We hebben nood aan meer en betere vrijheid van meningsuiting. Die kan nooit absoluut zijn, daarom moeten we de grenzen van vrije expressie en informatie bespreken in belangrijke domeinen zoals privacy, religie, diversiteit en nationale veiligheid. Het betekent ook methodes en manieren identificeren die ons in staat stellen om die bepalende menselijke eigenschap – namelijk vrij kunnen spreken – ten volle tot haar recht te laten komen vandaag. De analyse vertrekt niet vanuit het luchtledige, maar duidelijk vanuit een sterk liberaal kader. Met de wil om het louter intern-Westers debat te overstijgen. Het doel is te komen tot een meer universeel universalisme – essentieel voor samenleven in de 21ste eeuw -, of anders gezegd om te komen tot regels en standaarden die het best zijn voor iedereen. Denk aan credo van Isaiah Berlin: ‘more people in more countries at more times accept more common values than is often believed.’

Cosmopolis

De veranderde context waarin we leven, en waarin we debat over vrijheid van meningsuiting moeten voeren, kan best omschreven worden als ‘cosmopolis’: een diverse en verbonden wereld-als-stad. Welke ‘kansen’ biedt het internet? Het is gemakkelijker om dingen publiek te maken en moeilijker om dingen privé te houden. Het eerste heeft een groot bevrijdend potentieel, maar tweede net een omgekeerd onderdrukkend potentieel. Om de strijd voor macht in de wereld te begrijpen maakt hij onderscheid tussen drie categorieën:

(1) Grote honden: De VSA zijn nog steeds meest machtige land, thuis voor meeste globale informatieplatformen en communicatiesystemen, en meest expliciete en systematische toewijding aan vrijheid van meningsuiting. Het gaat hier om unilateraal universalisme: heel de wereld zou beter af zijn indien ze ook de ‘first amendment’ traditie zouden volgen. De Amerikaanse interpretatie van ‘internet vrijheid’ houdt twee ideeën in: algemeen principe dat internet open, vrij en neutraal moet zijn zoals voorzien door Amerikaanse libertaire uitvinders, en specifiek idee dat sociale netwerken, smartphones, etc. kunnen dienen als bevrijdingstechnologieën in autoritaire regimes. Naast de VSA is er natuurlijk nog de EU, ofwel de grootste, rijkste en multinationale markt ter wereld. Daarnaast is er ook nog China, de grootste poging van een machtige staat om informatie, ideeën en beeldenstroom te controleren. Cyberspace is volgens hen de vijfde dimensie van nationale soevereiniteit, naast land, zee, lucht en ruimte. De officiële regel is ‘ja voor vrijheid van meningsuiting, maar binnen bepaalde noodzakelijke grenzen’ ofwel ‘het gidsen van de publieke opinie’. China heeft echter ook een groeiende impact buiten zijn eigen grenzen. Het promoot een globale norm van nationale en territoriale controle over het internet. China staat dus voor universeel unilateralisme. De VSA, EU en China zijn de drie grote honden die strijden om dominantie. Daarnaast heb je verschillende regionale machten (BRIC landen), dit zijn de ‘swing states’ van vrije meningsuiting.

(2) Grote katten: Google, Twitter, Facebook en anderen zijn geen landen, maar wel supermachten. Ze zijn ook wel eens omschreven als ‘privately owned public spaces’, met een constante spanning tussen de publieke dienst die ze aanbieden en private winstmotief dat ze nastreven. Ze hebben een gigantische hoeveelheid aan gedetailleerde en persoonlijke data over jou. Ze gebruiken die niet om je te onderdrukken, maar ze verkopen die aan adverteerders. Bovendien bestaat er zoiets als ‘aangepast zoeken’ op het internet, met een groot risico op fragmentatie in tal van kleine informatie-cocoons (‘the Daily Me’). Dit soort zichzelf versterkend groepsdenken is het omgekeerde van liberaal ideaal van een online publieke sfeer, waarin we constant geconfronteerd worden met ongemakkelijke waarheden, tegenargumenten, andere waarden die ons dwingen om onze eigen gedachten constant in vraag te stellen (cfr. JS Mill On Liberty). In de verkeerde handen, met verkeerde bedoelingen, voelt dit sterk Orwelliaans aan. De grootste macht is ontwikkeld wanneer de grote honden en katten zich verenigen, ofwel P2 ‘power squared’, met enorme opportuniteiten voor vrijheid van meningsuiting, maar ook met enorme bedreigingen. Een belangrijk debat is welke houding de private supermachten moeten aannemen ten opzichte van de eisen/vragen van landen. De deals hierover zijn cruciaal voor de effectieve vrijheid van meningsuiting in onze tijd.

(3) De Muizen: de conclusie dat wij, burgers, machteloos staan tegenover deze ontwikkelingen is een sterke onderschatting van onze positie. Internet biedt ook enorme mogelijkheden voor individuen om te communiceren, verbinden en organiseren. Wat het meest gevreesd wordt door een staat zoals China is het netwerk van stemmen dat leidt tot collectieve actie. Burgers hebben op vier niveaus invloed: (1) internationale verdragen, organisaties en netwerken, (2) nationale wetten, beleid en gebruiken, (3) persoonlijke relatie met de private supermachten (cfr. Albert Hirschmann drie opties: exit, voice & loyalty), (4) creëren van eigen virtuele en fysieke gemeenschappen om ideeën uit te wisselen. De macht van de muizen kan goed of slecht zijn, maar wie bepaalt dit? Kern van boodschap van de Verlichting: denk voor jezelf!

Een case waar auteur dieper op ingaat is de video ‘Innocence of Muslims’ op Youtube. Het gaat om een derderangs amateurfilmpje dat door internet een eigen mondiaal leven gaat leiden, met rellen en doden tot gevolg. Stuk uit speech van Obama hierover: ‘the strongest weapon against hateful speech is not repression, it is more speech – the voices of tolerance that rally against bigotry and blasphemy, and lift up the values of understanding and mutual respect.’

Idealen

Waarom moeten meningen vrij zijn? De Westerse intellectuele traditie geeft vier antwoorden: zelf, waarheid, bestuur, diversiteit. Het eerste argument is dat we vrijheid van meningsuiting nodig hebben om onze individuele menselijkheid ten volle te realiseren. Dit is een gevolg van de essentiële soevereiniteit van het individu. Om onszelf te zien als gelijke, autonome en gelijke mensen, moeten we soeverein zijn in het beslissen wat te denken/geloven en in afwegen van verschillende redenen om te handelen (of niet). Het tweede argument is dat het ons helpt om de waarheid te vinden. Dit idee, het best gevat door JS Mill, wordt door Bernard Williams omschreven als ‘survival of the true’. Samen met zijn ‘harm principle’ vormt het nog steeds kern van debat over vrijheid van meningsuiting. In de VSA wordt het vaak beschreven met een andere metafoor, namelijk de ‘marketplace of ideas’ (cfr. Oliver Wendell Holmes, Amerikaans Hooggerechtshof en Friedrich Hayek in The Use of Knowledge in Society).

Het derde argument is dat het noodzakelijk is voor goed bestuur. Dit gaat terug tot pleidooi voor vrij spreken in deliberatieve democratie in Klassieke Oudheid, in Athene. Het omvat twee idealen: parrhesia, vrij en onbevreesd spreken, en isegoria, gelijkheid van spreken. Vrijheid van meningsuiting maakt deliberatieve democratie mogelijk, wat op zijn beurt goed bestuur mogelijk maakt. Dit is kern van Westerse liberale democratie. Ronald Dworkin benadrukt dat vrijheid van meningsuiting een voorwaarde is voor legitiem bestuur (‘each citizen has not just a vote but a voice’). Het is de levenslijn van een democratie. Het is ook nodig om de overheid te controleren. Amartya Sen: ‘no famine has ever taken place in the history of the world in a functioning democracy’. Hij verbindt dit expliciet aan de informatiestroom, zowel naar het volk als naar de machthebbers, mogelijk gemaakt door een vrije pers. Het vierde argument is cruciaal voor het leven in een cosmopolis, het helpt ons om te gaan met diversiteit (zie Locke, Kant). Lee Bollinger: ‘freedom of expression tests our ability to live in a society that is necessarily defined by conflict and controversy; it trains us in the art of tolerance and steels us for its vicissitudes’. De vier argumenten samen worden kernachtig omschreven door Dieter Grimm (Duits Hooggerechtshof): individuele zelfontwikkeling en collectieve zelfdeterminatie. Meeste aandacht in literatuur gaat naar vraag: hoe vrij moet het spreken zijn? Jammer genoeg gaat minder aandacht naar even belangrijke vraag: hoe moet het vrij spreken zijn? Of anders gezegd, op welke manier moet dat juist gebeuren? ‘A right to say it does not mean that it is right to say it. A right to offend does not entail a duty to offend’. De eerste vraag kan niet beantwoord worden zonder de tweede. Hoe minder we willen regelen via wetten, hoe meer we zelf moeten doen. Hoe minder we erin slagen om zaken zelf te regelen in hoe we met elkaar omgaan, hoe meer er beroep zal gedaan worden op politie en rechtbanken om het werk voor ons te doen. Aung San Suu Kyi – boegbeeld van strijd in Myanmar – benadrukt ook belang van ‘right speech’, in besef dat woorden zowel kunnen kwetsen als genezen. Het misbruiken van cadeau van vrije meningsuiting om anderen te bedriegen of schaden is in het algemeen onaanvaardbaar. Ook JS Mill eindigt zijn hoofdstuk over vrije meningsuiting met beschrijving van hoe publieke debat moet zijn. Deze gewoontes en manieren, die niet via wet verplicht kunnen worden, noemt hij de ‘real morality of public discussion’.

Centraal in dit boek staat dat vrijheid van meningsuiting zo min mogelijk via wetgeving of ingrijpen door overheid moet beperkt worden, maar dat wij, als burgers, meer moeten doen om gedeelde normen en praktijken te ontwikkelen die ons in staat stellen om het beste te halen uit deze cruciale vrijheid. Het lijkt soms alsof wetten en normen twee verschillende zaken zijn, zoals water en vuur. In werkelijkheid zijn ze meer zoals ijs en water, twee verschillende toestanden van dezelfde materie, één hard, één zacht. Corey Brettschneider gebruikt John Locke’s observatie ‘it is one thing to persuade, another to command’ om te stellen inzake vrijheid van meningsuiting dat de dwingende macht van de staat slechts zeer spaarzaam gebruikt mag worden, maar dat de expressieve of persuasieve macht van de staat volop gebruikt mag worden. De hamvraag is dan niet: moet de staat dit verbieden of niet? Maar wel: wat is de geschikte vorm van (niet)beperking, legaal of niet, geschreven of niet, voor deze specifieke mening of informatie in deze context? Op welke basis moeten we dit soort beslissingen nemen?

De meeste debatten rond vrijheid van meningsuiting in het Westen kunnen best gevat worden in termen van schade aan anderen (‘harm to others’) and belediging (‘offence’). JS Mill ‘harm principle’ luidt als volgt: ‘the only purpose for which power can be rightfully exercised over any member of a civilised community, against his will, is to prevent harm to others’. Vele liberalen vinden dit voldoende als beperking. Beledigingen zijn onvoldoende. Niemand heeft immers het recht om niet beledigd te worden. Maar wat is schade juist? En wat beledigend? Het hangt eigenlijk allemaal af van de context. Joel Feinberg pleit voor toevoeging van ‘offence principle’ met een aantal wettelijke beperkingen, op voorwaarde dat beledigingen intentioneel, significant en niet redelijk vermijdbaar. Er zijn echter goede redenen om beperkingen van vrijheid van meningsuiting te weigeren op basis van puur subjectieve beledigingen. Willen we mensen zijn die zich constant beledigd voelen, of willen we onze kinderen zo opvoeden?

Bovendien leven we in een zeer diverse cosmopolis, met steeds meer aanleidingen om ons beledigd te voelen. Als iets door haast iedereen onaanvaardbaar wordt bevonden dan moet er een beperking komen. Verbod op kinderporno is de uitzondering die de regel bevestigt: het is één van de weinige zaken waar bijna iedereen het erover eens is om dit online te verbieden. Er zijn drie manieren om met de nieuwe realiteit om te gaan: (1) iedere overheid probeert zijn eigen grenzen te stellen, (2) internet blijft grotendeels open, en daardoor steeds meer beledigend, (3) inzien dat we moeten leren met hoger niveau van beledigingen, maar werken aan verschillende normen en omgangsvormen die het in goede banen moeten leiden. ‘Rather than institutionalise thin skins we can encourage everyone, starting with ourselves, to grow thicker skins’. Wetgeving en ingrijpen van de overheid moet beperkt blijven tot bestrijden van echte schade. Daarnaast is het van belang om positieve stappen te zetten om een open cultuur van debat en robuuste beleefdheid te ontwikkelen (in onderwijs, pers, etc.). Dit zal continue leerproces zijn.

Is dit niet volledig geënt op Westerse intellectuele traditie? Hoe komen we tot een gedeelde basis voor een transcultureel debat? Die zoektocht naar meer universalisme is cruciaal in cosmopolis vandaag. Westers univeralisme wordt (begrijpelijk gezien de geschiedenis) met veel argwaan onthaald, en vaak omschreven als een variant van een Westers liberaal imperialisme. Amartya Sen en Kwame Anthony Appiah hebben bijvoorbeeld aangetoond dat veel van die universele waarden en vrijheden niet exclusief Westers zijn, maar juist terug te vinden zijn in andere culturen. Zo ook met vrijheid van meningsuiting; het maakt zowel in theorie als in praktijk deel uit van andere culturen. Zo spreekt Aung San Suu Kyi over de ‘human civilisation’, en niet over beschavingen in het meervoud die dan moeten botsen. Kortom, de klemtoon ligt in haar betoog op wat ons verbindt als mensen. Dit neemt niet weg dat vrijheid van meningsuiting (als systematisch en geïnstitutionaliseerd gebruik) een specialiteit van het Westen is. Er zijn verschillende manieren om tot gedeelde basis te komen: ‘Do we agree because it is right?’ Ronald Dworkin belichaamt deze strekking, liberale vrijheden en rechten vormen de waarheid omdat het afgeleid is van de ratio. ‘Or is it right because we agree?’. Jurgen Habermas, met zijn nadruk op belang van dialoog, belichaamt deze strekking. Dit boek heeft als groter doel een zoektocht naar een meer universeel univeralisme, bestaande uit onze eigen principes, en hun basis, op een manier die ons in staat stelt om een betekenisvol transcultureel gesprek aan te gaan.

Tien regels

Regel 1: ‘Lifeblood’

“We – all human beings – must be free and able to express ourselves, and to seek, receive and impart infromation and ideas, regardless of frontiers.”

Dit is het basisprincipe. Vrije meningsuiting is niet zomaar één van de vele vrijheden. Het is die vrijheid waarop de rest steunt. Het is het levensbloed dat meningen en feiten doet stromen doorheen het politieke lichaam. Het is een universeel recht voor iedere mens. Het is van belang om dit recht niet alleen theoretisch te hebben, maar ook in de praktijk. Dit gaat over meer dan alleen wetgeving, maar ook over macht en mogelijkheden. Je zou zelfs kunnen zeggen dat internet toegang een fundamenteel recht voor alle mensen zou moeten zijn. Wat betreft informatie zou het leidend principe moeten zijn: vrij om te kiezen. Een voordeel van het internet is dat het mensen op een eenvoudige manier de kans geeft om te kijken/luisteren, of net niet. De algemeen geldende regel is: je zou vrij moeten zijn om te ontvangen wat anderen wensen mee te delen, of net niet als je dat niet wilt. Zijn er dan geen beperkingen aan de stroom van informatie en ideeën? Natuurlijk wel, maar die moeten gerechtvaardigd, proportioneel, duidelijk en open voor contestatie zijn. Vraag is dus: welke beperking, hoe te realiseren, wanneer, waar en door wie? Context is alles, het antwoord zal verschillen naargelang plaats, tijd, publiek, en medium. Het is, zoals reeds gezegd, even belangrijk om creatief na te denken over manieren waarop we de vrijheid van meningsuiting het best gebruiken, ‘good speech’. De vraag ‘hoe moet vrij spreken zijn’ is even belangrijk als ‘hoe vrij moet spreken zijn’. De twee hangen samen.

Regel 2: ‘Violence’

“We neither make threats of violence nor accept violent intimidation.”

De auteur noemt dit ‘the assassin’s veto’. Het kwaad dat schuilt in zovele illegitieme misbruiken of beperkingen van vrijheid van meningsuiting is een bedreiging met geweld. Een belangrijk debat vandaag gaat er over of haat prediken (‘hate speech’) verboden moet worden bij wet. Veel Europese beleidsmakers vinden van wel, terwijl Amerikaanse (volgens hun ‘first amendment’ traditie) vinden van niet. In ieder geval is het belangrijk om een onderscheid te maken tussen extreme schade door fysiek geweld en andere vormen van (bv. psychologische) schade, zoals inbreuken op menselijke waardigheid en gelijkheid. Bovendien moeten we ook in het oog houden waar de bedreiging vandaan komt (opnieuw belang van context, en niet eindigen met verwijten aan slachtoffer (of jezelf). Zij die met geweld dreigen moeten met alle kracht bestreden worden via wetgevend kader (en bv. opsluiting in gevangenis). De eerste taak is duidelijk maken welke uitingen een bedreiging met geweld zijn in de hedendaagse cosmopolis (en dus een ingreep van de overheid vergen). Een klassiek vertrekpunt is de zaak Brandenburg Vs. Ohio van Hooggerechtshof in VSA. Clarence Brandenburg was leider van racistische Ku Klux Klan. De Brandenburg test heeft drie essentiële delen: geweld moet intentioneel én waarschijnlijk én immanent zijn. Context is alles, en de duivel schuilt in kleine details, maar een moderne versie van de Brandenburg test is goede leidraad.

Cosmopolis maakt de test moelijker dan in de tijd van JS Mill. Maar er is een groot verschil tussen ‘dangerous speech’ (zeer specifiek) en ‘hate speech’ (heel breed)! Dit onderscheid wordt jammer genoeg te weinig gemaakt, zeker in Europa. ‘Hate speech’ kan je best niet bestrijden via wetgeving. Hoe kunnen we dan best omgaan met ‘assassin’s veto’? Een zekere sociale solidariteit en bescherming door de overheid is nodig (denk aan Salman Rushdie, Ayaan Hirsi Ali, Charlie Hebdo die beveiliging kregen). De geest van Voltaire is nodig. Voltaire zei nooit ‘ik ga niet akkoord met wat je zegt maar ik zal je recht om het te zeggen verdedigen tot de dood’, maar het citaat (van schrijver SG Tallentyre) vat de attitude van de verlichtingsdenkers wel goed samen. De ‘assassin’s veto’ creëert een waar dilemma dat moeilijk op te lossen. Denk aan replicatie van Deense Mohammed cartoons in andere kranten. Minst slechte oplossing volgens auteur is, voor uitzonderlijke casen zoals dit, het ‘één-klik-weg’ principe. Plaats het materiaal in kwestie online, en laat dan mensen zelf beslissen. Het heeft drie grote voordelen: snelheid, afstand en persoonlijke keuze. Media zouden materiaal dus online moeten plaatsen, in de juiste context en één klink verwijderd. Daarnaast is het cruciaal om te onthouden dat ‘the best answer to bad speech is more and better speech’.

Regel 3: ‘Knowledge’

“We allow no taboos against and seize every chance fort he spread of knowledge”

Alles dat helpt bij creatie, verwerving en verspreiding van kennis verdient bijzondere bescherming en promotie. Er zijn legitieme beperkingen aan verspreiding van wetenschappelijke kennis, maar de schade van publicatie ervan moet in dat geval duidelijk, significant en proportioneel zijn. Ook op universiteiten is er een groeiende bezorgdheid dat vrijheid van meningsuiting wordt beperkt op vaak subtiele en incrementele wijze. Het gaat dan over campusversies van het subjectieve ‘ik ben beledigd’ veto (via bijvoorbeeld weigering tot uitnodiging om te spreken). Een universiteit, net zoals een parlement, zou bij uitstek plek moet zijn waar beleefde zelfregulering van spreken geldt met als doel een hoogstaand debat. Het zijn ook laatste plekken waar de veto’s zouden mogen winnen. Een onderdeel van dit debat over kennis is natuurlijk kennis over het verleden, ‘de geschiedenis’. Denk aan de negationisme wetgeving in 14 Europese landen, met gevangenisstraffen van 1 tot 10 jaren. Mensen verbieden bij wet om de Holocaust te ontkennen is compleet de verkeerde benadering. Het is niet alleen ineffectief, het opent de deur voor kritiek van dubbele standaarden. In onze complexe wereld kunnen we best consistent zijn, zeker over gevoelige zaken. Dit wil niet zeggen dat we negationisme moeten aanvaarden, integendeel: we moeten het openlijk en zo sterk mogelijk bestrijden en weerleggen. Dit vraagt een expressieve rol van de overheid, geen dwingende. De grote sprong voorwaarts in de beschikbaarheid van data, informatie en kennis roept veel vragen op over wat juist toegankelijk moet zijn, wanneer, hoe, voor wie en tegen welke prijs? Denk maar aan de grote spanning tussen vrije toegang en bescherming van intellectuele eigendom, copyright. We betaalt hiervoor, wie profiteert en wie beslist? De maximalisatie (in kwaliteit en kwantiteit) en verspreiding van kennis vereist een zorgvuldige, strikt gelimiteerde en effectieve bescherming van intellectuele eigendom. Kennis is een publiek goed die vaak ondersteund wordt door private supermachten zoals Google. Hoewel Google search een fantastisch instrument is in de zoektocht naar kennis, zijn er drie redenen tot bezorgdheid: (1) de algoritmes verhullen de waardeoordelen die eraan ten grondslag liggen, (2) de dominante positie als informatie ‘gatekeeper’, (3) de drang tot winstmaximalisatie van adverteerders drijft wat we vinden. De derde en laatste is de grootste bedreiging van allemaal. Wikipedia is een totaal ander soort private supermacht, dat werkt via een totaal ander model. Het is non-profit, en balanceert autoriteit met een vorm van democratie.

Regel 4: ‘Journalism’

“We require uncensored, diverse, trustworthy media so we can make well-informed decisions and participate fully in political life.”

Vanuit invalshoek van vrijheid van meningsuiting is de hamvraag: wat willen we van de media? En hoe bereiken we dat? Ze maken het mogelijk voor burgers om goed geïnformeerde keuzes te maken inzake beleid en ten volle te participeren in het publieke/politieke leven. De media zijn de eerste en voornaamste manier om een publieke sfeer te creëren, en aan zelfbestuur te doen. Drie eigenschappen zijn cruciaal: ongecensureerd, divers en betrouwbaar. Een vrije pers is kenmerkend voor een vrij land, terwijl censuur dat is voor een dictatuur. Hoewel censuur vaak geassocieerd wordt met iets dat een staat doet, kan het ook door een religieuze organisatie, bedrijven, etc. gedaan worden. De auteur bedoelt met censuur een illegitieme beperking van de vrijheid van meningsuiting, terwijl regulering een legitieme beperking is. Dit onderscheid wordt vaak niet gemaakt, in autoritaire regimes zelfs bewust want censuur wordt daar verpakt als regulering. Opnieuw komt een centraal idee in het boek terug: zorg voor strikte en consistente wettelijke handhaving voor duidelijke schade, maar gebruik normen en principes voor de rest. Een belangrijke stap om hiertoe te geraken is transparantie. Hoe meer een overheid zich gaat mengen met de werking van de media, hoe groter de verleiding van politieke machthebbers om het te misbruiken. Iedere inmenging moet zorgvuldig in de gaten gehouden worden, zodat legitieme regulering geen censuur wordt.

De grootste bedreiging voor een divers medialandschap is zonder meer het eigenaarschap van die media, denk maar aan Silvio Berlusconi of Rupert Murdoch. Die media-eigenaars werpen terecht op dat een politiek en financieel onafhankelijke pers noodzakelijk is ter controle van de politieke macht, maar zij zelf hebben een macht die gecontroleerd moet worden. Meer dan ooit geldt in de media het gezegd ‘money speaks’, en dat moet ons zorgen baren. De observatie dat ‘de functie van de pers is de samenleving te informeren, maar haar rol is winst te maken’ geldt voor de kranten in de 19de eeuw maar evengoed nu in de digitale wereld. Deze zorgwekkende trends worden gecounterd door een ongekende stroom aan live verslagen, blogs, tweets, op digitale platformen. De ‘editoriale’ beslissingen van de private supermachten zoals Youtube, Twitter, etc. zijn vaak te weinig transparant en weerspiegelen de culturele normen van de eigenaars/werknemers (en hun commerciële motieven). Meer transparantie en verantwoording hierover zijn absoluut noodzakelijk. Een bijkomend gevaar is dat mensen terecht komen in kleine echo kamers (‘the Daily Me’), waar alleen meningen verschijnen die de eigen oordelen bevestigen of versterken. Maar het digitale biedt ook mogelijkheden: waarom zou ik me beperken tot één krant wanneer ik er eenvoudig 50 kan samplen? ‘Beyond the Daily Me, you can make your own Daily Kiosk’. Een derde eigenschap is betrouwbaarheid. Hoewel de vraag ‘wie is er journalist’ veranderd is, is de vraag ‘wat is goede journalistiek’ niet veranderd. De kernwaarde van een journalist is eerlijkheid, de poging om de waarheid te vertellen. De auteur is best optimistisch: de nieuwe opportuniteiten om te komen tot een ‘networked public sphere’ (Yochai Benkler) zijn groter dan de gevaren.

Regel 5: ‘Diversity’

“We express ourselves openly and with robust civility about all kinds of human difference.”

In de huidige cosmopolis is er meer menselijke diversiteit dan ooit. Die diversiteit is zowel een product als een verrijking van de vrijheid. Maar leven met zoveel diversiteit is ook moeilijk. Niet toevallig gaan vaak de meest intense debatten rond vrijheid van meningsuiting juist over die omgang met diversiteit. Er is nood aan een mix van openheid en robuuste beleefdheid. Beleefdheid is een zeker respect voor de waardigheid en de drang naar waardigheid van anderen. Het hangt ook nauw samen met tolerantie. ‘Toleration makes difference possible, difference makes toleration necessary’ (Michael Walzer). Als we te ver gaan in die tolerantie naar hen die systematisch intolerant zijn, dan vernietigen we die fundamenten van die tolerantie. Karl Popper noemt dit de paradox van tolerantie: ‘unlimited tolerance must lead to the disappearance of tolerance’. De uitdaging van de cosmopolis is nieuw wat betreft schaal en complexiteit, maar niet wat betreft de essentie, want de strijd van een liberale, open en pluralistische samenleving voor een publieke sfeer gereguleerd door gedeelde normen dateert reeds van de 17de eeuw. Kortom, het is een zoektocht naar ‘algemeen aanvaarde standaarden’. Openheid inzake alle soorten van menselijke verscheidenheid is even vitaal als de robuuste beleefdheid.

Wat met ‘hate speech laws’? Een belangrijke vraag is: hebben die wetten gewerkt? Werken ze beter of slechter in de huidige digitale context? De auteur meent dat je heel snel op een hellend vlak richting paternalisme, moralisme en het subjectieve ‘ik ben beledigd’ gevoel afglijdt. Walgelijke ideeën hebben is onvoldoende om iemand te weren uit het publieke debat, laat staan iemand te vervolgen. De nadelen van die wetten wegen zwaarder door dan de voordelen. Bovendien zijn ze vaak ineffectief, vaak zelfs contraproductief. De toepassing van goede wetgeving is altijd duidelijk, voorspelbaar en proportioneel. Die van ‘hate speech’ wetgeving is onvoorspelbaar en al te vaak disproportioneel. Bovendien verzwakt de huidige digitale realiteit het pleidooi voor dit soort wetten. Het proberen te stoppen van extreme meningen op internet is zoals het springen op je eigen schaduw. Het resultaat zal alleen meer legale onzekerheid zijn. Steeds zullen mensen zich af vragen: waarom ik, en niet die ander? Een bijkomende zwakte van dit soort wetten is de impliciete aanmoediging voor mensen om zich beledigd te voelen, in plaats van het te negeren, ermee te leven en te antwoorden/discussiëren. Het voedt een soort slachtoffercultuur. In plaats van ‘thin skins’ te kweken, hebben we juist meer ‘thick skins’ nodig. Daarnaast opent dit soort wetgeving ook de deur voor de (terechte) kritiek van dubbele standaarden. ‘If we believe in the value of freedom, we must therefore take the other path. Instead of levelling up the legally enforced taboos, we should level them down.’

Er moet – in plaats van focus op wettelijke verboden – veel meer werk gemaakt worden van de robuuste beleefdheid in samenleving. Een essentieel en kenmerkend onderdeel van een volwassen liberale democratie is dat het – in de mate van het mogelijke – externe beperkingen door de overheid vervangt door zelfbeperking. Opnieuw, het beste antwoord op ‘bad speech’ is ‘more and better speech’. De overheid kan beter haar expressieve rol opnemen in plaats van de dwingende. Politieke leiders kunnen een voorbeeld stellen in de manier hoe ze spreken over minderheden en de menselijke verscheidenheid. Niet alleen politici moeten dat doen, ook anderen in de publieke sfeer (sporters, ondernemers, etc.). Ook het onderwijs speelt hier een cruciale rol in: begin jong! Ook de media spelen een rol: diversiteit op tv is belangrijk, en niet alleen wanneer het over religie gaat. Hij geeft het voorbeeld van de economie verslaggever op Channel 4 genaamd Faisal Islam. Meer van dat is nodig! Wat met humor en kunst? Humor doorbreekt steeds conventionele normen maar draagt ook bij tot de robuuste beleefdheid. Maar ook humor kent bepaalde grenzen, die afhankelijk zijn van artistieke en sociale beoordeling. Alles hangt af van de context.

Regel 6: ‘Religion’

“We respect the believer but not necessarily the content of the belief.”

Waarom verdient religie een speciale behandeling? Blijkbaar is er in de geschiedenis steeds een zekere spanning geweest tussen religie en vrijheid van meningsuiting. In de meeste Europese landen staan er nog steeds straffen op blasfemie, ook al worden mensen zelden vervolgd. Er bestaat dus ook een ‘fanatic’s veto’. Een praktische reden waarom religie een speciale behandeling zou verdienen is dat een groot deel van de mensheid blijkbaar vindt dat ze dat verdient. Maar is dat wel een goede reden? Is er ook een inhoudelijke reden? Religie heeft een bijzondere relatie met zowel vrijheid als het spreken. Binnen een religieus kader is vrijheid niet de afwezigheid van externe dwang, maar vrijwillige onderwerping aan een hoger doel. Hetzelfde geldt voor ‘spreken’. Religieuze taal heeft een onderscheiden karakter, aldus Wittgenstein. Cruciaal in omgang met religie in kader van vrijheid van meningsuiting is respect. De filosoof Stephen Darwell maakt een interessant onderscheid tussen ‘recognition respect’ (onvoorwaardelijk respect voor ieder mens) en ‘appraisal respect’ (respect dat verdiend wordt). Dit leidt ons tot de kern van onze regel. We hebben respect voor de gelovige (recognition respect) maar niet noodzakelijk voor de inhoud van het geloof (appraisal respect). Wat moet via wetgeving geregeld worden, en wat beter via niet-wettelijke middelen?

Religies schrijven meestal in detail voor hoe ‘hun gemeenschap’ moet leven, waardoor deze gewoontes en gebruiken in conflict komen met andere kernwaarden, namelijk dat iedereen dezelfde rechten en plichten heeft, dat iedereen gelijk is voor de wet. Opnieuw is de te verkiezen houding hier één van robuuste beleefdheid. Dit is meer dan een pleidooi voor vrijwillige zelfbeperking. Het gaat ook om een dialoog die evenveel focust op de luisteraar als de spreker. Ian Buruma zegt hierover het volgende: ‘If one truly believes in the seperation of church and state which all democracies should, a certain discretion about the religious beliefs of others is in order. There is not much point in using rationale arguments against the belief in God, for it is a belief, not an opinion.’ Twee aanvullingen die de auteur maakt: (1) groeiend wetenschappelijk bewijs (evolutionaire psychologie) dat een zeker religieus instinct diep geworteld zit in onze hersenen; plus groeiend bewijs dat menselijk gedrag niet altijd doelbewust en rationeel is; (2) slechts een heel kleine minderheid volgt in dagelijks leven strikt religieuze voorschriften op. Auteur geeft het voorbeeld van een creationist is geen geschikt persoon als leerkracht biologie, maar kan misschien wel een goede tandarts zijn.

De auteur maakt conceptueel onderscheid tussen: vrijheid in religie, vrijheid van religie, vrijheid voor religie. Dit leidt tot drie verschillende ideaaltypes publieke ruimte: (1) alleen één God is toegelaten in publieke ruimte (cfr. meeste moslimlanden), (2) geen God is toegelaten in publieke ruimte (cfr. Noord-Korea), (3) alle Goden zijn toegelaten in publieke ruimte (cfr. VSA). Alleen de derde optie is compatibel met vrijheid van meningsuiting. We staan op kruispunt van cosmopolis: ofwel versterken we taboes wettelijk, ofwel verzwakken we hen? Er is een duidelijke case voor tweede weg! Kortom, sterk optreden in geval van oproepen tot geweld (cfr. moderne Brandenburg test), maar voor de rest niet optreden via wettelijke middelen. ‘Just because so little, in such a sensitive area, can be done well by law, a great deal more needs to be done by civil society – and by the state in its expressive function.’ Alledaagse interacties op de werkvloer, in de winkel, op straat zijn het echte terrein, niet rechtbanken. Is er de voorbije decennia een speciaal probleem gegroeid met vrijheid van meningsuiting en de Islam? Ja, zeker. Dit heeft vier oorzaken: schaal, impact op liberale democratie, associatie met terrorisme, en niveau van intolerantie van meeste moslimlanden tegenover andersdenkenden. Dit laatste is van belang gezien grenzen vervagen in de digitale wereld. Als China, Brazilië en India de ‘swing states’ zijn voor toekomst van vrijheid van meningsuiting op het internet, dan zijn Turkije, Indonesië en Maleisië dat op vlak van relatie tot Islam.

De auteur haalt het belang aan van een geïndividualiseerde versie van de Islam: denk voor jezelf. ‘It’s not up to others to tell me what Islam is or should be: I want to decide for myself how I live my Islam.’ (Lamya Kaddor) Maar tezelfdertijd kan een ontkenning van dit geloof nooit een voorwaarde zijn voor gelijke rechten en mogelijkheden om te participeren in de publiek sfeer, om te kunnen spreken en gehoord te worden met respect voor elkaar. ‘A public sphere which allowed full rights only for atheists would be as profoundly illiberal as the public sphere in Pakistan or Saudi Arabian which allows those rights and possibilities only to Muslims.’ Auteur omschrijft zichzelf als atheïst én liberaal pluralist. De vraag is wat prioriteit heeft. Is het belangrijker om de strijd te voeren over de inhoud van een religie, of de voorwaarden te promoten waarin alle religies (inclusief atheïsme) vrij en vreedzaam kunnen samengaan? Het Franse model van ‘laïcité’ wordt door Martha Nussbaum omschreven als ‘the establishment of nonreligion’. Het plaatst atheïsme boven pluralisme. Het Britse model doet net het omgekeerde. Auteur is voorstander van Brits pluralistische model: de praktische verworvenheid van vreedzaam samenleven in vrijheid primeert op doctrinaire confrontatie. Kortom, een pleidooi voor tolerantie, vertrekkend vanuit respect voor de andere. De enige optie in cosmopolis.

Regel 7: ‘Privacy’

“We must be able to protect our privacy and to counter slurs on our reputations, but not to prevent scrutiny that is in the public interest.”

De grootste mogelijkheden van de cosmopolis schuilen in het publiek delen van kennis, opinies, beelden, etc. terwijl grootste gevaar schuilt in het verlies van privacy. Is Google een bedreiging voor vrijheid van meningsuiting, of alleen voor privacy? Wat is relatie tussen beide? In literatuur wordt dit vaak voorgesteld als een evenwichtsoefening? Maar privacy is ook een voorwaarde van vrije meningsuiting. Een ongekende erosie van privacy, zoals nu in de digitale wereld, kan dus een bedreiging zijn voor de vrijheid van meningsuiting. Onze regel moet dus rekening houden met beide aspecten: privacy afwegen tegenover vrijheid van meningsuiting, én het zien als noodzakelijke voorwaarde. Opnieuw, privacy is contextueel afhankelijk. Voor sommigen is privacy nauw verwant met de vooruitgang van de beschaving. Voor Isaiah Berlin was het relatief nieuwe concept van ‘a sense of privacy’ essentieel voor de beschaving. Desondanks zijn er grote verschillen in omgang met privacy, zelfs tussen Europese landen. Duitsland is heel wantrouwig voor camerabeelden in publieke ruimte, maar heel open in lichaamscultuur (in VK net omgekeerde). Als je privacy begrijpt als iets van individuele controle en keuze, dan wordt het meer duidelijk. ‘I decide what I want to share with you, and you decide what you want to share with me’. Hoewel het vaak moeilijk te omschrijven is, voel je het heel sterk wanneer je het kwijt bent. Het internet heeft een olifantengeheugen, dat maakt het nog moeilijker. Zelfs voor de rijkste en meest machtige mensen geldt dat: eens je privacy kwijt, bent je het altijd kwijt (cfr. Max Mosley nazi-orgie case).

Opnieuw is hier veel meer nodig dan wetgeving alleen. Het verdedigen van privacy en reputaties hangt even zeer af van de standaarden en praktijken van private supermachten, publieke grootmachten en van ons allemaal, burgers. Vrijheid van meningsuiting en een eerlijk proces zijn beide fundamenteel, maar internet en social media hebben de spanning tussen beide vergroot. Het feitelijk kunnen, niet alleen moreel en wettelijk kunnen, verdedigen van je reputatie is een bijzonder moeilijke aangelegenheid. Recent is er veel geschreven over zogenaamde ‘recht om vergeten te worden’. Het gaat om het idee dat je een nieuwe start kan maken. Het gaat om digitale rechten, of data bescherming. Een bekende zaak voor Europees Hof is die ‘Mario Costeja Gonzalez’: hij dient aanvraag in om nieuwsitem in krant over hem te laten verwijderen. Resultaat: hij kreeg gelijk, maar in realiteit juist omgekeerd effect. Hij zal altijd herinnerd worden als de man die vergeten wou worden. Onze hoop rust op een goedwillige, transparante samenwerking tussen de overheid en private machten zoals Google om privacy en reputatie te herstellen en beschermen. Daar ligt de sleutel. De notie van een algemeen recht om vergeten te worden is onverdedigbaar in een samenleving die gelooft in vrijheid van meningsuiting. Een basisprincipe moet zijn dat mijn data van mij blijven, en niet van jou om te ‘dataminen’. Burgers moeten informatie zelfdeterminatie hebben. Alleen in kader van echt publiek belang kan dat opzij geschoven worden, én wanneer publiek belang primeert boven schade aan individu door publicatie ervan. Bovendien moeten mensen zich meer bewust zijn van de ‘privacy settings’, en die begrijpen om ze te kunnen bedienen. Ook anonimiteit is een mes dat langs twee kanten snijdt op internet: soms een gevaar, soms een zegen. Hoe meer data beschikbaar is, hoe onwaarschijnlijker anonimiteit wordt. Dit is de vloek van ‘big data’. Mooi voorbeeld is Latanya Sweeney in Massachusetts die aantoonde dat 87% van alle Amerikaanse burgers kan geïdentificeerd worden via 3 stukjes informatie: ZIP code, geboortedatum en geslacht.

Regel 8: ‘Secrecy’

“We must be empowered to challenge all limits of freedom of infromation justified on such grounds as national security.”

Nationale veiligheid is de meest duidelijke en extreme casus, maar hetzelfde geldt voor andere domeinen ook. Zeker in geval van oorlog (cfr. War on Terror 9/11) of noodtoestand is er een groot onevenwicht in machtspositie tussen mensen en de overheid. Bovendien leven we in de gouden tijd van het toezicht. Het gevaarlijke resultaat is de ‘preemptive state’: de overheid die probeert alle bedreigingen te voorkomen, niet in het minst door alle mogelijke informatie te verzamelen. Langs de andere kant is er ook het staatsgeheim. Dit is altijd een gevaarlijk wapen geweest in handen van de machtshebbers. ‘Secrecy is the ultimate form of regulation because the people don’t even know they are being regulated.’ Zeker in tijden waar de overheid zoveel over haar burgers weet. Dit neemt niet weg dat een zekere geheimhouding nodig is om de open samenleving te verdedigen. De vraag is dan: hoe kan dat verzoend worden met de nodige transparantie en publieke verantwoording die zo essentieel zijn in een liberale democratie?

Vaak wordt het voorgesteld alsof er een trade-off is tussen vrijheid en veiligheid. Dit klopt zeker niet altijd. Het ergste dat kan gebeuren is de opgave van vrijheid en de verhoging van de onveiligheid. Zo heeft de oorlog in Irak (en de hele War on Terror) de veiligheid van VK en de VSA (en hun burgers) niet vergroot, integendeel. Vrijheid werd opgeofferd in naam van de veiligheid. Resultaat was de opoffering van beide. In de omgang met veiligheid en de veiligheidsdiensten, dringt zich wel een stevig wettelijk kader op: expliciet, gedetailleerd en helder. Kortom, verantwoording. Dit is een vitaal onderdeel van burgerlijke emancipatie. De zoektocht naar veiligheid in tijden van terreur heeft westerse democratieën gedreven in de verkeerde richting (websites verbieden, organisaties bannen, extremistische sprekers vervolgen, etc.). Vaak wordt recente geschiedenis hierbij vergeten. In de late jaren ’60 en begin jaren ’70 was er ook sprake van terreur, politiek geïnspireerde terreur (Rode Brigaden, Baader Meinhof, etc.). Toen hebben de meeste Europese democratieën weerstaan aan hysterische overreactie, en aan de verleiding om de noodtoestand uit te roepen, laat staan een oorlog. Zoals gezegd, er is een groot verschil tussen verbaal extremisme en echte ‘dangerous speech’! Veel van die toenmalige ‘sympathisanten’ van linkse extremistische groeperingen zijn gewoonweg geïntegreerd in de samenleving. Waarom zou dat niet lukken met jonge moslims in Europa? Hebben we zo weinig vertrouwen in tolerantie en vrijheid?

Wie zal de bewakers bewaken? Alle machten – wetgevend, uitvoerend, rechterlijk, en de media – zullen hierin hun rol moeten spelen. Vooral de media spelen hier een belangrijke rol, zeker als het gaat over nationale veiligheid: denk maar aan de Pentagon Papers, Bradley Manning (Wikileaks), Edward Snowden, etc. Maar ook acadmeici, think tanks, NGOs kunnen een bijdrage leveren. Ook IT specialisten nemen steeds meer hun verantwoordelijkheid op. Een speciale positie bekleden klokkenluiders (positieve connotatie) en lekkers (negatieve connotatie). Nog steeds is het lot van veel klokkenluiders zeer precair: Obama noemt NSA debat publiek belangrijk, maar Snowden zelf wordt wel aangeklaagd en vervolgd. Het beschermend kader van klokkenluiders moet steviger uitgebouwd worden.

Regel 9: ‘Icebergs’

“We defend the internet and other systems of communication against illegitamte encroachments by both public and private powers.”

Het bestuur van het internet is een belangrijk en complex thema. Op het einde van 20ste eeuw was dit een grotendeels Amerikaanse aangelegenheid – unilateraal universalisme. 15 jaar later is de situatie anders, die machtspositie wordt steeds meer gecontesteerd. In het algemeen, maar ook op het vlak van ‘internet governance’. De strijd tussen Californische not-for-profit ICANN en VN agentschap International Telecommunication Union. Hoewel er theoretisch een argument is voor het VN agentschap, zou dat in de praktijk een vermindering van de effectieve vrijheid van meningsuiting op het internet betekenen. Maar VSA moeten dan wel doen wat ze zeggen. Dubbele standaarden zijn nefast. In februari 2015 oordeelde de Federal Communications Commission (FCC) in het voordeel van internet-neutraliteit als leidend principe. Dit was een belangrijk moment voor de toekomst van een open en vrij internet.

Zoals gezegd zal veel afhangen van hoe de private supermachten zoals Google, Youtube, Twitter, etc. om zullen gaan met verzoeken van overheden om bepaalde zaken af te handelen. Veel van die ‘editoriale’ beslissingen gebeuren door computer gestuurde algoritmes. Maar hun impact is enorm. Het extreme voorbeeld van een zelfrijdende auto die moet kiezen tussen een bejaarde vrouw en een jong meisje aan te rijden toont dit aan. Het zijn immers mensen van vlees en bloed die de algoritmes schrijven en programmeren. In essentie blijven het waardeoordelen. Gezien hun impact, zou er niet meer transparantie en verantwoording hieromtrent mogen zijn?

Regel 10: ‘Courage’

“We decide for ourselves and face the consequences.”

Denk voor jezelf: dat essentieel verlichtingsprincipe is van toepassing op het bepalen van de limieten ervan. Een autoritair of totalitair regime zal steeds direct de vrijheid van meningsuiting inperken om de fundamenten van zijn macht te vergroten. Twee ‘habits of the heart’ zijn noodzakelijk om hier weerstand aan te bieden: moed en tolerantie. Beide zijn noodzakelijk. Ze komen zelden voor in één persoon. Uitzonderingen zijn Vaclav Havel en Ghandi. De Amerikaanse traditie van moed inzake de verdediging van vrijheid van meningsuiting bouwt verder op de erfenis van Engeland in de 17de eeuw (John Milton, JS Mill en later George Orwell). Die moed is zeker niet beperkt tot het Westen, zeker in recente tijden is die moed eerder terug te vinden in andere landen en culturen. Denk maar aan Nobelprijs winnaar Liu Xiaobo: ‘Free expression is the base of human rights, the root of human nature and the mother of truth. To kill free speech is to insult human rights, to stifle human nature and to suppress truth.’


Recensie door Tom Willems

Timothy Garton Ash, Free Speech: Ten principles for a connected World, Atlantic Books, London, 491 p., 2016

Links
mailto:Tom.Willems@openvld.be
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be