden van institutionele noden dramatische gevolgen hebben.

Maar voor wie hier halleluja denkt te kunnen roepen en het einde van de geschiedenis te zullen betreden zal Fukuyama slechts ontgoocheling brengen. Staten opbouwen mag dan wel dé oplossing zijn, de problemen verbonden met het opbouwen van een staat van buitenaf zijn onoverkomelijk. Niet alleen blijken er ernstige beperkingen te zijn verbonden aan het vermogen van externe machten om een vraag naar instellingen te creëren. Bovendien is de noodzakelijke kennis ‘om naar Denemarken te gaan’ moeilijk over te dragen.

Fukuyama schenkt aandacht aan vier factoren in het aanbieden van instellingen: het openbare bestuur of management, de vorm van het openbare bestuur (bijvoorbeeld presidentieel versus parlementair), de legitimeringbasis en een aantal culturele en structurele factoren. Voor elke factor zijn er twee problemen. Ten eerste ontbreken we de kennis van de ideale vorm van deze factor. Ten tweede blijken de plaatselijke beperkingen, mogelijkheden, gebruiken, normen en omstandigheden van primordiaal belang te zijn, waardoor er slechts een beperkte mate van overdraagbaarheid is.

Als we de institutionele capaciteit van een minder ontwikkeld land werkelijk willen vergroten, moeten we dan ook de metafoor veranderen die beschrijft wat we hopen te doen. Zo gaan we niet naar een land met steunbalken, bakstenen, machines,… om de fabriek te helpen bouwen die wij ontworpen hebben. In plaats daarvan moeten we met middelen aankomen die de bewoners motiveren hun eigen fabriek te bouwen die efficiënt werkt. En dat is iets wat ongetwijfeld veel geduld vraagt, heel veel.

In concreto kennen we het best directe middelen aan overheidsinstellingen toe om capaciteit op te bouwen, zonder er weliswaar scherp omlijnde voorwaarden mee te verbinden. Wel moeten strenge normen worden aangelegd voor het geven van rekenschap over omschreven resultaten. Dit beleid bootst als het ware de werking van de markt na: niet hoe een bedrijf eruit ziet telt, als het maar rendeert.

Dat het ieder ondertussen duidelijk mag geworden zijn dat met zulke opvattingen het Westfaalse systeem van onafhankelijke natiestaten dood en begraven is. Het is een land niet meer toegelaten om het even wat te doen binnen haar grenzen, met haar onderdanen. In een geglobaliseerde wereld zijn de gevolgen voor de andere staten immers te groot. Het soevereiniteitsbeginsel is niet meer heilig.

De cruciale vraag is echter wie het toegestaan is de onafhankelijkheid van een land te doorbreken. En hoe breed en diepgaand Fukuyama’s uiteenzetting toe nu geweest is, hoe beperkt en oppervlakkig ze hier is. Steunend op Kagan stelt hij dat de Europeanen geloven in hogere rechtsbeginselen en de Amerikanen in de wil van een meerderheid van democratische staten. Hij voegt eraan toe dat het Europese standpunt in abstracto juist is, maar in de praktijk verkeerd: niet alleen worden de hogere rechtsbeginselen slechts beperkt geïncarneerd door organen als de VN. Bovendien is van een afdwingen ervan al helemaal geen sprake.

Maar over welk Europa heeft Fukuyama het hier? Toch niet dit van de nieuwe lidstaten? Of toch niet dat van de Britten, de Denen, de Italianen of Nederlanders? En als hij het over de Belgen, Fransen en Duitsers heeft, vergeet hij dan niet dat ook zij bereid zijn zonder de VN te gaan als de veiligheidsraad geblokkeerd tegen de wil van een meerderheid van democratische staten (de Balkan, Ivoorkust,…)? En in wat geloven de ‘Europeanen’ als ze geloven in hogere rechtsbeginselen?

Dat het nogal magere einde van Fukuyama’s laatste boek de rest niet in de schaduw stelt. Haarfijn analyseert hij de grootste uitdaging van de wereldgemeenschap en onomwonden geeft hij onze grenzen aan in het oplossen ervan. Daardoor is dit ongetwijfeld een te lezen boek voor ieder die geïnteresseerd is in internationale politiek, een boek dat als beginpunt geldt, meer vragen oproepend dan beantwoordend, maar wel van de belangrijkste.


Recensie door Kevin Torck

Francis Fukuyama, Het bouwen van een staat, Contact, 2005

Links
mailto:Kevin.Torck@telenet.be
Share |

De Arabische Revolutie:

tussen droom en werkelijkheid

Op woensdag 5 april 20.00 uur

Afspraak in De Markten (Oude graanmarkt 5, 1000 Brussel) voor een avond met Koert Debeuf,

schrijver, columnist, directeur van het Tahrir Institute for Middle East Policy Europe en onderzoeker aan de Universiteit van Oxford.

Zijn recentste boek is "Inside the Arab Revolution. Three Years on the Front Line of the Arab Spring".

Koert zal gebaseerd op zijn persoonlijke ervaringen de Arabische Revolutie trachten te kaderen door parallellen te trekken met de Franse Revolutie en door een aantal inzichten te bieden in het Midden Oosten.

Uw aanmeldingsmail aan info@liberales.be geldt als inschrijving.

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be