Na het neoconservatisme

boek vrijdag 13 oktober 2006

Francis Fukuyama

Een van de meest opmerkelijke opiniemakers van de voorbije jaren is Francis Fukuyama. Met zijn boek Het einde van de geschiedenis en van de laatste mens riep hij in 1989 de liberale democratie uit tot de finale overwinnaar in de strijd tussen de ideologieën. Een controversiële stelling die al snel betwist werd. Toch inspireerde de neoconservatieve denker heel wat politici en intellectuelen tot een sterk geloof in de vrije markt als oplossing voor tal van problemen. Het zette neoliberalen en libertariërs aan tot een vorm van marktfundamentalisme. Zelf stuurde Fukuyama zijn neoconservatieve gedachtegoed voortdurend bij. In De grote scheuring uit 1999 wijst hij er op dat het verval van gemeenschapszin en de uitholling van het gezag door de individualisering vanaf de jaren zestig inzette, als grootste bedreiging voor de stabiliteit van liberale democratieën, alweer op z'n retour is. Zijn ethische standpunten komen aan bod in De nieuwe mens uit 2002 waarin hij vraagtekens plaatst bij wenselijkheid van de biotechnologie en de genetische manipulatie. Twee jaar later verschijnt Het bouwen van een staat waarin hij State-building als een dwingende uitdaging voor de wereldgemeenschap ziet.

Francis Fukuyama was actief in de denktank Project for the New American die al onder Bill Clinton aanstuurde op een hardere lijn tegen Sadam Hoessein die de wapeninspecteurs van de VN tegenwerkte, hij werd lid van de Raad voor de bio-ethiek onder president Georges W. Bush en was in 2005 medeoprichter van The American Interest. Hij wordt algemeen beschouwd als een van de architecten van het Amerikaanse neoconservatisme. Vandaar de wereldwijde verbazing over zijn nieuwste boek Na het neoconservatisme met als ondertitel Waar rechts verkeerd afsloeg. Centraal staat zijn stelling dat het begrip neoconservatisme door de twee regeringen van Georges W. Bush aardig besmet is geraakt. ‘Ik ben tot de conclusie gekomen dat het neoconservatisme zich als politiek symbool én als gedachtegoed heeft ontwikkeld tot iets wat ik niet langer steun’, zo schrijft hij in zijn voorwoord. En daarbij keert hij zich vooral tegen de Amerikaanse buitenlandse politiek en de oorlog in Irak. Wat volgt is een vlijmscherpe kritiek op de ideologische uitgangspunten waarop beslist werd om Irak binnen te vallen. In elk geval maakt Fukuyama duidelijk dat er grenzen zijn aan de zegeningen van de Amerikaanse wereldheerschappij.

Blijkbaar rekende Bush en zijn regering op een relatief korte oorlog in Irak en een snelle overgang naar een democratie, hierin gesteund door het ‘bevrijde’ volk. Het bleek een illusie. Volgens Fukuyama maakte de regering drie inschattingsfouten. Ze overdreef de bedreiging die de radicale islam voor de VS vormde, ze onderschatte de sterk anti-Amerikaanse sentimenten door geen rekening te houden met de Verenigde Naties, en ze voorzag niet wat er nodig was om vrede te brengen in Irak en het land weer op te bouwen. Vooral het tweede punt is hier opvallend, namelijk het belang dat Fukuyama blijkbaar hecht aan het serieus nemen van internationale instituties. Daarmee positioneert hij zich niet langer in het kamp van het neoconservatisme maar in wat hij zelf omschrijft als ‘realistisch wilsonianisme’. Die term refereert naar de voormalige Amerikaanse president Woodrow Wilson die na de Eerste Wereldoorlog de oprichting van de Volkenbond voorstelde. In 1919 kreeg hij hiervoor de Nobelprijs voor de vrede. In essentie komt het erop neer dat de VS meer begrip moet hebben voor wat er in andere landen gebeurt, dat het zijn buitenlands beleid moet demilitariseren en dat regimes alleen in uiterste nood met militaire middelen mogen worden omver geworpen.

Deze visie staat haaks op de neoconservatieve visie die eerder gericht is op interventionisme, zeg maar het opleggen van democratieën in andere staten. Die visie werd in de jaren negentig uitgetekend door onder meer William Kristol en Robert Kagan die weinig heil zagen in internationale instellingen maar aanstuurden op een uitbreiding van de Amerikaanse invloed in de rest van de wereld. Daartoe zagen ze drie middelen: ‘een overweldigende militaire superioriteit, een hernieuwde trouw aan Amerikaanse bondgenoten, en raketten om het Amerikaanse thuisland tegen een tegenaanval te beschermen.’ Vanuit hun visie dat de Amerikaanse macht moet worden ingezet voor morele doelstellingen, pleitten ze ook expliciet voor regimeveranderingen teneinde de democratie te verbreiden. Het zijn die ideeën die door Georges W. Bush letterlijk in de praktijk werden gebracht. Natuurlijk speelde 11 september een belangrijke rol in de Amerikaanse perceptie tegenover gevaar van buiten uit. Vooral de combinatie van radicaal islamisme en massavernietigingswapens zorgde (en zorgt) voor nachtmerries in het Witte Huis en, met de beelden van de aanslagen op hun netvlies, ook van de gewone Amerikanen die verwachten dat hun veiligheid gewaarborgd wordt.

Wat Fukuyama sterk benadrukt is het feit dat men niet alle moslims op eenzelfde hoop mag gooien. ‘We vechten niet tegen de islam of zijn aanhangers, maar tegen een radicale ideologie die een bijzondere moslimminderheid aanspreekt’, aldus de auteur. Daarmee zet hij zich af tegen de ‘botsing van beschavingen’ zoals voorspeld werd door Samuel Huntington. Hij ziet trouwens minder gevaar in vrome moslims in de Arabische wereld dan in fanatieke groepjes in West Europa, waarmee hij aangeeft dat nieuwe aanslagen eerder in Europa dan in de VS kunnen plaatsvinden. Al met al betekent dit dat een puur militair antwoord op een relatief kleine groep fanaten onmogelijk is. In elk geval betreurt de auteur de oorlog in Irak die op basis van verkeerde premissen is begonnen. Zijn zwaarste kritiek op de neoconservatieve politiek terzake is de lichtzinnigheid waarmee men veronderstelde dat met de verdrijving van Saddam Hoessein er plots een democratie zou opstaan. ‘Voor er sprake kan zijn van democratie, moet er eerst een staat zijn.’ Een staat die beschikt over een rechtstelsel en die capabel is om de veiligheid van de burgers te verzekeren en eigendomsrechten te respecteren.

Sommigen wijzen erop dat de VS wel geslaagd zijn in het opzetten van een democratie in voormalige dictaturen zoals Duitsland en Japan, maar dat waren zeker geen zwakke staten. De pogingen van de VS om de democratie ingang te doen vinden op Cuba, in Nicaragua, de Dominicaanse Republiek en Haïti waren in elk geval minder succesvol. Een bevolking moet zich willen aansluiten bij de democratische gemeenschap. De Britse denker Mark Leonard ziet hier het grote verschil tussen de VS en de Europese Unie. Terwijl de Amerikanen met geweld democratieën willen opleggen, transformeren Oost-Europese landen zich met enthousiasme en geweldloos in democratieën om bij de Europese Unie te kunnen aansluiten. En Fukuyama gaat nog verder. Hij wil dat de VS een actieve rol speelt in de economische ontwikkeling van arme landen. ‘Het is eenvoudigweg onacceptabel dat het rijkste en machtigste land in de geschiedenis van de mensheid onverschillig staat tegenover de benarde situatie van landen die het niet alleen ontbreekt aan menselijk potentieel en sociale middelen, maar die er ook nog eens in levensstandaard geleidelijk op achteruit gaan.’ Het is een zin die zo uit een boek van een andersglobalist geplukt lijkt, maar het is hier geschreven door iemand die tot voor kort raadgever was van de Amerikaanse president. Fukuyama vervolgt dat we niet alleen onze waarden en instituties moeten delen, maar ook onze welvaart. Hij wijst op de nauwelijks 0,17 van het Amerikaanse BNP dat besteed wordt aan ontwikkelingshulp, een van de laagste van alle OESO-leden, en dat veel geld niet terecht komt bij wie het nodig heeft.

Toch blijft Fukuyama bijzonder kritisch tegenover de bestaande internationale instellingen en dan vooral tegenover de Verenigde Naties. Daarin zitten namelijk nogal wat autoritaire en onderdrukkende landen en voor hun slagkracht (zeg maar financiële behoeften) zijn ze teveel afhankelijk van de grote donoren, zoals de VS die wantrouwig staan tegenover diezelfde VN. Het alternatief is volgens Fukuyama ‘een scala aan internationale organisaties die voor het oplossen van verschillende problemen op het gebied van de wereldorde zowel over macht als legitimiteit beschikken.’ Origineel is zijn idee om bij die organisaties ook bedrijven, kamers van koophandel en NGO’s te betrekken. Dit is helemaal niet zo utopisch als het klinkt. Vooral met betrekking tot landen die nauwelijks over een staat beschikken lijkt zo een samenwerking inderdaad aangewezen. De auteur ziet zelfs iets in een soort Gemeenschap van Democratieën in de geest van Kants ideaal van een volkenbond van staten die over een republikeinse staatsvorm beschikten.

In elk geval zitten de VS met een levensgroot probleem. Minister van Defensie Rumsfelt hoopte op een korte interventie maar alles wijst erop dat de Amerikaanse troepen in een soort guerrillaoorlog zijn terechtgekomen. Volgens Fukuyama kan alleen een nieuw team de geloofwaardigheid van de VS herstellen. Als kritiek op de huidige president en zijn beleid kan dit tellen. De schade die de VS hebben opgelopen, is enorm. De beelden van de mishandelde gevangenen in Abu Ghraib staan op het netvlies van elke onbevooroordeelde kijker, en intussen groeit het protest over de manier waarop mensen al jarenlang zonder enige vorm van proces en rechtsbescherming worden vastgehouden op Guantanamo Bay. Het lijkt erop dat de Amerikanen zich, net zoals destijds in Vietnam, hebben klemgereden en door de holle retoriek van hun leiders geen uitweg vinden. In elk geval heeft de oorlog in Irak voor Fukuyama aangetoond dat er grenzen zijn aan de effectiviteit van het Amerikaanse leger. Het boek van Fukuyama komt laat, maar beter een late bekeerling dan een koppige ezel. Hij eindigt zijn boek met de Machiavellistische uitspraak: ‘De heerser moet niet alleen goede bedoelingen hebben, hij moet ook voorzichtig en verstandig zijn in het uitoefenen van zijn macht.’


Recensie door Dirk Verhofstadt

Francis Fukuyama, Na het neoconservatisme, Contact, 2006

Links
mailto:verhofstadt.dirk@pandora.be
Share |

De Arabische Revolutie:

tussen droom en werkelijkheid

Op woensdag 5 april 20.00 uur

Afspraak in De Markten (Oude graanmarkt 5, 1000 Brussel) voor een avond met Koert Debeuf,

schrijver, columnist, directeur van het Tahrir Institute for Middle East Policy Europe en onderzoeker aan de Universiteit van Oxford.

Zijn recentste boek is "Inside the Arab Revolution. Three Years on the Front Line of the Arab Spring".

Koert zal gebaseerd op zijn persoonlijke ervaringen de Arabische Revolutie trachten te kaderen door parallellen te trekken met de Franse Revolutie en door een aantal inzichten te bieden in het Midden Oosten.

Uw aanmeldingsmail aan info@liberales.be geldt als inschrijving.

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be