In het boek Luxury Fever: Weighing the Cost of Excess geeft de econoom Robert H. Frank, een sociaal-economische analyse van de consumptiemaatschappij zoals we ze in sterke mate aantreffen in de Verenigde Staten, maar ook steeds meer in andere Westerse landen en sterk opkomende groeilanden (waaronder de BRIC-landen). Frank stelt dat de consumptiemaatschappij de laatste decennia te ver is doorgeschoten. Niet alleen consumeren we steeds meer en eigenlijk ook teveel, we consumeren ook steeds meer onnodige luxe. Nochtans heeft dit nauwelijks tot een toename in de levenstevredenheid geleid. Zo stelt Frank vast dat ondanks onze ongekende en ongebreidelde verscheidenheid aan luxeproducten we vaak ontevreden zijn met onze eigen niveaus van inkomen en consumptie.

Volgens Frank is de hoofdreden hiervoor de neiging die mensen hebben om hun tevredenheid te laten afhangen van de relatieve hoogte van het inkomen en de consumptie, in plaats van absolute inkomens- en consumptieniveaus. Zo zijn ontegensprekelijk de absolute niveaus van de inkomsten die we verdienen en de goederen die we consumeren enorm toegenomen de afgelopen decennia. Alleen zorgt het feit dat we onze inkomens en consumptie waarderen in een relatief perspectief ervoor dat dit er niet voor gezorgd heeft dat we gelukkiger geworden zijn. Zo zitten we volgens Frank steeds meer gevangen in een voortdurend streven naar hogere niveaus van inkomen en consumptie van opvallende luxe. Hierbij speelt de gedachte dat we alleen succesvol kunnen zijn als we meer inkomen verkrijgen en meer aan luxe kunnen consumeren dan anderen. Het resultaat is dat we steeds meer op werken focussen en steeds minder tijd doorbrengen met vrienden en familie.

Deze concurrentiestrijd heeft ontegensprekelijk tot succes geleid voor sommige individuen, met sterke positiewinst op de competitieve ladder. Maar deze strijd blijkt uiteindelijk niet goed te zijn voor de groep als geheel. Frank suggereert dat onze neiging om in competitie te treden met soortgenoten geworteld is in onze evolutie en inherent is aan onze menselijke natuur. In de natuur zijn er namelijk heel wat voorbeelden van onderlinge competitie terug te vinden. Zo geeft Frank het voorbeeld van de walrus-mannetjes. Als gevolg van een parenstrijd onder de mannetjes (stieren), waarbij alleen de sterskte mannetjes erin slagen om de vrouwtjes (koeien) te overtuigen om te paren, zijn mannetjes doorheen de evolutie steeds groter en zwaarder geworden. Dit heeft echter een aantal negatieve effecten met zich meegebracht voor het volledige ras. Zo zijn ze bijvoorbeeld als gevolg van hun grote gewicht en omvang een makkelijker prooi geworden voor andere roofdieren. Bovendien beperkt de omvang ook hun beweeglijkheid wat een negatieve impact kan hebben op de voortplanting. Frank stelt dat het voor het gehele ras beter was geweest als alle mannetjes een paar honderd kilo minder zouden wegen, maar de onderlinge competitie tussen de mannetjes verhindert dit.

Ook in de mensenwereld zijn er ontelbare voorbeelden die aantonen hoe onderlinge competitiestrijd negatief kan zijn voor het algemene belang. Het boek bevat een hele reeks voorbeelden van dergelijke winner-take-all situaties. Frank haalt onder andere de wapenwedloop tussen de Sovjet Unie en Amerika aan als voorbeeld. Tijdens de Koude Oorlog hield deze wapenwedloop tussen beide machtsblokken de volledige wereld in zijn greep. Beiden streefden hierbij naar steeds meer doeltreffende wapens. Het gevolg waren grote investeringen in wapentechnologie en de productie van wapens en enorme budgettaire kosten. Voor de Sovjet Unie leidde dit finaal zelfs tot het failliet van het communistisch systeem. Uiteindelijk is het overgrote deel van de wapens nooit gebruikt en achteraf gewoon vernietigd. Een ander voorbeeld van een winner-take-all markten zijn de financiële markten zoals ze voor de financiële crisis (maar eigenlijk nog steeds) werkten. Het nastreven van het eigenbelang door bankiers en traders met als gevolg het nemen van te grote risico’s zorgde hier voor een financiële kater voor het overgrote deel van de bevolking. De achterliggende verschijnselen van deze problemen zijn algemeen bekend en ook terug te vinden in heel wat verschillende disciplines. Zo hebben economen het vaak over negatieve externaliteiten of externe effecten, sociale valstrikken, sociale dilemma’s, the prisoners’ dilemma, en tragedy of the commons. Frank vat deze verschijnselen treffend samen door te spreken van iets wat slim is voor één, maar dom voor allen (“smart for one, dumb for all”). Terwijl verschillende economen de achterliggende verschijnselen erkennen, hebben ze deze verschijnselen vaak gedegradeerd tot de status van interessante, maar relatief kleine afwijkingen. Dit wordt door Frank betwist. Volgens hem lijkt deze onderlinge concurrentiestrijd tussen mensen op basis van inkomen en consumptie op het eerste gezicht misschien onschuldig, maar is het dat helemaal niet. Zo brengt onze steeds groeiende honger naar meer luxe heel wat ongewenste effecten met zich mee.

Een voorbeeld van een ongewenst effect van deze onderlinge competitiestrijd is dat ieder individu zijn inkomen en consumptie interpreteert en waardeert in een relatief perspectief ten opzicht van de inkomens en consumptiepatronen van anderen. Hierdoor krijgen we een opwaartse druk op het streven naar meer inkomen en consumptie zonder dat er een absoluut plafond is voor deze inkomens en luxeconsumptie. Het resultaat neigt soms naar perverse luxe. Zo kunnen we de vraag stellen of er wel nood is aan horloges van 20.000 euro en huizen met een oppervlakte van 10.000 vierkante meter. Een ander ongewenst effect is dat onze overmatige consumptie aan luxegoederen ervoor gezorgd heeft dat onze financiële situatie steeds meer onder druk komt te staan. De laatste decennia hebben zowel de gezinnen als de overheden zich steeds dieper in de schulden gewerkt. Daarnaast zijn er ook nog tal van andere negatieve externe effecten die gelinkt worden aan onze luxe koorts zoals de toenemende problemen rond de uitputting van onze natuurlijke hulpbronnen, de vervuiling van ons milieu, de achteruitgang in de psychische gezondheid in onze maatschappij, etc.

Een ander gevolg van onze overmatige consumptie aan luxe is de graduele afname in de sociale uitgaven. De laatste decennia zijn er steeds meer (schaarse) middelen gegaan naar de productie en consumptie van luxegoederen, dit vaak tenkoste van sociale uitgaven voor onder andere onderwijs, infrastructuur, milieu, en andere publieke goederen. Nochtans zijn het volgens Frank de sociale goederen die de sterkste impact hebben op het gemiddeld niveau van levenstevredenheid in de samenleving. Hoewel Frank suggereert dat onze neiging om op het gebied van verbruik in competitie te treden met soortgenoten geworteld is in onze evolutie en daarom inherent is aan onze menselijke natuur, stelt hij toch dat we meer zouden kunnen doen om deze neiging te temperen. Momenteel doen we echter het omgekeerde, namelijk de drang verder aanwakkeren. Frank noemt onder andere de media en de marketingwereld als verantwoordelijken voor het najagen van de consumptiedrift. In de media wordt zowel impliciet als expliciet vaak de focus gelegd op de link tussen succesvol zijn en consumeren van luxe.

Eenzelfde focus vinden we ook vaak terug in advertenties. Zo stelt Frank dat adverteerders meer doen dan alleen merkloyaliteit opbouwen. Volgens hem overtuigen ze individuen om steeds meer uit te geven aan luxe en om vaak onversleten producten sneller te vervangen door nieuwe producten. Frank dicht ook een belangrijke verantwoordelijkheid toe aan de overheden en de centrale banken. Zij hebben gedurende de laatste decennia namelijk teveel de focus gelegd op het aanzwengelen van consumptie. Het resultaat hiervan is dat er een duizelingwekkende stijging geweest is niet alleen in de overheidsschuld maar ook in de schulden van de gezinnen. Vooral in de Verenigde Staten is dit heel ver gegaan. De Verenigde Staten hebben sinds jaren een voortdurende daling gekend in de spaarcijfers. Het is pas met de crisis van 2008 dat er aan deze trend abrupt een einde kwam.

De 'onzichtbare hand' van de markt kan volgens Frank niet worden ingeroepen om de oorzaken van de luxekoorts op te lossen. Het principe van de onzichtbare hand waarbij ieder zijn eigen belang nastreeft en daardoor het algemene belang verbetert, werkt volgens hem namelijk alleen in het geval waarbij het consumptiegedrag van iedere individu geen impact heeft op de keuzes en het consumptiegedrag van anderen. Dit is in de realiteit haast nooit het geval, dus moet er gekeken worden naar andere oplossingen. Frank schuift een sterk progressieve verbruiksbelasting naar voor als middel om onze drang naar steeds meer inkomen en consumptie te temperen. Echter, in plaats van een gewone forfaitaire belasting op een select clubje van luxe artikelen, pleit Frank voor een meer algemene verbruiksbelasting op de consumptie van luxegoederen, waarbij de belasting progressief zou toenemen naarmate een individu meer luxe consumeert en verbruikt.

De gedachte hierachter is dat een dergelijke progressieve belasting op luxe-uitgaven individuen zou aanzetten om minder te besteden aan de consumptie van overpriced luxegoederen waarvan het nut vaak sterk lager uitvalt dan hetgeen vooropgesteld werd, en om een groter deel van hun inkomen te sparen. Hierdoor komen er dan meer middelen vrij komen voor investeringen in sociale goederen zoals het opzetten van preventiecampagnes (drugs, roken, zwaarlijvigheid, etc.), kwaliteitscontroles in de voedselketen, onderhoud van de openbare infrastructuur (wegen, bruggen, openbaar vervoer, etc.), verbeteren van de kwaliteit van het onderwijs (meer en betere opleidingen voor leraars, hogere lonen voor leraars, kleinere klassen, etc.) en het nemen van maatregelen ter bescherming van het milieu. De afname in consumptie van luxegoederen zou ook als gevolg hebben dat er minder nood is aan het nastreven van een winner-take-all loopbaan zodat er ook meer tijd vrijkomt voor het gezin, vrienden en ontspanning.

Het idee van een brede en progressieve verbruiksbelasting (alsook de redenen daarvoor) is al heel oud. Thomas Hobbes was één van de eersten die sprak over het belasten van consumptie en verbruik (in de tweede helft van de 17e eeuw). Gedurende de laatste 3 eeuwen is het idee van het belasten van consumptie zelfs meermaals opgedoken. Het feit is dat heel wat Westerse landen reeds werken met een belasting op toegevoegde waarde. Dit toont ook dat er al praktische toepassingen zijn. Zo is er in België bijvoorbeeld reeds een vorm van progressieve verbruiksbelasting waar basisgoederen over het algemeen belast worden aan 6% terwijl luxegoederen aan 21% onderworpen zijn. Toch is het systeem nog steeds niet dominant in ons huidig belastingsyteem. Frank denkt echter dat het gewoon een kwestie van tijd is vooraleer het belang van verbruiksbelastingen zal toenemen.

Recent zien we trouwens steeds meer tekenen die ons doen vermoeden dat Frank op dat gebied het wel eens bij het rechte eind zou kunnen hebben. Zo spreken internationale organisaties (bv.: OESO) en economen steeds meer over het belang van verschuiven van belastingen op arbeid naar belastingen op consumptie. Argumenten voor dergelijke verschuiving die vaak aangehaald worden, zijn onder andere dat het tewerkstelling en investeringen in de economie zou stimuleren met een positieve impact op de economische groei als gevolg. Een progressieve verbruiksbelasting (belasting op toegevoegde waarde) zou ook makkelijker te beheren en af te dwingen zijn. Zo maakt dergelijke belasting het gebruik en misbruik van fiscale achterpoortjes en andere trucs heel wat moeilijker.

Toch zijn er een aantal mogelijke zwakke punten verbonden aan een progressieve verbruiksbelasting waar Frank te weinig aandacht aan besteed in zijn boek. Zo kan een progressieve verbruiksbelasting er bijvoorbeeld voor zorgen dat er meer zwarte markten voor luxeproducten ontstaan. Een te hoge progressieve belasting zou namelijk mensen de incentive kunnen geven om elders op zoek te gaan naar goedkopere en/of illegale alternatieven. Bovendien kan een progressieve verbruiksbelasting mensen ook aanzetten om op zoek te gaan naar luxeproducten op buitenlandse markten. Anders gezegd, wil het systeem van progressieve verbruiksbelasting succesvol zijn, dan moet het internationaal toegepast worden (iets wat hoogst onwaarschijnlijk is) of aangevuld worden met een voldoende adequaat systeem van invoerbelastingen en -controles.

Een ander tegenargument dat vaak gehanteerd wordt tegen het zwaarder belasten van de rijken (een gevolg van een progressieve verbruiksbelasting) is dat dit schade met zich zou meebrengen onder de vorm van minder investeringen in de economie, minder jobs, etc. (een beetje de omgekeerde redenering van het trickle-down principe, waarbij het steeds rijker worden van de rijken ervoor zorgt dat ook de armen (iets) rijker worden). Frank stelt echter de waarschijnlijkheid van deze claim in vraag, iets wat trouwens steeds meer economen doen (zo stellen onder andere Joseph Stiglitz en Paul Krugman zich ook vragen bij dit zogenaamde trickle-down principe). Zo tonen historische groeicijfers aan dat de jaren van de hoogste economische groei plaats vonden in een periode waarin de rijken het sterkst belast werden.

Toegegeven, dit bewijst niet dat hoge belastingen op rijken nodig zijn om hoge economische groei te kunnen realiseren. Wat het echter wel aantoont is dat een hoge economische groei kan samengaan met hoge belastingen voor de rijken. Frank is er dan ook stellig van overtuigd dat door de incentives zo te leggen dat er minder aan luxeconsumptie besteed wordt, er meer middelen vrij komen die kunnen geïnvesteerd worden in de productie en consumptie van sociale goederen alsook lange-termijn investeringen met hogere maatschappelijke welvaart als gevolg. Bovendien zal dit volgens hem er ook voor zorgen dat menselijke capaciteiten beter zullen worden ingezet.

Het boek Luxury Fever: Weighing the Cost of Excess is interessant en geeft een intrigerende kijk op de steeds toenemende drang naar consumptie van luxegoederen en diensten in de Westerse landen en de sterk opkomende groeilanden (toegegeven, de Verenigde Staten zijn vaak de exponent hiervan). Frank koppelt in dit boek interessante bevindingen uit de academische literatuur over psychologie, evolutionaire biologie, en economie aan het fenomeen van luxekoorts. Hij documenteert zijn gedachtegang met talrijke anekdotes en voorbeelden. Dat maakt het boek zowel aantrekkelijk als vrij gemakkelijk om lezen.


Recensie door Nicky Rogge

Robert H. Frank, Luxury Fever: Weighing the Cost of Excess, Princeton University Press, 2010

Links
mailto:nicky_rogge@hotmail.com
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be