De naamlozen

boek vrijdag 18 maart 2011

Joshua Ferris

Tim Farnsworth is een succesrijke vennoot in een gerenommeerd New Yorks advocatenkantoor wanneer hij midden de veertig opeens de onweerstaanbare drang voelt om te beginnen rennen. Hij opent de deur van zijn kantoor, neemt de lift naar beneden en zet het op een lopen, urenlang en hier en daar een kledingstuk achterlatend, tot hij volstrekt uitgeput en gedesoriënteerd in elkaar stort en na een diepe slaap zijn vrouw Jane belt. Hij heeft het weer, denkt zij, en terwijl ze in haar auto naar de parking van het grootwarenhuis rijdt waar Tim wakker is geworden vreest ze dat ze haar baan als immobiliënmakelaar zal moeten opgeven om haar man weer naar deze wereld te begeleiden.

Tim en Jane spelen de hoofdrollen in Joshua Ferris’ roman De naamlozen, het tragikomische en meedogenloze relaas van de ondergang van een man en zijn gezin. Tim komt er immers nooit meer echt bovenop. Hij kent nog wel een periode van een jaar of vier dat hij normaal kan functioneren, maar nadien gaat het stijl bergaf met hem. Toen zijn dochter Becka, een dik, verwaarloosd meisje van zeventien met vieze dreadlocks op het hoofd, negen was kreeg Tim voor het eerst een aanval van zijn mysterieuze aandoening, vier jaar later een tweede keer. Inmiddels is Beck zeventien en weet ze dus waar zij en haar moeder aan toe zijn: een paar jaar dweilen met de kraan open.

Veel valt er immers niet aan Tims loopwoede te doen. De ene dokter zegt dat de oorzaak neurologisch is, ook al leveren hersenscans niets op, terwijl de andere dan weer een psychologische grond vermoedt. Feit is dat geen enkele therapie iets oplevert. Tim heeft antidepressiva en bètablokkers geprobeerd, hij is bij gebedsgenezers geweest en heeft een amalgaam homeopathische drankjes door zijn keelgat gegoten. Hij heeft zelfs een sinaasappeldieet gevolgd dat alleen op zijn stoelgang enige invloed bleek te hebben. Hij schafte zich een loopband aan, maar kon zichzelf niet dwingen om op het ding te gaan spurten. Hij nam spierverslappers die leidden tot de langste en ellendigste wandeling uit zijn leven en gaf zich ten slotte over aan een Californische hergeboortetherapie waarbij hij in een grote schuimrubberen baarmoeder werd opgesloten en zichzelf tot een huilbui diende te dwingen terwijl hij naar buiten werd geperst. “Wat een verschrikking was dat geweest,” bedenkt hij achteraf, “Dat nooit meer!”. Het grote probleem met Tims aandoening is dat ze geen naam heeft en hij blijkbaar de enige ter wereld is die er last van heeft. Dat levert hem weliswaar een artikel op in de New England Journal of Medicine, maar niemand in zijn omgeving neemt hem daarentegen serieus. Het op een lopen zetten, dat is toch geen ziekte? Dat is gewoon escapisme.

Dat Tims escapades ook invloed hebben op zijn job ligt natuurlijk voor de hand. Eerst probeert hij zijn afwezigheden nog uit te leggen met de smoes dat Jane hervallen is en opnieuw in het ziekenhuis opgenomen is met kanker, maar wanneer hij op een dag met een fietshelm in de rechtszaal verschijnt die hij niet wil afzetten gaat hij volgens velen ver over de schreef. Die helm is hem echter aangepraat door een dokter en bevat zijn laatste strohalm: een toestel dat constant zijn hersenactiviteiten registreert, dus ook op het moment dat hij een loopaanval krijgt. Het mag echter niet baten. Tim wordt van de zaak gehaald waar hij mee bezig is, een belangrijke klant van het advocatenkantoor, goed voor een jaarlijkse omzet van twintig miljoen dollar, die beschuldigd wordt van de moord op zijn vrouw. Hij wordt van vennoot herleid tot juridisch medewerker, een instapbaan, en neemt uiteindelijk ontslag nadat hij door zijn vroegere collega’s uitgeroepen is tot kantoorgek.

Vijf jaar geleden debuteerde Joshua Ferris met het fel geprezen Zo kwamen we aan het eind, een roman die speelde tijdens de naweeën van de dotcombubble en de neergang van een internetbedrijfje beschreef. Oké, uiteindelijk werd iedereen ontslagen en sommigen kwamen aan de rand van de maatschappij terecht, maar uiteindelijk eindigde het boek op een positieve noot. Wanneer de hoofdrolspelers vier jaar na de feiten terugkeken naar hun pioniersjaren bij het internetbedrijf hielden ze er goede herinneringen aan over. Het was een tijd vol onschuld en grapjasserij geweest. Een dergelijk gevoel heb je niet bij De naamlozen. Dit is een veel zwartgalliger roman die ronduit slecht afloopt en de humor bijna gênant maakt. Wanneer Tim zijn hoofd dient kaal te scheren om het contact met de fietshelm groter te maken vraagt hij zich af waarop hij nu het meest lijkt, een gangster, een terminale zieke of iets wat net uit het ei is gekropen.

Grappen als deze vallen echter in het niet bij het sarcasme waarmee Ferris tientallen pagina’s lang beschrijft hoe Tim, na een vierde aanval, een zwervend wrak wordt. Geld heeft hij niet te kort, maar hij wil niet meer naar huis en verkiest een leven in de goot. Stuk voor stuk vriezen zijn vingers en tenen af, zijn kleren worden gestolen, een wonde in zijn been verandert in een stinkende etterbuil en zijn eenzaamheid is compleet. Jane blijft echter tegen beter weten in contact met hem zoeken. Alles zou deze vrouw doen om opnieuw de Tim van weleer te kunnen hebben, maar hij weigert steevast iedere ontmoeting. Een keer per maand belt hij haar op, telefoontjes die steevast uitlopen op een smeekbede van haar kant om naar huis te komen, maar hij kan niet, zegt hij. Het is geen kwestie van willen, maar van kunnen. En wanneer ze hem opzoekt en beweert dat ze pas zal weggaan wanneer hij in haar gezicht zegt dat ze niets meer voor hem betekent, zegt hij dat ook. Tim is overgeleverd aan een sterkere macht binnenin hemzelf, lijkt het wel, en hij spreekt dan ook altijd in de wij-vorm, alsof hij en zijn aandoening het voortaan samen moeten zien te redden, wat uitmondt in een paar aangrijpende scheldtirades.

De naamlozen is een zeldzaam aangrijpend boek waarvan we in feite niet goed begrijpen waarom het in de Verenigde Staten zo’n immens succes is geworden. Met zijn nimmer aflatende zwartgalligheid en zijn unieke combinatie van kilte en sarcasme doet het immers heel erg Europees aan. Tim laveert de hele roman lang op de rand van de zelfmoord en ieder lichtpuntje wordt al na een paar pagina’s in duisternis gesmoord. Er is geen manier om te ontkomen aan het lot in deze ondergangsfabel. Tim loopt als een gek, maar hoe verder hij raakt, hoe erger het wordt. Misschien appelleert het boek wel aan de doomsfeer die in bepaalde Amerikaanse milieus na drie jaar crisis stilaan een modus vivendi is geworden, en in die zin is Ferris niet alleen een kei van een schrijver, maar ook iemand die als geen ander aanvoelt wat er om zich heen leeft. En dat bleek ook al uit Zo kwamen we aan het eind. Deze roman verscheen immers aan de vooravond van de crisis. De sky leek nog steeds de limit, maar je hoefde echt geen weerman te zijn om de bui te voelen hangen.


Recensie door Marnix Verplancke

Deze tekst verscheen eerst in ‘Uitgelezen’, de boekenbijlage van De Morgen


Joshua Ferris, De naamlozen, vertaald door Peter Abelsen, Anthos, 2010, 320 p., 19,95 euro.

Links
mailto:marnixverplancke@skynet.be
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be