De staat van verschil. Een kritiek van de gelijkheid

boek vrijdag 01 februari 2008

Paul Frissen

Een lege volledig pluralistische staat

Zou u een vegetariër vertrouwen die een beenhouwerij uitbaat? Je zou het op zijn minst een bizarre carrièrekeuze kunnen noemen. Welnu, de Nederlandse hoogleraar Bestuurskunde Paul Frissen houdt niet van de Staat maar kan er ook niet over zwijgen. Heeft hij het niet over De lege staat (1999) of De versplinterde staat (1991) dan schrijft hij wel een boek over De virtuele staat (1996) of, zoals nu, over De Staat van Verschil (2007). Met een gezond wantrouwen hebben we dan ook het boek gelezen en geconstateerd dat dit wantrouwen deels wel degelijk gefundeerd was, maar grotendeels onterecht bleek en dit omwille van de terechte bezorgdheid van Frissen met betrekking tot de Staat en zijn macht.

Frissen is geen aanhanger van de verzorgingsstaat met al zijn regelneverij en controle. ‘De ultieme consequentie van burgerschap is dat de burger het ongewenste prefereert boven het gewenste, dat hij zichzelf tekort doet in de ogen van anderen, dat hij contrair aan zijn eigen belang handelt, dat hij onverstandig is en zich zelf beschadigt. Als we hiervoor terugdeinzen, zullen we omvangrijke systemen van beheersing voor lief moeten nemen.’ Want, ‘bij het ontwerp van beleid en regels moet er op worden geanticipeerd; na implementatie van beleid en regels moeten ze worden gecompenseerd. Daarom is de dichtheid van regels zo intens. En omdat er zo vaak nobele intenties aan ten grondslag liggen is het uiterst gecompliceerd regels te laten verdwijnen. Dat leren ook de vele pogingen tot deregulering: om de onbedoelde en meestal ongewenste gevolgen te vermijden is er vaak meer corrigerende regelgeving nodig dan er wordt afgeschaft.’

Vooral omwille van dat laatste is Frissen ook geen aanhanger van een Staat die streeft naar gelijkheid. Zijn boek is dan ook een virulente aanklacht tegen het uniformiserende gelijkheidsdenken van de moderne Staat. Hoe gelijker een Staat zijn burgers wil behandelen, hoe meer ze zich bekommert om de ultieme gelijkheid te realiseren onder de burgers onderling, hoe meer ze zich, noodzakelijk, zal gaan moeien met het leven van deze burgers. In de ultieme panoptische maatschappij zal de Staat zijn burgers dan ook in al zijn facetten kunnen controleren. Voor Frissen is gelijkheid dan ook louter en alleen een juridisch begrip, want voor de rest ziet hij in de maatschappij slecht meervoudigheid, ambiguïteit, ongelijkheid en particularisme en deze zaken dienen niet bij het grote huisvuil terecht te komen, maar dienen in wezen gekoesterd te worden.

De theoretische onderbouw van dit boek haalt hij bij schrijvers als Blokland (het pluralisme en het incrementeel pragmatisme) en Berlin en Nozick (vanwege het negatieve vrijheidsbegrip), maar vooral toch bij de Franse postmodernisten als Deleuze wiens terminologie hij meer dan frequent gebruikt zodat er op den duur wel een zekere verzadiging optreedt. Centraal in zijn benadering staat het rizoom, een ondergrondse, meestal horizontaal lopende, al dan niet opgezwollen stengel. Deze uit de plantkunde afkomstige term blijkt een zeer populaire metafoor te zijn in het postmodernistische denken. Immers, ‘(e)r is horizontaliteit, er is veelheid, er is woekering, er is non-hiërarchie, er is non-centraliteit... De meest bekende variant is uiteraard het netwerk der netwerken: het internet’. Frissen, die zich vroeger meestal alleen met ICT gerelateerde zaken bezighield, past deze metafoor toe op het hele staatsbestel en de bestuurskunde. ‘Het differentiedenken beschouwt stelsels, samenhangen en gehelen als een institutioneel verlangen naar totalen, die overzichtelijk zijn en zo te beheersen vallen. Dat verlangen is totaliserend omdat het aan pluraliteit slechts de grenzen kan stellen van het formele verbod dat bij voorkeur tot gelegaliseerde insluiting moet leiden. Voor ambiguïteit kan geen plaats zijn. De begrenzingen van het totale zijn per definitie enkelvoudig, ook al claimen ze universele gelding. Maar in een meervoudige werkelijkheid kan er geen overkoepelend totaal, geen hiërarchische samenhang, geen sytemische geslotenheid zijn op straffe van vernietiging van pluraliteit.’

Het mag gezien zijn ‘uitvinding’ van De Lege Staat dan ook niet verwonderen dat Paul Frissen ten zeerste gecharmeerd is door deze terminologie. ‘Dat is wat ik in eerdere publicaties de leegte van de staat heb genoemd. De plek van de politieke macht moet leeg blijven van inhoudelijke en normatieve opvattingen over het goede leven. Het goede leven is een waarde die pluralistisch en dus particularistisch is. De articulatie van specifieke waarden inzake het goede leven is gebaat bij een zo maximaal mogelijke interpretatie en bescherming van negatieve vrijheid’. En ‘Dat maakt een libertaire staatsconceptie nog niet neutraal. Dat is ook niet de betekenis van een lege of minimale staat. Het maakt echter noodzakelijk dat de staat, vanwege zijn immorele rechten (zijn monopolies op belastingen en geweld), zelf geen morele doelen stelt of nastreeft, maar volkomen pluralistisch is.’ Een lege staat past dus wonderwel bij onze postmoderne conditie alsook bij de postmoderne terminologie.

België als lege staat?

Voedt Frissen met zulke schrijfsels niet de alom om zich heen grijpende antipolitiek niet, is het geen academische koren op de molen van zekere populismen? Frissen laat nog altijd het primaat van de politiek gelden, maar dan gebaseerd op het begrip negatieve vrijheid van Berlin, dwz dat de staat leeg dient te zijn, vrij van doelen en dat die staat het initiatief dient over te laten aan zijn burgers. Omdat er bij die burgers meervoudige opinies bestaan mag de staat zijn voorkeur niet laten blijken.

De enige goede staat is een aanmodderende staat. ‘Als wetgeving terughoudend moet zijn – de enig mogelijke beperking en legitimatie van de meerderheidsregel – dan is een instrumentalistische rechtsopvatting uitgesloten en is in de beleidsvorming incrementalisme vanzelfsprekend. Voortmodderen dus, zoals Lindblom dat zo prachtig heeft benoemd’ en ‘Incrementalisme is in zijn voorlopigheid bescheiden en ironisch. We kunnen ons vergissen, we kunnen posities over het hoofd zien.’ Toen professor Frissen in oktober jongstleden in Brussel een lezing gaf over dit boek, bleek dit soort passages door het publiek bijzonder hilarisch ontvangen te worden bij zijn respondenten (zie http://www.vub.ac.be/iPAVUB/dv_div_staat3.html). Hem werd als het ware politiek asiel aangeboden in België. Ook citaten als ‘In een hedonistische cultuur is de illegaliteit vanzelfsprekend: de regels zijn er immers om geïnterpreteerd en ontdoken te worden’, zijn niet bepaald van dien aard om de gemiddelde Belg, academisch of niet, met verstomming te slagen. Ze sluiten wonderwel aan bij wat wel eens onze volksaard genoemd wordt.

Een hoofdstuk in zijn boek heet ‘Voortmodderen’ en hierin kunnen we lezen dat ‘De politiek moet voortmodderen dus beschermen en bevorderen’. Met voortmodderen bedoelt Frissen dat wetgeving altijd voorlopig moet zijn en zich bewust dat ze altijd omkeerbaar moet zijn, dat er nergens een overkoepelende waarheid bestaat. We kunnen ons altijd vergissen en daarom moeten we met bescheiden stapjes voortgaan teneinde een burgeroorlog te vermijden. Frissen zou een groot minnaar moeten zijn van besprekingen op zijn Belgisch. Op het ogenblik van zijn oktoberlezing bevonden kende België een demissionair kabinet, wat volgens Frissen de ideale staat vormt voor een land vermits dit soort regering geen initiatiefrecht heeft. Leeg en demissionair kunnen dan als synoniemen beschouwd worden. 180 dagen heeft België deze staat van genade gekend (en blijkbaar heeft dit België, volgens minster van Financiën Reynders, slechts enkele honderduizenden euro’s gekost wat dan weer ruimschoots gecompenseerd werd door de verminderde uitgaven aan kabinetten en kabinetsuitgaven.), en toch was er in België geen hoerastemming. Integendeel zelfs, hoe langer het duurde hoe meer het volk in al zijn geledingen morde, spot en cynisme scheerden hoge toppen. Blijkbaar stuitte het differentiedenken daar op zijn belangrijkste psychologische grens: ‘Daarmee is de eerste grens van de differentie geschetst: het private verlangen naar betekenis die eenheid en verbinding geeft’.

Maar België zou België niet zijn of ook hierop werd een antwoord gevonden. Het was dan wel niet de gedoodverfde winnaar van de verkiezingen, Yves Leterme, die ons land uit de zuigende modder trok, maar wel de tandem Albert II-Verhofstadt. Die specifieke oplossing bestond in een staaltje staatsmanskunde zonder weerga, opzichtiger en duidelijker windowdressign werd zelden eerder vertoond. Eens te meer kwam België uit de impasse zonder bloedvergieten. Eens te meer kunnen we een lichtend voorbeeld zijn voor landen met gelijkaardige problemen. Niet dat er iets opgelost is natuurlijk. Wel werd een soort constructie opgesteld die naar buitenuit het gezicht van België moet redden. Van de lege staat van het demissionaire kabinet kwamen we terecht in de proforma staat van de interim-regering.

Het mag dan ook niet verbazen dat er her en der stemmen opgaan die zich afvragen of we niet zonder staat kunnen. De facto werden deze stemmen eind december door de nieuwe regering omwille van een zogenaamde terroristische dreiging het zwijgen opgelegd door de invoering van een soort staat van beleg. België, c.q. de nieuwe interim-regering, greep hier dus onmiddellijk naar het zwaarste monopolie, het geweldmonopolie van de staat, om duidelijk te maken dat de staat niet leeg was. Of was het eerder een geval van de keizer die geen kleren droeg?

Hoe verder met Frissen?

Wij zijn een groot voorstander van een zorgvuldige benadering van het werk van Paul Frissen. Achter zijn kunstzinnig uiterlijk, zijn keuze voor snelle sportauto’s, zijn televisieshows in Nederland en zijn sprekerstalent zit een ernstige denker die op een persoonlijke wijze zijn gedachten formuleert maar zeker niet helemaal alleen staat in het denklandschap. Frissen spreekt elke burger aan die persoonlijke keuzen maakt wars van door markt en overheid gedicteerde oplossingen.

Een partner in crime voor Frissen zien we bijvoorbeeld ook in David J. Hunter, hoogleraar Public Policy and Health aan de Britse Durham University, die in een recent opiniestuk (Jamie Oliver is belangrijker voor onze gezondheid dan nóg een ziekenhuis erbij, in NRC-Handelsblad, 7 november 2007), pleitte voor een ander beleid inzake het opzetten van gezondheidssystemen gericht niet op zorg maar op gezondheid zelf en dit wars van neoliberale én klassieke verzorgingsstaatoplossingen. Het voorbeeld van Jamie Oliver toont aan dat een beleid waarbij zelfreflectie, confrontatie met betekenisvolle burgers en burgerinitiatief wel degelijk zin hebben, aldus Hunter, die in zijn benadering vertrekt van zeer aan Frissen verwante uitgangspunten zoals onder meer dat 1) Gezondheidszorgsystemen willen groeien (Het systeem van zorg leidt tot de vorming van gevestigde belangen. Die zijn expansionistisch: ze willen niet alleen overleven, maar zelfs uitbreiden en 2) Hogere gezondheidsuitgaven leiden niet tot betere gezondheid (Internationale vergelijkingen van kosten en baten brengen enkele merkwaardige patronen aan het licht. Landen die minder uitgeven aan de zorg, of nu Japan is of Cuba, hebben vaak een betere gezondheidsstatus dan landen die meer investeren, zoals de Verenigde Staten).

Een Nederlandse commentator zag parallellen met eerder werk van Van Gunsteren, nog zo’n imposante denker uit Nederland, die net als Frissen een optimistische opvatting over democratie en zelforganisatie de waarde van variëteit en ongestuurde verbindingen in een vrije samenleving laat prevaleren boven snelle oplossingen van bovenaf (Schrijver, J., Laatste boek Paul Frissen eye-opener, 29 juni 2006, 2p. htttp:www.bestuurskunde.nl.). Schrijver wijst er terecht op dat Frissens denkbeelden, een zachte mix van liberalisme en anarchisme, niet kunnen teruggebracht worden tot de gebruikelijke karikaturen. Er is bijgevolg geen sprake bij Frissen van een overheid niet afziet van interventies. Integendeel. De staat kan en mag op allerlei manieren interveniëren (onder meer voor veiligheid, duurzaamheid, ondersteuning van zwakke belangen, bemiddeling inzake conflicten), zolang maar de differentie in stand gehouden en gekoesterd wordt. Het creëren van condities voor zelfregulering en zelfsturing veronderstelt zelfs allerlei vormen van niet-inhoudelijke sturing en regulering.

Overheidshandelingen zouden bijgevolg moeten zelfrapporteren, niet alleen wat de gevolgen op het milieu betreft maar ook wat de morele gevolgen betreft. In managerstaal: ‘kunnen we empoweren of zijn we weer zoals gebruikelijk alleen aan het reguleren’. Of België tijdens de voorbije politieke crisis nu werkelijk beter af was zonder regering valt nog te bezien. Bij een zorgvuldige beantwoording van die vraag spelen meerdere parameters, onder meer empirisch en staatskundig. Zo moet rekening gehouden worden met het gegeven van federale staatsstructuren die maken dat de deelstatelijke structuren overeind blijven tijdens een federale crisis. Beantwoording van die vraag heeft zijn waarde, maar we doen het oeuvre van Frissen meer recht door ons de vraag te stellen of precies op de punten waarin er in de voorbije crisis een probleem was (onder meer de prijs van de stookolie die alleen door de regering kon verlaagd worden tijdens de koude wintermaanden), geen behoefte is aan herdenking van de onze verzorgingsstaat. Dat is wat anders dan pleiten voor een minimale staat of een zakenkabinet. De vraag wordt dan: ‘Toont het probleem van de stookolieprijzen niet aan dat onze verzorgingsstaat te complex is op dit punt?’ ‘Kunnen we de achterliggende problematiek (armen de winter doorhelpen) niet anders helpen?’ Dergelijk bevraging maakt een politieke crisis wel dankbaar en laten een staat toe zichzelf in vraag te stellen voorbij de zelfgenoegzaamheid.

Intellectueel Vlaanderen heeft in de voorbije jaren veel beroep gedaan op vooraanstaande Nederlandse stemmen zoals Paul Cliteur en Job Cohen. Wij zouden graag Paul Frissen toevoegen aan dat lijstje. Zijn postliberale ideeën (kan dat begrip geclaimd worden? Zoja dan hierbij), die recht doen aan de waardigheid van de burger en aan de rijke politieke cultuur en erfenis in landen zoals Nederland en België, verstoren vele zelfgenoegzame bestuurlijke reflexen.


Recensie door Paul De Hert en Michel Huygens



Paul De Hert is professor aan de Vrije Universiteit Brussel. Michel Huygens is filosoof.

Paul Frissen, De staat van verschil. Een kritiek van de gelijkheid, Amsterdam, Van Gennep, 2007, 317p

Links
mailto:paul.de.hert@uvt.nl
Share |

De Arabische Revolutie:

tussen droom en werkelijkheid

Op woensdag 5 april 20.00 uur

Afspraak in De Markten (Oude graanmarkt 5, 1000 Brussel) voor een avond met Koert Debeuf,

schrijver, columnist, directeur van het Tahrir Institute for Middle East Policy Europe en onderzoeker aan de Universiteit van Oxford.

Zijn recentste boek is "Inside the Arab Revolution. Three Years on the Front Line of the Arab Spring".

Koert zal gebaseerd op zijn persoonlijke ervaringen de Arabische Revolutie trachten te kaderen door parallellen te trekken met de Franse Revolutie en door een aantal inzichten te bieden in het Midden Oosten.

Uw aanmeldingsmail aan info@liberales.be geldt als inschrijving.

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be