James Ensor. Een biografie

boek vrijdag 31 oktober 2008

Eric Min

‘In de souvernirwinkel van zijn grootouders maakt een papegaai kabaal; het ruikt er naar schimmel en katten, maar vooral naar de zure urine van oma’s aapje, dat in de schelpen plast. Het beest ligt aan de ketting […] wanneer hij op een grote opgezette vis kruipt, is het effect bepaald duivels.’ Met dit soort fantastische beschrijvingen is Mins versie van het levensverhaal van James Sidney Edouard Ensor (1860-1949) helemaal doorspekt.

In zijn woord vooraf vraagt Min zich af, wat is feit, wat fictie? James Ensor blijkt immers een lastige klant te zijn. ‘Een artiest kijkt over zijn eigen schouder, poseert, liegt zich een leven bijeen.’ Ensor heeft geen dagboek bijgehouden, de primaire bronnen (essays, toespraken en brieven) zijn eerder schaars en bovendien had hij de gewoonte zijn eigen biografie te manipuleren. Toch slaagt Min erin om de context te schetsen waarin de 850 schilderijen, meer dan 100 etsen en duizenden tekeningen van de Schelpenbaron uit Oostende tot stand zijn gekomen. De biografie vertelt in zes hoofdstukken in heel begrijpelijke taal telkens een stukje van het leven van Ensor en probeert het te reconstrueren in de tijdsgeest en de stand van zaken op kunsthistorisch vlak.

Brise d’Ostende (1860-1877)

Het verhaal van Ensor is in de eerste plaats het verhaal van een plek: Oostende. Ostende in het Frans en het lokale dialect. Het Oostende waar hij geboren wordt is een vesting met een vissershaven en zestienduizend inwoners. Als in 1865 de wallen worden gesloopt ontwikkelt ze zich in nauwelijks tien jaar tot één van de mooiste badplaatsen van Europa: a place to be. In dit zilte theatrum mundi waar gegoede burgers het nietsdoen tot een tijdverdrijf hebben verheven, komt het erop aan te kijken en gezien te worden. Sluitsteen van het sociale theater is de aanwezigheid van de Koning. De biotoop waarin Ensor zelf opgroeide, de souvenirwinkel van Ensors familie langs moederskant, is het schaalmodel waarin het stadstheater wordt nagespeeld. Ensors jeugd is niet overvloedig gedocumenteerd maar de link tussen de prullaria die in de souvenirwinkeltjes werden verkocht en Ensors maskerschilderijen kan niemand ontgaan.

Een retourticket Brussel (1877-1884)

In oktober 1877 komt James Ensor naar Brussel waar hij zich laat inschrijven aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten en neemt zijn intrek in de Sint- Jansstraat. Zijn debuut op de academie is een kroniek van een aangekondigde dood. Zijn resultaten zijn bedenkelijk en Ensor schrijft over de Academie als over ‘Het asiel voor blinden en slechtzienden.’ Ensor las veel en graag. Edgar Allan Poe is iemand die hij hoog aanslaat en hij zou in zijn tekeningen en schilderijen vaak teruggrijpen naar de fantastische en groteske verhalen die Poe had verzonnen (cfr. Ets De wraak van Hop-Frog). In deze periode wordt ook de basis gelegd van zijn vriendschap met de intellectuelenfamilies Rousseau en Hannon waar hij kind aan huis wordt in de Vautierstraat, 20. In 1880 keert de dwarse student terug naar Oostende, nu voorgoed. Hij zal weliswaar nog vaak naar Brussel trekken om er artistieke en ideologische aroma’s op te snuiven, maar voortaan neemt hij zijn intrek in het ouderlijk huis in de Vlaanderenstraat. Ensor rijgt hier het ene sublieme schilderij aan het andere: een suite van ‘burgersalons’ ziet het licht . In 1883 wordt in een Brussels café de groep des XX opgericht. Harde kern van deze groep zijn Ensor, Khnopff, Van Rysselberghe. Zoals elk avant- gardegezelschap,lijkt de Cercle des XX wel een Spaanse herberg: boze klanten vertrekken, nieuwe maatjes worden aangevoerd zoals Rops in 1886 en later nog Henry Van de Velde en Georges Minne. Het programma van de groep kan in één regel worden samengevat: ‘ Wij doen onze eigen goesting.’

De wonderjaren (1884-1888)

Ensor pendelt heen en weer tussen Oostende en Brussel waar hij steeds terecht kan bij de Rousseaus. In deze periode maakt Ensor de keuze van zijn leven. Hij wordt zijn eigen toeschouwer, hij zal het ene doek na het andere transformeren tot een mise en abîme. In de rand van talloze werken beeldt Ensor maskers en schedels af, die samen met de toeschouwer in het schilderij naar binnen kijken en commentaar leveren. Met dit motief heeft Ensor de blik ‘tot de tweede macht’ uitgevonden. Omdat de toeschouwer gewaar wordt dat er iemand meekijkt, neemt de unheimische sfeer nog toe. Zijn meesterwerk De intrede van Christus in Brussel in 1889, schildert hij in 1888. Het zal het manifest zijn van een eigenzinnige meester maar ook een artistiek en ideologisch baken in roerige tijden, waar stakingen en betogingen elkaar opvolgen, waar werkloosheid en bittere armoede woekeren. In 1888 produceert Ensor ook nog eens 45 etsen. De visuele boulimie van de kunstenaar kent geen grenzen, zo bewerkt hij oudere tekeningen tot fantastische creaturen lang voor de surrealisten.

‘Tentaculaire stad’(1888-1893)

Een van Ensors topstukken uit 1890 is De Baden van Oostende, een bijtende sociale satire. In een panoramische oogopslag vat Ensor de essentie van het burgerlijk leven aan zee. Hij kijkt letterlijk uit de hoogte naar de mierenkolonie aan zijn voeten. In 1891 volgt een burleske Guldensporenslag, een requisitoir tegen de huichelachtige rechters, Les bons juges en later een aanval op de artsen, Les mauvais médecins (1892)en de kunstkritiek, Les cuisiniers dangereux (1896). Regelmatig wordt Ensor door bevoorrechte getuigen opgevoerd in taferelen die bulken van joie de vivre en lolbroekerij. Zelf zal hij deze trek van zijn persoonlijkheid steeds afvlakken. Als in 1893 Les XX worden ontbonden is dit voor Ensor een grote ontgoocheling. In datzelfde jaar overweegt hij om de hele inboedel van zijn atelier te verkopen voor 8.000 frank maar er daagt geen koper op.

James.ensor@oostende.be (1894-1913)

In 1895 krijgt Ensor zijn eerste echte tentoonstelling met schilderijen, etsen en tekeningen. De lampenist is het eerste werk dat door de overheid wordt aangekocht. In 1896 richt Ensor met enkele kompanen La Compagnie du Rat Mort op. Het is een herenclub, die feestjes organiseert. En ze wisten wat feesten was. Geregeld werd het uitbundig verklede gezelschap tot een groepsportret geschikt, met l’ami James in een glansrol. In 1897 heeft Ensor het essentiële deel van zijn oeuvre in olieverf achter de rug. De koorts van het creëren is gezakt. In 1899 is zijn productie bijna helemaal tot stilstand gekomen. Hij zal nu gaan schrijven, toespraken houden, pamfletten opstellen. Als geen ander zal hij zijn imago oppoetsen. In 1904 ontmoet Ensor Emma Lambotte. Zij is de goede fee, die de kunstenaar voorstelt aan de Antwerpse collectioneur en mecenas François Franck. Tussen 1904 en 1914 stuurt James zijn groupie minstens honderdtachtig brieven. In 1906 krijgt hij van de Lambottes een harmonium cadeau, dat zijn eenzaamheid moet verlichten. Hij maakt La gamme d’Amour, een pantomineballet waarbij hij vooral inspiratie put uit de lichte muziek en waarvoor hij ook de tekst, de decors en de kostuums zal creëren. Ensors werk trekt de wereld rond. Ondertussen weigert de Luikse gemeenteraad het werk De oestereetster te kopen omdat het ‘in moreel opzicht een onverantwoord’ doek is. De schilder reageert furieus ‘Ik ben geneigd voorop te stellen dat kunst niets met moraal te maken heeft, zij is er ver boven verheven.’ Het werk zal uiteindelijk aangekocht worden door de Lambottes. In 1910 organiseert de Rotterdamse Kunstkring een Ensorretrospectieve met een zestigtal schilderijen, etsen en tekeningen, waaronder een groot aantal uit de collecties Franck en Lambotte. In 1913 maakt Rik Wouters een borstbeeld van Ensor. Deze bronzen Ensor is een massieve mens van 53, rond als een trotse, welgedane burgerman.

‘Pif pouf paf- Salut en de Kust’ (1914-1949)

De oorlogsjaren hebben voor de ‘eenzame’ man enkele ingrijpende gebeurtenissen in petto. Hij verliest achtereenvolgens zijn moeder en zijn tante Mimi. In 1917 verlaat hij het grote en dure pand op de hoek van de Vlaanderenstraat en verhuist naar het huis van zijn oom, vijftig passen en vier huisnummers lager in dezelfde straat. Hij zal er wonen tot zijn dood en in 1952 wordt het pand ingericht als Ensormuseum. In de jaren twintig beleeft hij drukke dagen tussen bewonderaars en muzen. Tijdens het interbellum is Ensor de beroemdste levende Belgische kunstenaar. Er komt geen einde aan de honneurs die de oude man te beurt vallen met als hoogtepunt de baronstitel (1929). Als wapenspreuk kiest Ensor ‘Pro Luce nobilis sum’ of ‘door het licht ben ik geadeld’. Deze verheffing in de adelstand blijft niet zonder gevolgen: zijn marktwaarde vertienvoudigt en dus laat hij compromitterende elementen uit zijn werk verdwijnen. Er staat geen maat meer op Ensors societyleven. In 1933 wordt hij aangesteld tot commandeur in het Légion d’Honneur en ontmoet hij Nobelprijswinnaar Albert Einstein.

Terwijl Europa de adem inhoudt en Hitler aftelt voor de big bang, borstelt de hoogbejaarde kunstenaar stillevens. In 1937 poseert hij als een antiquair in zijn atelier. Aan zijn voeten liggen schilderijen uitgestald waaronder een schilderij-in-het-schilderij met de titel Pif pouf paf-Salut en de Kust. In het begin van de oorlog wordt Oostende onafgebroken gebombardeerd. Het stadhuis en het museum worden met de grond gelijkgemaakt. Tijdens de bombardementen zoekt Ensor wel eens een onderkomen in Hotel Regina, waar hij dan in een hoekje zit te tekenen, ‘altijd doodkalm en zelfs ironisch, het woord “oorlog” slechts met misprijzen in de mond nemend.’ In augustus 1949 geeft Ensor zijn laatste interview. In september 1949 zal J-J. Gailliard Ensors universum in verf op doek vatten in een reeks Ensoriana: De Falstaff, De ogen van Ensor, De schoorsteen van het atelier. James Sidney Eduard baron Ensor sterft op 19 november 1949 ‘in de ouderdom van 89 jaar’ zoals het tweetalige overlijdensbericht, dat in de stad wordt aangeplakt, vermeldt.

In zijn epiloog wijst de biograaf erop dat de geschiedenis zich een eerste keer herhaalt als een tragedie, de tweede keer als farce. In 1895 kankerde Ensor over de onverschilligheid in zijn stad ‘Mais les Ostandais, public huîtreux, ne bougent pas, ils ne veulent pas voir la peinture (…) l’ Ostendais déteste l’art’. Een eeuw later is het niet noodzakelijk anders. In 2005 sloot het Oostendse Museum voor Schone Kunsten zijn deuren. Jarenlang zijn de Ensors, de Spilliaerts en al de anderen op den dool. In 2008 maakt de stad Oostende haar voornemen bekend, het Museum voor Schone Kunsten en het PMMK te laten samenwerken. Werken van Ensor en Spilliaert zullen zeker getoond worden. Ook het Ensorhuis zal behouden worden. Staat tussen de regels een andere optie te lezen? Slopen die handel? Verkopen op eBay?

De biografie wordt vervolledigd met een bibliografie en een personenregister. Biograaf Eric Min (1959) toont dat er meer is tussen stilleven en zelfportret. In het atelier van de kunstenaar speelde zich een tragikomedie af die hij zelf met verve had geregisseerd: het verhaal van een ontevreden mens, een zelfingenomen querulant, die als onbegrepen genie en in zelfgekozen eenzaamheid strijd leverde tegen de rest van de wereld.


Recensie door Sonja De Schaepdryver

Eric Min, James Ensor, een biografie, Meulenhoff/Manteau, 2008, 344 pp. met apart fotokatern. ISBN 9789085420491

Links
mailto:sonja.de.schaepdryver@skynet.be
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be