Fluisteraars. Leven onder Stalin

boek vrijdag 10 oktober 2008

Orlando Figes

In februari 1956 sprak partijleider Nikita Chroesjtsjov op het 20e partijcongres van de Communistische Partij van de Sovjet Unie in een besloten sessie een befaamd geworden ‘geheime rede’ uit, het formele begin van de destalinisatie. Later in dat jaar bood de dichter Boris Pasternak het tijdschrift Novy mir de roman Dokter Zjivago aan, over het leven van een arts tijdens de Russische Revolutie, de burgeroorlog en de eerste jaren daarna. Het werk werd geweigerd. Het manuscript lekte echter naar het Westen uit, waar het in 1957 door een Italiaanse uitgever werd gepubliceerd. In 1958 kreeg Pasternak de Nobelprijs voor de literatuur toegekend. Maar onder druk van de communistische heersers in de Sovjet-Unie was hij genoodzaakt de prijs te weigeren. Zijn boek kon in eigen land slechts via de ‘samizdat’, de illegale (gestencilde) pers, worden verbreid. Het zou tot 1987 duren voordat Pasternak door de Russische Schrijversbond werd gerehabiliteerd. Pas daarna – na meer dan drie decennia – kon zijn werk eindelijk legaal in Rusland verschijnen.

Waarom deed het communistische regime eigenlijk zo moeilijk over Dokter Zjivago terwijl het zelf een destalinisatie in gang zette? De hoofdpersoon in het boek uit eigenlijk nauwelijks kritiek op het communistisch bewind. De ‘witten’ – de tegenstanders van de bolsjewiki (de communisten) in de burgeroorlog – worden zwarter afgeschilderd dan de ‘roden’. Dat Dokter Zjivago toch niet door de beugel van de rode censuur kwam, laat zien waar de grenzen lagen van de toenmalige destalinisatie. De ‘ontmaskering’ van Stalin door Chroesjtsjov in zijn geheime rede op het partijcongres bleef beperkt tot diens misdaden na 1935 (de ‘Grote Terreur’ en later) en tot diens vervolging van communistische partijgenoten. Dokter Zjivago verwees naar vroege misdragingen van de communisten, al ten tijde van de burgeroorlog: zo lijven zij de hoofdpersoon uit het boek, Joeri Zjivago, een tijdlang bij hun troepen in en dwingen hem als hun legerarts te dienen. En het boek schildert de bittere armoede en desolaatheid waarin Rusland na de bolsjewistische overwinning in de burgeroorlog nog lang verkeerde. In 1929 sterft de hoofdpersoon na jaren van honger en een, mede door een gebroken hart, doelloos bestaan (en dát uitgerekend in de jaren van de zogenaamde glorieuze opbouw van de arbeidersheilstaat, een project dat iedere Sovjet-burger uiteraard volledige bezieling gaf…).

Veel linkse mensen in het Westen hebben in hun ‘kritiese’ blik op de Sovjet-Unie Chroesjtsjov nageaapt. Het communistische ideaal zou wel deugen, Stalin had het slechts in de praktijk geperverteerd. Volgens deze logica vloeiden schendingen van de mensenrechten niet voort uit de aard van het regime, maar uit de boosaardigheid van één man (met zijn kliek). En de situatie van de mensenrechten in de Sovjet-Unie diende niet te worden overdreven: een arm land kon niet als eerste staat ter wereld op weg zijn naar het bereiken van het socialistische ideaal van volkomen maatschappelijke gelijkheid, zonder even de tanden op elkaar te moeten zetten (‘waar gehakt wordt vallen spaanders’, luidde een geliefde uitdrukking die de communisten zelf bezigden); verhalen over systematische slavenarbeid en executies konden natuurlijk niet anders dan kwaadaardige kapitalistische verzinsels zijn. Lenin (en met hem zijn systeem) was goed, alleen (de oudere) Stalin was fout, dat was kernachtig gesteld de tactiek die de machthebbers in het Kremlin en linkse ‘intellectuelen’ aan de veilige kant van het IJzeren Gordijn eendrachtig toepasten ter verdediging van het communistische bewind.

De op 3 augustus 2008 overleden schrijver Aleksandr Solzjenitsyn opende met zijn schetsen van het gruwelijke bestaan in de communistische strafkampen – eerst in zijn boek Een dag uit het leven van Ivan Denisovitsj en later in zijn grote werk De Goelag Archipel – eind jaren zestig en begin jaren zeventig een deel van de linkse meelopers van de Sovjet-Unie de ogen. Wie op dit moment, na de val van het communistische imperium en het opengaan van de archieven, nóg de Chroesjtsjov-versie van de geschiedenis van de Sovjet-Unie wil verdedigen (een overigens in linkse kringen niet geheel verdwenen neiging) negeert bewust de stortvloed aan wetenschappelijk goed onderbouwde werken over de oorsprong en aard van het communistisch regime, en over een terreur van dit totalitaire regime die zowel qua perversheid als voor wat betreft de aantallen slachtoffers alles wat ten tijde van de Koude Oorlog al naar buiten was gekomen (en bekend had kunnen zijn aan al wie niet de ogen ervoor sloot) zelfs nog verre blijkt te overtreffen. Aan al die werken heeft de Britse historicus Orlando Figes vorig jaar een boek met een nieuwe invalshoek toegevoegd, namelijk met (door hem logisch) aaneengeregen microgeschiedenissen van merendeels ‘gewone’ Russen, bijeengegaard uit allerlei persoonlijke brieven, dagboeken en vooral veel oral history. Het boek handelt over het dagelijks leven in de Sovjet-Unie vanaf de jaren twintig direct na de burgeroorlog tot Stalins dood in maart 1953 en de eerste jaren daarna. Aan bod komen niet alleen de directe slachtoffers van de terreur, de mensen die jaren in de werkkampen van de ‘Goelag’ vertoefden of na hun arrestatie (en marteling) werden geëxecuteerd, maar ook de ‘indirecte’ slachtoffers: de vrouwen en kinderen van de politieke gevangenen en geëxecuteerden alsmede al diegenen die zo op het eerste oog geen haar werden gekrenkt maar die wel dienden als proefkonijnen in het grote socialistische experiment tot vorming van een nieuwe maatschappij en een nieuwe mens.

De nieuwe mens die moest worden gecreëerd was een socialistische mens. Hij of zij leefde voor de grotere gemeenschap – dat wilde zeggen: voor de partij – en niet langer voor zichzelf en zijn of haar eigen beperkte kringetje. De mens als individu en als lid van zijn of haar familie moest worden gebroken. Die doelstelling was – net zoals de terreur zelf – niet afkomstig van Stalin maar zij was ontwikkeld door de stichter van het Sovjet-regime, Vladimir Iljitsj Oeljanov: Lenin. Figes bracht dat al naar voren in zijn grote geschiedenis van de Russische Revolutie, De tragedie van een volk. De Russische Revolutie 1891-1924 uit 1996. Daarin haalde de auteur een gesprek uit oktober 1919 aan tussen Lenin en de beroemde wetenschapper Pavlov. Lenin zou hebben verklaard: ‘Er was in het verleden in Rusland te veel individualisme. Het communisme verdraagt geen individualistische neigingen. Die zijn schadelijk. Ze staan haaks op onze plannen. We moeten het individualisme afschaffen.’ Waarop Pavlov geschrokken vroeg: ‘U bedoelt dat u de bevolking van Rusland wilt standaardiseren? Dat ze zich allemaal op dezelfde manier gaan gedragen?’ ‘Precies’, was het antwoord van Lenin, ‘De mens kan worden gecorrigeerd. De mens kan worden gemaakt tot wat wij willen dat hij is.’

In het hier besproken, vorig jaar verschenen boek Fluisteraars laat Figes zien hoe dit in de praktijk werkte. In de steden werden mensen massaal geplaatst in ‘kommoenalka’s’, grote gemeenschappelijke woningen met voorzieningen (van wasruimte tot keuken) die door verschillende families moesten worden gedeeld. Eén familie (vaak inclusief grootouders en eventuele ooms en tantes) mocht al van geluk spreken als zij één eigen kamer bezat – waarin alle familieleden leefden en sliepen – die van kamers met andere families nogal eens door niet meer was afgescheiden dan door een gordijn. Dat gordijn bood zo’n familie dan de ‘privacy’ die het in wezen helemaal niet geacht werd te hebben. Want het plaatsen van hele families bijeen in de ‘kommoenalka’s’ was niet alleen een pragmatische oplossing voor een gigantisch woningtekort. Er stak bovenal een beleid achter om gezinnen en families te breken, bij voorkeur door families zonder proletarische achtergrond op te zadelen met eenvoudiger families, volkse types uit de stedelijke achterbuurten of van het platteland afkomstige simpele boerenfamilies met ruwe omgangsvormen. De adellijke en ‘bourgeois’-families dienden zich niets te verbeelden maar dienden hun leefwijze aan de ‘proletarische’ cultuur aan te passen. En in de ‘kommoenalka’s konden de families en hun leden elkaar meteen ook in de gaten houden en verdachte uitlatingen of gedragingen aan de autoriteiten rapporteren.

Dat brengt ons dan meteen bij de titel van Figes’ nieuwste boek: Fluisteraars. Deze titel heeft een dubbele betekenis. Enerzijds slaat hij op de fluistertoon waarmee Sovjet-burgers over hun privé-leven spraken. Allerlei privé-omstandigheden konden immers als ze bekend zouden worden een aanleiding vormen tot arrestatie. Zelfs fluisteren kon trouwens al gevaarlijk zijn; daarom werd er ontzettend veel gezwegen. Zo zwegen echtgenoten tegenover elkaar en hun kinderen over hun adellijke of burgerlijke afkomst. Het regime kon die kennis namelijk aangrijpen om iemands carrière te schaden of de persoon in kwestie tot zware arbeid in een werkkamp te veroordelen. Anderzijds betekent het Russische woord fluisteraar ook verklikker en slaat de titel dus mede op al diegenen die om zeer uiteenopende redenen de autoriteiten over hun mede-burgers tipten en zo meehielpen het schrikbewind in stand te houden. In de jaren van de ‘Grote Terreur’ was het aantal informanten van de autoriteiten volgens schattingen opgelopen tot vijf miljoen.

De campagne tegen de zogenoemde koelakken eind jaren twintig/begin jaren dertig (ruim voor de ‘Grote Terreur’ van 1936-1938, die hoofdzakelijk tegen communistische partijleden was gericht) laat een en ander goed zien. ‘Koelak’ heeft strikt genomen de betekenis van ‘rijke boer’, maar veruit de meesten die in deze jaren als koelak werden geclassificeerd waren geen grootgrondbezitters. Zij waren over het algemeen zelfs wat wij in Nederland keuterboeren zouden noemen. De doelstelling van het regime was de koelakken als klasse uit te roeien, hetgeen inhield dat iedereen die voor koelak werd aangezien als persoon (en als familie) diende te worden uitgeschakeld. Van alles en nog wat kon aanleiding zijn om ervan ‘beschuldigd’ te worden koelak te zijn: het bezit van twee koeien in plaats van het dorpsgemiddelde van één; een vete met een dorpsgenoot, die de strijd tegen het koelakkendom aangreep om jou uit de weg te laten ruimen; een dorpsgenoot die om zelf arrestatie te voorkomen wilde bewijzen een goed communist te zijn en dit liet blijken door anderen aan te geven; of een partijlid dat zijn quotum van aan te wijzen koelakken moest halen. Want het regime had van tevoren vastgesteld hoeveel mensen ten minste als koelak moesten worden veroordeeld. Zo lagen de fluisteraars die bevreesd informatie verborgen hielden en de fluisteraars die informatie aan het regime doorspeelden, dicht tegen elkaar aan. Zij konden zelfs in één persoon samenkomen: wie vandaag verklikker was, kon morgen zelf als koelak worden veroordeeld.

Het plan van de partijleiding bepaalde dat bij elkaar zo’n één miljoen koelakkenhuishoudens (zes miljoen personen) naar werkkampen of speciale nederzettingen diende te worden afgevoerd. De geheime politie – OGPOE – hanteerde een streefcijfer van 3 à 5 % van de dorpshuishoudens. In totaal werden minimaal tien miljoen personen uit hun huizen en dorpen verdreven. Velen stierven: aan honger, kou of overmatige zware arbeid. Anderen verbleven lange jaren in werkkampen. De werkkampen werden tot een onmisbare schakel in de economie; zij leverden de planeconomie een grote voorraad van goedkope slavenarbeid. Figes vermeldt dit uitdrukkelijk, al richt hij zich in zijn boek vooral op de levens van individuele personen en hun families. Op die manier brengt hij het menselijk leed dichtbij. Het leed van de een werd bijna altijd het leed van álle gezinsleden. Wanneer een man wegens ‘anti-sovjetactiviteiten’ was gearresteerd, was het lot van zijn vrouw in het beste geval sociale uitsluiting (mensen liepen letterlijk met een boog om haar heen, meestal uit pure angst, omdat contact met mensen aan wie het regime vijandig was reeds aanleiding kon zijn om zelf moeilijkheden te krijgen) en in het ergste geval (en daarvan waren er vele) tot eigen jarenlange veroordeling tot dwangarbeid in een ‘werkkamp voor vrouwen van verraders van het moederland’. Kinderen van wie beide ouders waren veroordeeld werden in het gunstigste geval opgevangen door een (al dan niet vriendelijke) oom of tante, maar werden vaak ook opgepakt en in tehuizen gestopt – broertjes en zusjes allemaal in een verschillend tehuis, omdat het gezin als eenheid kapot moest worden gemaakt – of leefden wanneer niemand naar hen omkeek als zwervers, wat op zichzelf alweer een grond tot veroordeling kon zijn.

Kinderen konden voor hun ouders overigens een groot gevaar vormen, want in de jaren twintig was – al onder Lenin – een grootse heropvoedingscampagne begonnen. Het doel was, zoals Lilina Zinovjeva, een van de bolsjewistische onderwijspioniers, het in 1918 uitdrukte: ‘We moeten de nieuwe generatie tot een communistische generatie maken. Kinderen zijn kneedbaar als was en we moeten ze tot goede communisten vormen […]. We moeten onze kinderen redden van de schadelijke invloed van het gezinsleven […]. We moeten ze nationaliseren […]. We moeten moeders dwingen hun kinderen aan de sovjetstaat te geven: dat is onze taak.’ Daartoe werden kinderen op scholen – en meer nog bij de Pioniers en in de Komsomol, de jeugdorganisaties voor de nieuwe elite (hiervan was een-vijfde respectievelijk een-twintigste van alle kinderen lid) – ingewijd in de cultus van ‘oom Lenin’. Na de dood van de eerste Sovjetleider werden op de scholen ‘Leninhoeken’ ingericht, politieke altaren met propaganda over de ‘goddelijke’ stichter van de heilstaat. De kinderen werd geleerd meer van de partij te houden dan van hun ouders. Hen werd voorgehouden dat wanneer hun ouders zich ‘verdacht’ gedroegen, het hun proletarische plicht was om het gezag op de hoogte te brengen zodat de ouders als ‘volksvijanden’ konden worden ontmaskerd. Nogal wat kinderen hebben hiernaar gehandeld; nogal wat ouders begrepen dat het wijs was tegenover hun kinderen te zwijgen.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden tal van gevangenen rechtstreeks vanuit de kampen gerecruteerd in het Rode Leger, ter verdediging van het socialistische vaderland. Wie de oorlog wist te overleven, kreeg als ‘dank’ voor zijn bijdrage aan de overwinning meestal een nieuwe veroordeling aan zijn broek tot wederom vele jaren werkkamp. Ook soldaten die voorheen niet waren vervolgd kwamen na de oorlog vaak in een werkkamp terecht, bijvoorbeeld (maar niet alleen) wanneer zij in Duitse krijgsgevangenschap waren geraakt. Dat feit alleen al werd namelijk gezien als heulen met de vijand. De jaren na de oorlog was de terreur in de Sovjet-Unie grootschaliger dan ooit. Om één gegeven uit vele te nemen: tussen 1945 en 1948 vormden dwangarbeiders 16 à 18 % van de totale ‘beroepsbevolking’ in de Sovjet-Unie. Stalins dood in maart 1953 bracht zowel gevoelens van grote opluchting – onder vervolgden én in de partijtop die dicht om Stalin heen had gestaan en elk moment zelf slachtoffer van zijn groeiende paranoia kon worden – als van oprecht verdriet. Veel mensen huilden alsof zij hun eigen vader hadden verloren, een merkwaardig fenomeen dat in de jaren negentig van de twintigste eeuw nog weer te zien was bij de dood van de Noordkoreaanse communistische leider Kim il Sung. Onbegrijpelijk genoeg huilden zelfs sommige slachtoffers van Stalins bewind. Een dochter herinnert zich het verdriet bij haar thuis, waar vader in 1937 was gearresteerd en sindsdien verdwenen, en moeder jaren in een ‘werkkamp voor vrouwen van verraders van het moederland’ had gesleten: ‘Iedereen was in tranen: mijn moeder, mijn zus, mijn grootmoeder. Mijn grootmoeder zei dat het beter was geweest als ze zelf was gestorven in plaats van Stalin.’

In de werkkampen leefde na de dood van Stalin even de hoop op dat men spoedig zou worden vrijgelaten. Die hoop werd in de meeste gevallen spoedig de bodem ingeslagen. Vaak kwamen de dwangarbeiders pas na jaren vrij en in eerste instantie werd het kampregime zo mogelijk nóg strenger: de kampbewaarders waren bang dat hun baan op de tocht kwam te staan en zij wilden daarom hun bazen laten zien hoe gevaarlijk de gevangenen waren, en hoe noodzakelijk dus een strenge tucht en hun blijvende gevangenschap. Op termijn zou de ‘Goelag archipel’ echter minder massaal bevolkt raken. Niet omdat het regime veel menslievender werd maar omdat de slavenarbeid door de overhead aan bewakers en bestuurders te duur was geworden; als economisch stelsel rendeerde het niet meer. De kampbewoners die naar huis terugkeerden – als er tenminste nog een huis stond en als de gezinsleden niet waren omgekomen of spoorloos waren – zouden hun leven lang door de gevolgen van de terreur getekend blijven. Veelal zwegen zij over hun kampbestaan, soms uit schaamte, soms uit vrees voor hernieuwde vervolging. Na de eerste vreugde van de hereniging volgde vaak de deceptie. Beide zijden voelden zich onbegrepen: de voormalige gevangenen omdat de achterblijvers in hun ogen geen idee hadden hoe onvoorstelbaar zwaar en ellendig het kampbestaan was geweest (iets waartoe ze zelf dus nogal eens bijdroegen door erover te blijven zwijgen), hun gezinsleden omdat die vaak ook heel wat hadden moeten doorstaan en daarvoor al evenmin erkenning kregen. Talloze voormalige gevangenen waren bovendien psychisch geknakt. In hun strijd om te overleven waren alle normale (mede)menselijke gevoelens ten onder gegaan. Liefde, of zelfs maar sympathie, konden zij voor hun echtgeno(o)t(e) en kinderen dan niet meer voelen.

Niet alleen bleek het communisme aldus een systeem dat welvaart voorspiegelde terwijl het armoede voortbracht, dat gelijkheid predikte terwijl het een bevoorrechte kaste van partijleden – de ‘nomenklatoera’ – schiep en dat ‘proletarische’ broederschap propageerde terwijl het zijn onderdanen aanzette tot kille wreedheid en moordzucht tegenover anderen die tot ‘volksvijand’ waren bestempeld. Maar het communisme bleek tevens een ideologie te zijn die zich erop voorstond een nieuwe, socialistische gemeenschapsmens te kunnen en zullen vormen, terwijl het tallozen – die de gruwelen althans hadden weten te overleven – juist terugwierp op een naakt, gebroken en misvormd ‘zelf’.

De micro-belevenissen die Figes in zijn boek Fluisteraars presenteert laten de lezer op een indringende wijze kennismaken met de dagelijkse werkelijkheid in de Sovjet-Unie ten tijde van Stalin. Die werkelijkheid omvatte niet alleen terreur, maar tevens armoede, de opkomst van een nieuwe ‘middenklasse’ (bijvoorbeeld de ingenieurs, die de economie van de nieuwe maatschappij construeerden, en hun gezin) en de groei van de steden compleet met de bouw van het pronkstuk van Moskou: de metro. Fluisteraars leest niet als een strak geordend verhaal, zoals De tragedie van een volk. Wellicht had Figes voor zijn nieuwste werk iets selectiever met zijn bronnen – de gewone mensen die met hun herinneringen aan het woord komen – kunnen omgaan, hoewel de grote hoeveelheid persoonlijke belevenissen ertoe bijdraagt de lezer een gevoel van overweldiging met betrekking tot de werkelijkheid van alledag onder het communisme te geven. Wie het boek uit heeft zal hopelijk niet snel het besef verliezen hoe onmenselijk het communisme is zowel als ideologie als in zijn praktische toepassing, en dat het in zijn diepste wezen de volstrekte tegenpool is van het liberalisme.


Recensie door Patrick van Schie



Deze tekst verscheen in Vrijpostig, de elektronische nieuwsbrief van de Telderstichting. Iedereen kan zich gratis inschrijven op Vrijpostig via het onderstaande webadres.

Orlando Figes, Fluisteraars. Leven onder Stalin, Nieuw Amsterdam, 2007

Links
http://www.teldersstichting.nl/
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be