Mussolini. Een nieuwe visie

boek vrijdag 21 oktober 2005

Nicholas Farrell

Benito Mussolini, geboren in Dovia bij Predappio op 29 juni 1883 en geëxecuteerd in Mezzegra op 28 april 1945, regeerde over Italië van 1922 tot 1943/45. Tot 1940 werd hij bewonderd in binnen- en buitenland, maar na zijn val werd hij verguisd. Nicholas Farrell, Brits historicus en soms historisch provocateur, woont sinds 1998 in Predappio, waar Mussolini geboren en begraven werd. Het ligt 15 kilometer van Forli en 80 kilometer van Bologna. Hij acht de tijd gekomen om het beeld van de Duce te herzien. Hij zegt: ‘wij leven in het postcommunistische tijdperk en er zijn aanwijzingen dat wij ons bewegen naar het postdemocratische’. Welke die aanwijzingen zijn, laat hij in het ongewisse. Benito Mussolini regeerde met de toestemming van de grote meerderheid van het volk. Zijn fatale fout was zijn bongenootschap met Hitler. Farrell vergeet de eigen expansiepolitiek van Mussolini en de afschaffing van de liberale democratie. Hij noemt Silvio Berlusconi, premier sinds 2001, een milde volgeling van Thatcher en van het fascisme. Mussolini was geen goed mens, maar hij was niet half zo slecht als hij geportretteerd is. En hij was zeker geen slecht mens, aldus de auteur. Hiermee is de toon dus gezet.

De uitvoerige biografie die dan volgt in 17 zeer gedetailleerde hoofdstukken, is soms kritisch, soms hagiografisch en moet met veel voorbehoud gelezen worden. Ze is grotendeels chronologisch, maar privé-leven, binnen- en buitenlandse politiek staan door elkaar. Het is dus geen systematische analyse zoals die van Richard Overy, Dictators (Stalin en Hitler). Ze bevat veel irrelevante details, maar tegelijk veel concrete informatie over de concrete werking van het fascisme. Deze gegevens staan niet bij elkaar, maar zijn verspreid over het boek. Het verhaal blijft evenwel boeiend tot het einde.

Ter zake dan. Mussolini had een heel gelovige moeder, maar een antiklerikale vader, die de voornaam Benito ontleende aan Benito Juarez, Mexicaans revolutionair en president in de jaren ’60 van de 19de eeuw. Mussolini zelf was aanvankelijk antiklerikaal, een ‘mangiapretti’ of priestereter, maar op het einde van zijn leven werd hij gelovig. Zijn middelbare school begon hij bij de Salesianen in Faenza, werd er van school gestuurd wegens wangedrag en maakte ze af in Forlimpopoli. Hij werd onderwijzer en journalist, maar al zijn baantjes eindigden met ontslag na gemiddeld één jaar. Vanaf zijn 17 had hij seksuele contacten met heel veel vrouwen, eerder op dierlijke dan menselijke wijze. Geregeld werd hij voor korte tijd gearresteerd, meestal wegens vakbondsactiviteiten. In 1904 verbleef hij in Zwitserland en kreeg er de titel ‘Duce’, leider van de socialisten. Vanaf 1910 woonde hij samen en had hij kinderen bij Rachele, een ongeschoolde boerendochter. Hij had ook kinderen bij andere vrouwen. In 1915 volgde een burgerlijk huwelijk, in 1925 een kerkelijk.

Mussolini’s politieke rol begon tijdens en na de Eerste Wereldoorlog. Tijdens de oorlog was hij hoofdredacteur van ‘Avanti’, nadien van ‘Popolo d’Italia’ en kreeg hij geld van Fransen en Britten om Italië in de oorlog te krijgen. De Britten beloofden in het geheim verdrag van Londen (april 1915) Trentino, Triëst, Istrië, de Dodekanesos en Jubaland, een gebied op de grens van Somalië en Kenia. In mei 1915 verklaarden de Italiaanse koning en premier de oorlog aan Oostenrijk, zonder het parlement te raadplegen, en in augustus 1916 aan Duitsland. Het is niet duidelijk welk aandeel Mussolini hierin eventueel had. Soldaat-journalist Mussolini noemde de Duitsers ‘een natie van dieven en moordenaars, wier bestiale trots de oorlog had veroorzaakt’. Italië presteerde heel slecht. De balans was: 670.000 doden, 220.000 invaliden, 400.000 doden door de Spaanse griep. Men kwam gedemoraliseerd en verbitterd uit de oorlog, zeker toen bleek dat Wilson het geheim verdrag van Londen niet erkende en Italië alleen Trentino en Triëst (en pas in november 1920 Istrië) kreeg. Over ‘irredenta’ in Frankrijk en kolonies in Afrika werd niet meer gesproken.

De crisis was zwaar: werkloosheid, stakingen, acht premiers tussen 1914 en 1922, het Vaticaan en de socialistische partij erkenden de Italiaanse staat niet. In dat klimaat stichtte Mussolini op 23 maart 1919 in Milaan de ‘Fascio of fasci di Combattimento’. Het programma was progressief: algemeen kiesrecht, ook voor vrouwen, afschaffing van de monarchie, confiscatie van het land van de rijken, progressieve belastingen op kapitalen. De praktijk was niet altijd zo. De corporatieve staat, de zogenaamde Derde Weg tussen kapitalisme en communisme, bracht niet zoveel voordelen voor de arbeiders. Tussen 1927 en 1930 werden hun lonen verlaagd met achtereenvolgens 20 %, 10 % en na de crash op Wall Street nog eens met 18 à 25 %. Fascistische knokploegen gedroegen zich verre van aardig tegenover arbeiders. De monarchie bleef bestaan en het kiesrecht werd beperkt tot het accepteren of verwerpen van een vooraf opgestelde eenheidslijst. De maffia vluchtte grotendeels naar Amerika en was inactief tot na de Tweede Wereldoorlog, maar werd niet uitgeroeid. De revolutionaire dichter Gabriële d’Annunzio, veroveraar van Fiume/Rijeka in september 1919, leverde ook ideeën: de Romeinse groet in plaats van een hand geven, de leiderscultus, het strijdlied en de idee van een Groot Italië.

De verkiezingen van november 1919 draaiden uit op een flop: in hun bolwerk Milaan kregen de fascisten geen 5.000 stemmen op 220.000 ( 0,017 % ), in Predappio geen. In 1921 haalden de fascisten 35 zetels, de pas opgerichte PCI 15. Chaos en geweld duurden voort. In oktober 1922 gebeurde de grote ‘Mars naar Rome’. 50.000 deelnemers daagden op, maar niet te voet, grotendeels met de trein. Zo ook grote roerganger Mussolini. Koning Vittorio Emanuele III liet hem een regering vormen. Hij gaf hem de macht om na twee jaar rood geweld en twee jaar zwart geweld de orde te herstellen. Mussolini vormde een regering met 3 fascisten en 10 anderen. De Kamer gunde hem het vertrouwen met 360 pro en 116 contra. Vijf ex-premiers stemden voor, socialisten en communisten tegen. Het ledenaantal van de Partito Nazionale Fascista sprong omhoog van 300.000 in 1922 naar 783.000 in 1923. Farrell beweert dat Mussolini de dictatuur invoerde om het zwarte geweld tot kalmte te brengen. Belangrijke beslissingen nam Mussolini zelf, eventueel in de Grote Raad, maar niet in het parlement, dat gekozen werd uit een eenheidslijst. Burgemeesters werden niet meer gekozen, maar aangeduid en hadden absolute plaatselijke macht. Ook de legerleiding werd door hem benoemd.

Het geweld was niet meteen onder controle: socialistisch voorman en voornaamste criticus van het regime Giacomo Matteotti werd vermoord in 1924. Mussolini daarentegen overleefde vele aanslagen. Eén van de aanslagplegers was Anteo Zamboni, naar wie nu de universiteitsstraat in Bologna genoemd is. Hij was op 31 oktober 1926 pas 16 jaar en werd ter plekke gedood door de omstanders. Later volgden er nog een dozijn aanslagen, zodat er in totaal ongeveer 16 pogingen waren. Na de aanslag van Zamboni werden alle leidende communisten gearresteerd, inclusief kamerlid Gramsci. Hij kreeg 20 jaar voor ‘het aanzetten tot burgeroorlog en klassenhaat’. Hij stierf in 1937. In totaal werden 4.596 politieke tegenstanders veroordeeld tot gevangenisstraffen van gemiddeld 6 jaar en 42 ter dood, waarvan er 31 werden uitgevoerd, dus twee per jaar (1926-943). Farrell vindt dat weinig, vergeleken met de Franse Revolutie, de Sovjet-Unie en de nazi’s. Farrell beweert dat de ontvoerders van Matteotti niet de bedoeling hadden hem te vermoorden en dat Mussolini geen orders had gegeven. Farrell beschrijft hem als een fanaticus, die door zijn ‘provocerende toespraken’ zijn eigen dood heeft uitgelokt. Kritische politici zijn dus gewaarschuwd. We lezen hier niet dat de schurken door fascisten ingehuurd en speciaal uit de gevangenis losgelaten waren, dat ze in 1926 heel licht gestraft werden en pas in 1947 hun verdiende gevangenisstraf kregen.

De overheid moest ook de lire opkrikken, meer graan produceren, het platteland opwaarderen en campagne voeren voor meer baby’s. Dit laatste gebeurde met premies in geld, niet met medailles zoals Hitler het zou doen. De Duce gaf zelf het voorbeeld, zowel thuis als bij andere vrouwen. De drooglegging van de Pontijnse moerassen, al gepland door Caesar, was een succes. Idem voor de elektrificatie van de spoorwegen, de halvering van de reistijden, de aanleg van de eerste autosnelweg in Europa. Farrell zegt niet duidelijk of de treinen voortaan op tijd reden: de ene keer beweert hij van wel, de andere keer niet. Het bedrijf Fiat werkte ook mee, door in 1932 een eerst ‘volkswagen’ op de markt te brengen, de Balilla; kostprijs: 10.000 lire of twee jaarsalarissen van een geschoolde arbeider. In 1936 volgde de Topolino of Mickey Mouse of Cinquecento. Maar in 1938 hadden slechts 340.000 Italianen een auto en maar 170.000 een telefoon.

De fascistische boodschap werd overgebracht via posters, strooibiljetten, gestencilde teksten op muren en een ‘catechismus’. Deze primitieve technieken waren nodig, omdat te weinig Italianen een radio hadden: 242.000 in 1931, 1,1 miljoen in 1939 op 43 miljoen inwoners. Cultuur, kunst en vrijetijdsleven werden veel minder door de overheid gecontroleerd dan in Duitsland of in de Sovjet-Unie, wat ook bevestigd wordt door George Holmes en David Forgacs in The Oxford History of Italy. Ondertussen kreeg Mussolini veel lof uit het buitenland, met name van Churchill, de paus, later ook van Roosevelt en andere groten. Churchill omschreef hem in 1933 als ‘het Romeinse genie, de grootste wetgever van deze tijd’. En hij had een enorm secretariaat nodig om de brieven te beantwoorden, die met honderdduizenden per jaar toestroomden, in meerderheid van vrouwelijke aanbidders. In 1929 verhuisde zijn vrouw Rachele, na de geboorte van haar vijfde kind, eindelijk van Predappio naar Rome. Zij bouwde de mooie Villa Torlonia om tot een echte boerderij, met kippen, konijnen, loslopende kalkoenen, ganzen, duiven, honden en varkens. Zij bakte zelf haar brood en maakte zelf de pasta. Thuis speelde zij dictator. Maar Mussolini’s joodse vriendin Margherita Sarfatti kwam buiten haar weten in de buurt wonen. Bij de laatste levensgezellin Claretta Petacci duurde het ook jaren voordat Rachele, ‘de heks uit de Romagna’ volgens Farrell, het door had.

In 1929 kwam na 59 jaar ruzie tussen staat en kerk het Verdrag van Lateranen tot stand. Er was drie jaar in het geheim over onderhandeld. Ondanks de financiële verplichtingen, was het voor Mussolini een enorm propagandistisch succes in binnen- en buitenland. De vrede werd nog even verstoord door een discussie over de katholieke jeugdbeweging, die Mussolini liever niet zag bestaan naast zijn fascistische. Voor de rest leefden paus en Mussolini op goede voet tot de anti-joodse wetten van 1938. En zelfs toen protesteerde de kerk, die volgens Farrell meer antisemitisch was dan het fascisme, enkel tegen het verbod op huwelijken tussen katholieken en bekeerde joden. In de oorlogsjaren beschermde het Vaticaan de joden wel door ze te laten onderduiken in kloosters.

In 1934 ontmoetten Hitler en Mussolini elkaar voor het eerst in de omgeving van Venetië. Hitler had veel bewondering voor Mussolini, maar omgekeerd was dat niet zo. Mussolini sprak Duits en liet horen dat hij tegen de Anschluss van Oostenrijk was, onder andere omdat Hitler ook Zuid-Tirool/Alto Adige wou aanhechten omwille van de 200.000 Duitstaligen die er woonden. In het najaar van 1935 viel Mussolini binnen in Ethiopië. Dit gebeurde met steun van Hitler, die toen het Rijnland inpalmde. De goedkeuring van de bevolking was massaal: 33.622 ton goud werd ingezameld, trouwringen werden massaal ingeleverd, ook door Marconi. Pirandello schonk zelfs zijn Nobelprijsmedaille, behaald in 1934 voor zijn romans en toneel. De Italianen gebruikten massaal gifgas, volgens Farrell zonder reden, want hun militaire superioriteit was overduidelijk.

In de Spaanse Burgeroorlog kozen Hitler en Mussolini de kant van Franco. Hitler met luchtmacht en 10.000 soldaten, Mussolini met 80.000. Aan Republikeinse zijde vochten 3.000 Italianen, onder andere de latere communistische leider Longo, lid van het commando dat Mussolini executeerde. Soms streden Italianen tegen Italianen, zoals in Guadalajara in maart 1937. De oorlog leverde Mussolini geen terreinwinst op. In oktober-november 1936 ontstond de as Berlijn-Rome, ‘een as waarrond de Europese staten die vrede willen kunnen draaien’, aldus Mussolini, de eerste gebruiker van het woord. In 1937 bracht de Duce een tegenbezoek aan de Führer en werd met alle praal ontvangen. In maart 1938 viel Hitler binnen in Oostenrijk. Mussolini, Frankrijk en Engeland lieten begaan. In mei 1938 bracht Hitler een staatsbezoek van een week aan Rome, Napels, Firenze en andere steden. In september 1938 stond Mussolini op zijn hoogtepunt. Op de conferentie van München was hij de enige die vreemde talen kende: Frans, Duits en een beetje Engels. In Italië werd hij verwelkomd als redder van de vrede, zoals Chamberlain in Engeland.

Maar dan beging hij de ene blunder na de andere. De ellende begon met zijn anti-joodse wetten, hoewel 10.000 joden op een totaal van 50.000 Italiaanse joden lid waren van zijn PNF. Verder waren er ook nog veel joden onder de circa 100.000 vluchtelingen die naar Italië kwamen tussen 1933 en 1940. Volgens Farrell nam Mussolini zijn besluit niet uit racisme en evenmin onder druk van Hitler, maar omdat joden prominent aanwezig waren onder Mussolini’s vijanden: communisten, bourgeois, anti-fascisten, internationalisten. Een vreemde verklaring want voor 1938 was dat ook zo. Joden werden uit allerlei eervolle beroepen gesloten en onderworpen aan beperkingen op hun economische activiteiten. In april 1939 veroverde Mussolini Albanië. In mei tekende zijn schoonzoon Ciano het ‘Stalen Vredespact’ met Duitsland. Farrell beweert dat dit was om een grote oorlog te voorkomen. Dit klopt natuurlijk niet. Want hoewel de Franse premier Reynaud in maart 1940 gebied wou afstaan, Roosevelt, Churchill en paus Pius XII Mussolini opriepen om niet mee te doen, verklaarde hij toch op 10 juni 1940 de oorlog aan Frankrijk en Engeland, uit ijdelheid, hebzucht en omdat hij vreesde dat Hitler ook hem zou aanvallen. Voor dit laatste zijn geen bewijzen beschikbaar.

Volgens Churchill was die oorlogsverklaring de fatale vergissing van de Duce. Mussolini wou niet weinig: Tunesië, Djibouti, Corsica, Zuidoost Frankrijk, de Franse vloot. Hitler wees zijn eisen af. De Franse kolonies bleven onder Frans Vichy-bewind. Een oorlog van 100 uren tegen Frankrijk leverde bijna niets op. Ondertussen concentreerde Mussolini zich al even veel op zijn nieuwe maîtresse, Claretta Petacci, en haar illegale abortus(sen) als op de oorlog. Hij en Hitler deden in oktober 1940 vergeefse pogingen om Franco de oorlog te doen verklaren aan Engeland. Hitler viel Roemenië binnen voor zijn olievelden, die 70 % van de Duitse behoefte konden dekken. Op 28 oktober 1940 vielen Mussolini en Ciano Griekenland aan. Volgens Farrell was het motief hiervoor niet duidelijk en was dit zijn eerste grote fout als oorlogsleider. Mijn inziens beging hij al eerder grote fouten: zijn verovering van Albanië in 1939, zijn oorlogsverklaring aan Frankrijk en Engeland in juni 1940, en aan Engeland in Egypte in september 1940. Blijkbaar wou hij met de inval in Griekenland sterker overkomen bij Hitler en zijn positie in de Middellandse Zee versterken tegenover Engeland. Hitler was woedend. Engeland kwam de Grieken ter hulp en de Italiaanse nederlagen vertraagden zijn aanval op de Sovjet-Unie.

In december 1940 versloegen de Britten Italië in Libië, in april 1941 in Ethiopië. Het kleine Afrikakorps van Rommel kon het Italiaanse gezichtsverlies in Libië nog enigszins beperken. Duitsland veroverde Griekenland en Joegoslavië in april 1941 in nauwelijks twee weken. Mussolini kreeg de Dalmatische kust. Toch was hij boos op Hitler en nadien nog meer toen deze de Sovjet-Unie aanviel in juni 1941. Na de aanval van Japan op Pearl Harbor, was de Europese oorlog helemaal geëscaleerd tot een wereldconflict, iets wat Mussolini zogezegd niet wilde, maar toch verklaarde hij in december 1041 samen met Hitler de oorlog aan de Verenigde Staten. Vanaf 1942 ging het steeds verder bergaf Mussolini: hij werd psychosomatisch ziek aan zijn maag, verloor een kwart van zijn gewicht, faalde compleet aan het Russische front. Tussen november 1942 en februari 1943 wonnen de Russen de slag om Stalingrad en waren de Italianen gesneuveld, gevlucht of krijgsgevangen gemaakt. Slechts tienduizend van hen keerden terug; de anderen stierven op mars naar of in de Russische concentratiekampen. In datzelfde jaar begon ook de systematische, industriële uitroeiing van de joden. Italië en Denemarken waren de enige bezette landen of bondgenoten die geen joden lieten deporteren en die zich verzetten tegen de druk van Himmler en Von Ribbentrop. Italië redde ook veel joden in de gebieden van Joegoslavië en van Frankrijk die onder Italiaanse controle waren. Dit wordt bevestigd door Rosetta Loy in Het woord jood. Ook Pius XII redde circa 4.700 joden door ze te laten onderduiken in het Vaticaan en in kloosters in Rome. Maar in oktober 1943, dus na de val van Mussolini, arresteerden de Duitsers meer dan 1.000 van de 7.000 joden in Rome en brachten ze om in Auschwitz. Churchill en Roosevelt wisten vooraf via een gedecodeerd telegram dat dit ging gebeuren, maar grepen niet in, Pius XII zweeg eveneens.

In 1943 kreeg de bevolking eindelijk genoeg van de oorlog, omdat ze honger leden, hun soldaten overal sneuvelden, Engelsen en Amerikanen de Italiaanse steden bombardeerden en omdat de corruptie onder de fascistische leiders (zoals Ciano Petacci) overal bekend raakte. In maart 1943 staakten dan ook 130.000 arbeiders in Turijn en Milaan, de eerste grote staking sinds 1922. Hun voedselrantsoen was gelijk aan dat van de Polen onder de nazi’s. Farrell noemt het geen staking tegen het fascisme, maar tegen de honger. Vanuit het veroverde Libië en Tunesië gingen de Geallieerden Sicilië en Zuid-Italië veroveren. In juni ontstonden complotten tegen Mussolini, die niet enkel lichamelijk, maar ook geestelijk ziek was. Toen de oogst tegenviel, beval hij de vogels uit te moorden, een idee dat Mao in 1956 even zou toepassen. In juli 1943 werd de Duce gearresteerd. De geweldloze staatsgreep had de steun van de koning, die Italië uit de oorlog wou halen. Generaal Badoglio kwam eerst in zijn plaats, vanaf april 1944 Bonomi. Badoglio onderhandelde zowel met de Britten als met de Duitsers. Op 8 september gaf hij zich over aan Eisenhower. Maar dan bevrijdden de Duitsers Mussolini. Er kwam een ontmoeting met Hitler, die hem weer aan de macht bracht, in Salò, aan het Garda-meer. Italië had nu dus twee invasielegers, elk met een marionettenregering. Vanaf september 1943 ontstonden verzetsgroepen tegen de Duitsers en tegen de fascisten. Volgens Farrell deden ze meer kwaad dan goed, omdat hun aanslagen op Duitsers telkens tien keer zoveel Italiaanse doden tot gevolg hadden. Mussolini liet in januari 1944 vijf samenzweerders executeren, onder andere zijn schoonzoon Ciano! Op 4 juni 1944 veroverden de Geallieerden Rome, daarna Firenze, waar de Duitsers alle bruggen over de Arno vernielden, behalve de Ponte Vecchio. In april 1945 liep alles op zijn einde: bevrijding, repressie, vlucht van Mussolini naar het noorden, arrestatie in Dongo op 27 april, executie op 28 april 1945 in Mezzegra door communisten in plaats van de gevraagde uitlevering aan de Amerikanen. Tot nu toe weigert de PCI haar archieven hierover te openen: was het Longo, Lampredi of Moretti? En waarom leverden ze hem niet uit?

De dode lichamen werden overgebracht naar Milaan, daar onteerd en onderste boven opgehangen. In 1957 werden de lijken overgebracht naar de definitieve begraafplaats Predappio. Farrell schat het aantal doden door het verzet tijdens hun repressie in april-mei 1945 op 35.000. Hij eindigt weemoedig en tweeslachtig. Vooreerst met het refrein van het ‘onweerstaanbare Giovinezza, een lied van hoop, belofte en een betere toekomst; niemand zingt het nog, maar het is altijd present als herinnering aan hoe anders het fascisme eens was vóór de fatale alliantie met Hitler’; b) met een hard citaat van Edda Ciano over de dood van haar vader: ‘ik haatte hem. En toen ik hem opgehangen zag, zei ik: het was de laatste liefdesdaad van de Italianen voor hem’.

Enkele opmerkingen en bedenkingen. De Nederlandse titel spreekt van ‘een nieuwe visie’. Voor zover deze er al is, formuleert Farrell ze vooral in hoofdstuk negen: macht. Mussolini greep de macht niet met geweld, hij kreeg ze en kreeg ook de steun van heel de bevolking. Zijn fascisme was geen schepping van de industrie, maar van figuren die een socialistisch of syndicalistisch verleden hadden. Farrell beweert ook dat Mussolini nooit opdracht gaf tot geweld of tot politieke moorden zoals op socialistisch voorman Matteotti of de gebroeders Rosselli. Er zijn inderdaad geen bewijzen, maar de straffen voor de daders waren te licht. Farrell uit ook weinig kritiek op de vele oorlogen van Mussolini, waarmee hij honderdduizenden doden op zijn geweten heeft in Italië en in de landen die door Italië aangevallen of bezet werden. Het valt op dat de diplomatie in de jaren ’20-’40 zich beperkte tot Engeland, Frankrijk, Italië en Duitsland en in mindere mate de VSA en de SU. De rest van Europa, laat staan van de wereld, speelde geen rol, de Volkenbond evenmin.

Farrell kan goed vertellen, maar ook choqueren en provoceren, soms met kleine zinnetjes of korte bedenkingen. In zijn negatieve benadering van verzetslui, socialisten en zeker van communisten en van Tito en zijn goedpraten van het Italiaanse kolonialisme toont hij zich geen afstandelijke historicus. Maar zo houdt hij de lezer wel wakker. Het boek is goed gedocumenteerd en in de 3.816 noten staan ook verwijzingen naar kritische biografen zoals Pierre Milza en Denis Mack Smith. Tot slot. Het officiële Italië herdenkt Mussolini niet: nergens zie je een straat of plein met zijn naam, in Predappio staat geen wegwijzer naar zijn kerkhof en bij de gesneuvelden van de Tweede Wereldoorlog staan enkel de slachtoffers van 1943-1945.


Recensie door Jef Abbeel

Nicholas Farrell, Mussolini. Een nieuwe visie, Uitgeverij Ten Have, 2004

Links
mailto:jef.abbeel@skynet.be
Share |

De Arabische Revolutie:

tussen droom en werkelijkheid

Op woensdag 5 april 20.00 uur

Afspraak in De Markten (Oude graanmarkt 5, 1000 Brussel) voor een avond met Koert Debeuf,

schrijver, columnist, directeur van het Tahrir Institute for Middle East Policy Europe en onderzoeker aan de Universiteit van Oxford.

Zijn recentste boek is "Inside the Arab Revolution. Three Years on the Front Line of the Arab Spring".

Koert zal gebaseerd op zijn persoonlijke ervaringen de Arabische Revolutie trachten te kaderen door parallellen te trekken met de Franse Revolutie en door een aantal inzichten te bieden in het Midden Oosten.

Uw aanmeldingsmail aan info@liberales.be geldt als inschrijving.

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be