Fluisteraars. Leven onder Stalin

boek vrijdag 21 december 2007

Orlando Figes

In zijn dit jaar verschenen en veel opzien barende boek Duits socialisme poneert J.A.A. van Doorn onder andere de stelling dat de nazi’s meer van het socialisme hebben verwezenlijkt dan de Duitse sociaal-democraten. Een van zijn argumenten hiervoor is dat vooral de sociale mobiliteit tijdens de het Derde Rijk spectaculair toenam. Mensen die in de standenmaatschappij van het keizerlijke Duitsland, en ook nog tijdens de republiek van Weimar, als gevolg van hun afkomst slechts in beperkte mate carrière konden maken, konden met voldoende capaciteiten en ambitie bijkans ongehinderd de maatschappelijke ladder opklauteren.

Wanneer dit de maatstaf voor socialisme is, moest het Derde Rijk het echter toch afleggen tegen de Unie van Socialistische Sovjet-Republieken, waar de sociale mobiliteit nog veel groter was. Om te beginnen was daar allereerst een enorme neerwaartse mobiliteit. Nagenoeg de complete elite, voor zover niet fysiek uitgeroeid, tuimelde van de maatschappelijke ladder af vormde een minderwaardige onderklasse die hooguit gedoogd werd voor zover ze nuttig was. Terwijl leden van de voormalige adel en bourgeoisie continu onder verdenking stonden, klauterden energieke en slimme vertegenwoordigers van het stedelijke proletariaat en de boerenstand omhoog op diezelfde ladder.

Doordat er een schreeuwend gebrek aan kader was, waren er ongekende carrièrekansen. Voorwaarde was dat men in de ogen van de sovjetautoriteiten wel politiek betrouwbaar moest zijn, en er was niet veel voor nodig om als ‘vijand van het volk’ te worden opgepakt en naar een van de werkkampen van de snel groeiende ‘Goelag-archipel’ te worden gestuurd. Maar zelfs dan waren er nog kansen op hogerop te komen.

In Fluisteraars, zijn grote studie over het dagelijks leven onder Stalin, beschrijft Orlando Figes onder meer de opmerkelijke carrière van Naftali Frenkel, een Joodse handelaar die wegens smokkel in de gevangenis zat. Geschokt door de inefficiëntie van het gevangenissysteem, schreef Frenkel een brief aan het hoofd van de geheime dienst, waarin hij suggesties deed om het stelsel economisch rendabel te maken. Stalin had hier wel oren naar en liet de man overbrengen naar Moskou. Frenkel werd vrijgelaten kreeg de leiding over de operatie die van het speciale werkkamp op het in de Witte Zee gelegen eiland Solovetski een winstgevende onderneming moest maken. Frenkel had succes en na vier jaar, in 1931, werkten er in deze organisatie 71.000 gevangenen.

Ook op een lager niveau zag je de merkwaardige overstap van gevangene naar bewaker. Dmitri Vitkovski zat eerst gevangen op Solovetski en werd vervolgens opzichter bij de aanleg van het beruchte Witte Zeekanaal, waar tienduizenden dwangarbeiders de dood vonden. In zijn memoires beschreef hij hoe aan het einde van elke werkdag tientallen lijken achterbleven, liggend met hun gezichten in de sneeuw of kromgebogen boven een omgevallen kruiwagen. ‘’s Nachts trokken sleeën eropuit om ze op te halen. De lichamen werden met een doffe bonk op de slee geworpen. In de zomer lagen er botten van lichamen die niet op tijd waren weggehaald; die gingen dan samen met de kiezel in de betonmolen. Op die manier eindigden ze in het beton van de laatste sluis voor de stad Belomorsk, waar ze nu voor altijd bewaard zijn.’

Zelfs na hun dood werd er van de gevangenen nog nuttig gebruikgemaakt. Wanneer iemands sociale mobiliteit ten einde was, wanneer hij de ongekende dynamiek die kenmerkend was voor de eerste decennia van de Sovjet-Unie niet meer kon bijbenen, was er nog altijd een laatste rustplaats als betonblok. Een dergelijk einde contrasteert sterk met een van de meest in het oog springende kenmerken van totalitaire stelsels als het communisme en nationaal-socialisme.

Meestal wordt als hét wezenskenmerk van het totalitarisme gewezen op de opheffing van de grens tussen het privé-leven en de publieke sfeer, op het streven van de staat om het gehele leven van zijn onderdanen volledig te controleren. Hoewel dit zeker een belangrijk kenmerk van een totalitaire staat is, is het karakter van dergelijke dictaturen hiermee nog niet volledig beschreven. Het streven naar totale controle kan immers gemakkelijk leiden tot een statische situatie, tot een bevriezing van de maatschappelijke verhoudingen. Nu was een dergelijk conservatisme weliswaar kenmerkend voor het communisme onder Brezjnev, maar onder Stalin was daar beslist geen sprake van.

‘We zijn bezig het leven volledig om te zetten in energie.’ Dit is geen uitspraak van een sovjetideoloog, maar van de Duitse nationalistische revolutionair Ernst Jünger, een denker voor wie het nationaal-socialisme van Hitler zelfs nog te democratisch was. Jünger keek vol bewondering naar Stalins vijfjaren plannen en bepleitte een ‘totale mobilisatie’. Alles en iedereen moest ondergeschikt worden gemaakt, moest worden ingezet, om de doeleinden van de staat te verwezenlijken. Wat die doeleinden waren, dat deed er eigenlijk niet zoveel toe, het ging om de ongeremde dynamiek, de eeuwige vooruitgang, de door niets en niemand te stuiten energie. Deze blinde mobiliteitsdrift, deze neiging tot totale ontworteling van de mensen en het verlangen hen op te jagen naar een vaag omlijnde maar bloedrode toekomst, is voor het totalitarisme minstens even kenmerkend als de scheiding tussen privé- en publieke sfeer.

Hoewel hij zijn boek niet in een of ander theoretisch kader heeft geperst, en de ideologische en politieke ontwikkelingen niet centraal staan, laat Orlando Figes duidelijk zien welke meedogenloze dynamiek kenmerkend was voor de Sovjet-Unie van de jaren twintig en dertig, en dat dit niet eeuwig zo door kon gaan. Hij doet dat niet door in detail de besluitvorming en ideologische motivatie te beschrijven, maar door zich te richten op de het dagelijks leven van de sovjetburgers. De controle door het systeem – de geheime politie, de verklikkers, de kampen – was één aspect van het leven in de Sovjet-Unie, maar dat was slechts een middel om de mensen los te rukken uit hun sociale netwerken en mee te sleuren in de kolkende maalstroom die moest leiden tot de socialistische heilstaat.

Fluisteraars is wat betreft opzet en bronnenmateriaal een heel ander boek dan Figes’ Tragedie van een volk, waarvan vorig jaar de vertaling verscheen maar dat dateert uit 1996. Dat is een verhalende, prachtig geschreven, min of meer traditionele geschiedenis van de Russische revolutie, waarbij Figes terugging tot de jaren 1890 en eindigde bij de dood van Lenin, en dat over dit onderwerp het beste boek is dat momenteel in het Nederlands verkrijgbaar is. Gezien de afstand in de tijd moest Figes zich voor dat boek uiteraard baseren op archieven en literatuur.

Zijn nieuwe boek daarentegen is een briljante proeve van oral history, waarvoor Figes heeft samengewerkt met de Russische stichting Memorial, die de herinnering aan de communistische dictatuur levend wil houden en getuigenissen verzamelt van de slachtoffers van het regime. Omdat uiteindelijk vrijwel iedereen slachtoffer was, heeft Figes niet alleen gezocht naar overlevenden van de kampen of dissidenten, maar heeft hij medewerkers van Memorial allerlei mensen laten interviewen. Hierbij werd getracht verschillende leden van een familie te spreken, en tevens brieven, dagboeken, documenten en foto’s te verzamelen, zodat de gesproken herinneringen konden worden getoetst aan schriftelijk materiaal. Meer dan duizend mensen zijn geïnterviewd, en van ongeveer vierhonderdvijftig is het mondeling en schriftelijk materiaal verwerkt in dit boek.

Figes begint zijn verhaal met ‘de kinderen van 1917’, de kinderen van actieve communisten die opgroeiden in de jaren twintig en dertig, en die aan den lijve ondervonden wat het wilde zeggen dat de staat ‘de schulp van het privé-leven’ wilde ‘openbreken’. ‘Wie onderscheid blijft maken tussen een privé-leven en een publiek leven, zal vroeg of laat de communistische zaak verraden,’ aldus Lenins vrouw Nadezjda Kroepskaja. Er moest een ‘nieuwe mens’ ontstaan, die het communisme volledig was toegewijd, en die niet gehinderd werd door sentimentele familiebanden of traditionele opvattingen. Ook werd de opoffering voor de goede zaak verheerlijkt. ‘Lijden vernietigt de onbeduidenden en hardt de sterken,’ schreef een lid van de jeugdbeweging in haar dagboek.

Omdat hun ouders vrijwel dag en nacht de revolutie dienden, werden deze kinderen vaak opgevoed door hun grootmoeders en/of kindermeisjes die afkomstig waren van het platteland. Het was volgens Figes aan deze grootmoeders en boerendochters te danken dat veel kinderen van de communistische kaderleden weet hadden van prerevolutionaire waarden en normen. Sommigen werden zelfs heimelijk gedoopt en christelijk opgevoed.

Maar niet alleen de communistische voorhoede werd stelselmatig ontworteld, de gehele samenleving ging op de schop en Figes biedt ons tal van getuigenissen van stadsbewoners en boeren die werden meegesleurd in het doldrieste avontuur van de ‘socialistische opbouw’. Veel mensen hadden een ‘besmette biografie’, wat wilde zeggen dat ze afkomstig waren uit een verkeerde sociale klasse of dat ze familie waren van ‘volksvijanden’. Schrijnend zijn de verhalen van mensen die zelfs voor hun partner verzwegen dat ze kind waren van ‘bourgeois-verraders’ of ‘koelakken’, en de belevenissen van families die door de opeenvolgende terreurgolven volledig uit elkaar werden geslagen. Door te zwijgen en hun kritiek en frustraties hooguit fluisterend te uiten, wisten velen zich toch een plaats te veroveren in de sovjetmaatschappij.

Hoewel de staatsterreur in de tweede helft van de jaren dertig zijn hoogtepunt bereikt, wordt juist in deze jaren de radicale politiek die gericht was tegen het destabiliseren van families enigszins teruggedraaid. Stalin en consorten kwamen er achter dat wanneer je echt alle sociale banden van mensen doorsnijdt, de kans groot is dat ze volkomen onevenwichtig worden. Bescheiden privé-bezit en goede manieren waren niet langer bourgeois afwijkingen, maar werden zelfs aangemoedigd. De verheerlijking van het lijden had na verloop van tijd nog slechts geringe aantrekkingskracht en Stalin propageerde in deze jaren zelfs een soort communistische consumptiemaatschappij. Even leek de maalstroom van de revolutie enigszins gekalmeerd, totdat de Tweede Wereldoorlog voor de volgende tragedie zorgde.


Recensie door Rob Hartmans

Orlando Figes, Fluisteraars. Leven onder Stalin, vertaald door Toon Dohmen, Nieuw Amsterdam/Standaard Uitgeverij, 773 blz., € 39,95

Links
mailto:egbert@liberales.be
Share |

De Arabische Revolutie:

tussen droom en werkelijkheid

Op woensdag 5 april 20.00 uur

Afspraak in De Markten (Oude graanmarkt 5, 1000 Brussel) voor een avond met Koert Debeuf,

schrijver, columnist, directeur van het Tahrir Institute for Middle East Policy Europe en onderzoeker aan de Universiteit van Oxford.

Zijn recentste boek is "Inside the Arab Revolution. Three Years on the Front Line of the Arab Spring".

Koert zal gebaseerd op zijn persoonlijke ervaringen de Arabische Revolutie trachten te kaderen door parallellen te trekken met de Franse Revolutie en door een aantal inzichten te bieden in het Midden Oosten.

Uw aanmeldingsmail aan info@liberales.be geldt als inschrijving.

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be