Beginnen met filosofie

boek vrijdag 25 januari 2008

Luc Ferry

Luc Ferry is een van de meest opmerkelijke filosofen en politicologen van onze tijd. Hij was minister van Educatie in Frankrijk onder de vorige premier Raffarin, hoogleraar politicologie en filosofie aan de Universiteit van Parijs, en publiceerde tal van succesvolle boeken. Zijn boek Le Nouvel ordre écologique, l’arbre, l’animal et l’homme (1992) werd onderscheiden met de Prix Médicis-Essai. Met L’Homme-Dieu ou le Sens de la vie (1996) won hij de Prix des Droits de l’Homme. In het Nederlands is dat laatste boek verschenen als De god-mens of de zin van het leven. Later schreef hij samen met Marcel Gauchet het boek Le Religieux après la religion. Ferry drukte als onderwijsminister de beruchte en omstreden wet door die het dragen van opvallende religieuze symbolen in Franse openbare scholen verbiedt. Onlangs verscheen Apprendre à vivre dat in het Nederlands vertaald werd tot de wat banale titel Beginnen met filosofie. In feite is dit boek vooral een oefening in levenskunst waarbij de auteur uitlegt wat filosofie behelst en wat we als mensen aan filosofie kunnen hebben. Het is een introductie in de filosofie om mensen aan te zetten om meer te lezen over de interessante en toonaangevende filosofen uit de geschiedenis.

Als seculiere humanist wil Ferry eerder filosoferen dan geloven. ‘Het beeld van een God die als een vader voor zijn kinderen zou zijn, is te mooi en al even weinig geloofwaardig. Hoe is dit beeld te rijmen met de onverdraaglijke herhaling van slachtingen en rampen waaronder de mensheid gebukt gaat,’ zo vraagt de auteur zich af, en hij verwijst naar de gruwelijkheden in Auschwitz, Cambodja en Rwanda. Door heel de geschiedenis heen hebben mensen zich nochtans onderworpen aan allerlei goden. Pas in de vijfde eeuw voor Christus kwam daar verandering in toen de burgers van Athene volksvergaderingen hielden om in het openbaar te discussiëren. Op die manier erkenden en waardeerden ze de vrijheid van meningsuiting, waarbij ze zich los maakten van godsdienstige dogma’s en verplichtingen. Ferry merkt ook scherp het belang van het ‘geschreven spoor’ op. Dank zij boekrollen slaagden mensen er voor het eerst in om hun ideeën niet alleen te verkondigen tegenover andere stervelingen, maar ze ook ‘levend’ te houden voor de toekomstige generaties. Boeken hebben, zoals Hannah Arendt stelde, een status van onsterfelijkheid en dit in tegenstelling tot mensen. Het is ook de reden waarom fanatici, zowel radicale gelovigen, communisten en fascisten zo hevig tekeergingen tegen het geschreven woord en massaal boeken lieten verbranden in de ijdele hoop dat ze daarmee ook het ‘kritisch denken’ van mensen konden uitschakelen.

Met de verheffing van het christendom tot staatsgodsdienst werd opnieuw gebroken met de filosofie. ‘We moeten niet zozeer door middel van onszelf denken, maar eerder vertrouwen in de Ander stellen,’ zo beschrijft Ferry de breuk tussen filosofie en religie die zo kenmerkend was voor de middeleeuwen in het Avondland. Toch erkent hij dat het christendom een fundamenteel democratische gedachte ingang deed vinden, namelijk de opvatting ‘dat de mensheid in wezen één is en dat alle mensen gelijkwaardig zijn’. Hiermee deed het principe van gelijkwaardigheid zijn intrede in het maatschappelijk denken, alhoewel de Kerk daar weinig of geen rekening mee hield. Integendeel, juist de Kerk ondersteunde en bestendigde de hiërarchische verhoudingen en deed er alles aan om mensen in een heersende of onderdrukte positie te houden. Terecht wijst de auteur erop dat het (mannelijke) geestelijken waren die de oorspronkelijke christelijke ideeën naar hun hand wisten te zetten, niet in het minst uit eigenbelang. Dat alle schepselen Gods op hetzelfde niveau stonden werd in de praktijk compleet genegeerd, denk aan de kruistochten, de inquisitie en talloze wereldlijke leiders die in naam van God afschuwelijke misdaden begingen.

De tegenbeweging kwam er met de opkomst van het humanisme. Ferry verwijst naar de befaamde Verklaring van de Rechten van de Mens van 1789 waarbij de mens opnieuw in het middelpunt van de wereld werd geplaatst en aan Kant die stelde dat de mens geen middel, maar een doel op zich is. Maar de auteur heeft het vooral over Rousseau die een duidelijk onderscheid maakte tussen dier en mens. Die laatste heeft verstand en is vatbaar voor vormen van sociabiliteit. Wat de mens zo onderscheidt van alle andere levende wezens is zijn vrijheid of beter gezegd zijn ‘vervolmaakbaarheid’. Zo kan de mens afwijken van natuurlijke regels en zijn eigen cultuur scheppen. Het grote verschil met dieren, aldus Rousseau, is dat mensen bewust kunnen kiezen voor het kwaad (ook dieren doden andere dieren, maar dan eerder vanuit een instinct, mensen doen het ‘doelbewust’). Daartegenover staat evenwel de mogelijkheid voor mensen om zich onbaatzuchtig en altruïstisch op te stellen. Om die keuze tussen goed of kwaad te kunnen maken is evenwel één zaak noodzakelijk: de keuzevrijheid van de mens. Zo kunnen onze begeertes alleen worden ingetoomd als we dat echt zelf willen en kunnen we komen tot de Kantiaanse gedachte dat mensen niet als middelen, maar als doelen worden behandeld. Ferry beschouwt onze natuur als spontaan neigend naar egoïsme. ‘Als ik plaats wil maken voor anderen en mijn vrijheid zodanig beperk dat ze met die van de ander overeenstemt, dan moet ik een inspanning verrichten,’ aldus de auteur, en dat is de voorwaarde voor een vreedzaam samenleven van mensen. Het is dus pas vanuit de autonomie van de mens dat ware solidariteit mogelijk is. Volgens de auteur is het individualisme, dat zo velen verfoeien, een gevolg van deze gedachtegang. ‘De term individualisme verwijst (…) juist naar het ontstaan van een morele wereld waarin de individuen of personen een waarde krijgen afhankelijk van hun vermogen om zich van de logica van het natuurlijke egoïsme los te maken en een kunstmatig ethisch universum te construeren.’ Toch sloeg men de voorbije eeuw een andere weg in dan het individualisme. De burgerlijke vrijheden moesten toen plaats maken van allerlei ‘aardse heilsreligies’ zoals het sciëntisme, het patriottisme en het communisme, waarbij verwacht werd dat de mens zichzelf ophief ten bate van een hogere zaak. Het leidde tot de grootste drama’s in de wereldgeschiedenis met miljoenen tijdens de Grote Oorlog en de Endlösung 30 jaar later.

Dat de mens niet langer beschouwd werd als het middelpunt van de wereld en de rede niet langer aangezien werd als het middel tot emancipatie, kreeg al tegenwind in de loop van de negentiende eeuw, in het bijzonder van de controversiële filosoof Nietzsche. ‘Volgens Nietzsche blijft het humanisme van de Verlichting nog de gevangene van de grondstructuren van de religie waarvan het zonder zich daarvan bewust te zijn een voortzetting vormt’ en hij ziet de democratie dan ook als een ‘nieuwe religieuze hersenschim’. De concrete gevolgen hebben we gezien onder het nazisme, het stalinisme en het maoïsme. Nietzsche verwerpt de vrije wil en verkondigt zijn leer van de amor fati, het aanvaarden van het ‘noodlot’ en de ‘eeuwige terugkeer’. De amor fati gebiedt ons om de werkelijkheid te omarmen, maar wat moeten we dan met drama’s als Ieper, Auschwitz, Hiroshima en Sarajevo? In feite is de leer van Nietzsche een toonbeeld van antihumanisme, een leer die zich keert tegen de democratie, de rechten van de mens en zelfs van de vooruitgang zelf. Paradoxaal komt de filosoof van de macht hiermee in hetzelfde vaarwater als theocratieën, radicale nationalisten en conservatieven die alle heil verwachten van tradities en gewoontes, en zich hartstochtelijk keren tegen het individualisme.

In de loop van de twintigste eeuw, en vooral na de puinhopen van de totalitaire systemen, kwam er een forse reactie van filosofen als Karl Popper, John Rawls en Jürgen Habermas die de ideeën van Kant opnieuw opnamen en toepasten op hedendaagse problemen zoals ‘de rechtvaardige samenleving, de ethische beginselen die aan de discussie tussen vrije en gelijke mensen ten grondslag moeten liggen of de aard van de wetenschap en haar betrekkingen met de democratische gedachte, enzovoort’. Maar Ferry concentreert zich nogal verrassend op de volgens hem ‘belangrijkste hedendaagse filosoof’, Martin Heidegger. Pas door zijn ideeën zouden we kunnen begrijpen dat de liberale globalisering bezig is met het verbreken van de meest fundamentele beloften van de democratie. Heideggers ideeën worden onbewust maar gretig opgepikt door tegenstanders van het kapitalisme omdat dit de kloof tussen arm en rijk zou vergroten. Maar de auteur toont aan dat die criticasters vooral problemen hebben met het ontnemen van elk zichtbaar doel van de geschiedenis. Vooral Popper keerde zich tegen deze vorm van historicisme, de theorie dat de geschiedenis zich onwrikbaar en onvermijdelijk ontwikkelt volgens vaste wetten, die kunnen worden ontdekt, naar een bepaalde eindsituatie. Daarmee counterde hij vooral het marxisme, maar ook elke andere vorm van fundamentalisme. We weten niet waar de geschiedenis ons naartoe zal voeren. Volgens Ferry is het zelfs niet mogelijk dat men kan garanderen ‘dat de (menselijke) soort zal voortbestaan’.

Zowel de ideeën van de amor fati van Friedrich Nietzsche als de Seinsvergessenheit van Martin Heidegger hielden geen stand. Vooruitgang als mens is mogelijk. Ferry heeft het over een postnietzscheaans humanisme met een rehabilitatie van het begrip transcendentie. Dat laatste is interessant. Het gaat niet om een transcendentie en immanentie van een godsopvatting. ‘Er bestaat geen alwetend of algemeen weten,’ aldus de auteur, en bijgevolg kan die transcendentie niet metafysisch zijn. Het doet Ferry besluiten dat we moeten erkennen ‘dat menselijke kennis nooit alwetendheid kan worden’. Dit spoort met het Popperiaanse denken dat er geen waarheden bestaan maar alleen hypotheses die we nadien aan de felst mogelijke kritiek moeten onderwerpen. En met de stelling van György Konrád dat de echte transcendentie ligt in de wereldliteratuur. Het betekent dat we als mens zelf moeten oordelen en beslissen en dat we geen morele standpunten moeten innemen op basis van metafysische dogma’s. Dat betekent niet dat de wetenschap de rol heeft overgenomen van de religie, kijk maar naar Hiroshima. ‘De wetenschap is niet meer zelfverzekerd en heerszuchtig, en leert langzaam maar zeker om zichzelf ter discussie te stellen,’ aldus Ferry.

De auteur verwijst naar Henri Dunant, de oprichter van het Rode Kruis die pleitte voor een gezondheidsinstituut dat geen grenzen kende. Hij kreeg dit inzicht na een aanblik op het slagveld van Solfereno waar hij de talloze slachtoffers zag liggen, zonder enige hulp of bijstand. Soldaten die weerloos of gewond zijn horen niet langer tot een bepaalde natie, maar moeten wegens hun menszijn geholpen worden. Die mensen helpen is een humanitaire daad. Dat is volgens de auteur enkel mogelijk als een mens in staat is om zich ‘in de plaats van een ander te stellen’. Ferry noemt het een ‘verruimd denken’ dat ons niet dwingt om te kiezen ‘tussen schijnpluralisme en verloochening van je eigen overtuiging’. Hiermee betoont de auteur zich als een overtuigend voorstander van Descartes en van de Verklaring van Rechten van de Mens, en tegelijk hanteert hij een bijzonder Popperiaans discours. Het einde van de geschiedenis is niet in zicht. Meer nog, dat zal nooit bereikt worden. We kunnen enkel rekenen op de rede van de mens en in navolging van Levinas, op begrip en mededogen voor de Ander. De titel van dit boek is al te bescheiden. Ferry heeft het niet alleen over de beginselen van de filosofie, maar ook over de actuele waarde ervan. In die zin is zijn boek geslaagd.


Recensie door Dirk Verhofstadt

Luc Ferry, Beginnen met filosofie, De Arbeiderspers, 2007

Links
mailto:verhofstadt.dirk@pandora.be
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be