Wegsturen of binnenlaten?

boek vrijdag 25 november 2005

Piet Emmer en Hans Wansink

De multiculturele samenleving staat onder druk. Aan de ene kant staat een toenemende afkeer voor immigranten die onze culturele eigenheid bedreigen, aan de andere kant groeit het besef dat we ingevolge de demografische evolutie steeds meer immigranten nodig hebben om ons systeem van sociale bescherming in stand te houden. De discussies terzake lopen momenteel eerder emotioneel dan rationeel. Sommigen zien de vreemdelingen als lastposten, anderen beschouwen hen als de oplossing van onze problemen. Net dan is een nuchtere en politiek onbevooroordeelde houding meer dan waardevol. In hun boek Wegsturen of binnenlaten? proberen Piet Emmer en Hans Wansink een antwoord te bieden op de meest urgente vragen over de voor en nadelen van immigratie. Zij plaatsen het debat over migratie en minderheden in een vergelijkend historisch perspectief en pleiten voor een nieuw zakelijk migratiebeleid. Nederland, zo stellen de auteurs, moet zijn immigratietrauma overwinnen en terugkeren naar de eeuwenoude praktijk van profijtelijke arbeidsmigratie.

Dat de komst van arbeidsmigranten naar Nederland in het verleden heeft bijgedragen tot een forse economische vooruitgang staat buiten kijf. Tot de jaren zeventig van de vorige eeuw zorgden vreemdelingen met hun ondernemingszin en kwalificaties voor meer initiatief en groei. Sindsdien veranderde het plaatje. Niet-westerse migranten bleken een kostenpost en een bron van onwenselijke maatschappelijke ontwikkelingen. De auteurs verwijzen naar het feit dat de Turkse en Marokkaanse gastarbeiders naar hier werden gehaald om het vuile werk op te knappen waarvoor Nederlanders hun neus ophaalden, maar door de grote saneringsgolf in de industrie in de jaren tachtig raakte de helft van hen in de WAO. Die werklozen verlieten het land niet want ze ontvingen hier een gegarandeerd inkomen dat beter was dan in hun land van herkomst. Tegelijk brachten de gezinshereniging en familievorming een ketenmigratie op gang die geheel losstond van de vraag naar arbeid. En daar ligt volgens de auteurs net de kern van ons hedendaagse probleem. ‘Immigratie die niet aansluit bij de noden van de arbeidsmarkt, kan per definitie niet leiden tot succesvolle integratie, maar komt neer op het importeren van een nieuwe onderklasse’, zo schrijven ze.

Hun analyse is scherp, zakelijk en bij momenten harteloos, maar dat neemt niet weg dat ze klopt. Naast de ketenmigratie kennen we de laatste jaren ook een uit de hand gelopen asielmigratie waardoor de maatschappelijke kosten van de nieuwkomers veel hoger uitvallen dan hun bijdrage aan de belasting en sociale premies. Nog erger is volgens de auteurs de grote werkloosheid binnen de Turkse en Marokkaanse gemeenschap in Nederland waardoor ze niet alleen het contact met de arbeidsmarkt verliezen, maar ook met de moderniteit zelf. Net hun gebrek aan arbeidsparticipatie leidt tot een vlucht naar de islam via de moskee en het koffiehuis. En de toekomst ziet er niet rooskleuriger uit als men weet dat drie kwart van de in Nederland gehuwde Turken en Marokkanen zijn of haar echtgenoot uit het land van herkomst haalt. Wat de auteurs doet besluiten dat de beperking van het recht op immigratie voor gezinsvorming en het opleggen van inkomenseisen voor geïmporteerde huwelijkspartners zal leiden tot een betere integratie.

Met hun standpunt gaan de auteurs regelrecht in tegen het politiek correcte denken van de voorbije decennia. Elke kritische stem over het migratiebeleid en de multiculturele samenleving werd toen ongenadig in de kiem gesmoord. Frits Bolkestein waarschuwde in de jaren negentig al op het gevaar van een groeiende kloof tussen ‘het zwijgen van de elite en de toenemende onrust bij grote delen van de bevolking’. Tot Pim Fortuyn de stok in het hoenderhok gooide en de Nederlandse kiezers massaal in opstand kwamen. De schroom om de zaken te zeggen zoals ze zijn is sindsdien grotendeels weggevallen en Emmer en Wansink citeren gretig uit allerlei onderzoeken. Zo ontvangen de allochtonen 40 procent van alle bijstandsuitkeringen terwijl ze maar 8 procent van de bevolking vormen. Allochtonen zijn oververtegenwoordigd in gevangenissen. En vooral Marokkaanse, Antilliaanse en Surinaamse jongens vertonen een crimineel gedrag. De redenen liggen volgens de auteurs voor de hand. Die jongeren spreken nauwelijks de taal, zijn slecht opgeleid en daardoor kansloos op de arbeidsmarkt. Maar ook de geringe pakkans, de milde bestraffing en het gedoogbeleid van de overheid ten aanzien van softdrugs spelen hierbij een grote rol.

Toch breken de auteurs een lans voor het toelaten van meer migranten tot Nederland. De daling van het geboortecijfer en de toename van de levensverwachting leiden ertoe dat een steeds kleinere groep van actieven moet zorgen voor een steeds grotere groep inactieven. De enige oplossing voor dit probleem bestaat in massale immigratie van mensen die hier de jobs komen doen die de doorsnee Nederlanders niet langer willen doen. Vanuit politiek diverse hoeken wordt gesuggereerd dat dit ten koste zal gaan van de eigen werklozen, maar daar geloven de auteurs niets van. ‘De gedachte dat de meeste, zo niet alle uitkeringstrekkers in Nederland staan te trappelen om aan de slag te gaan (…) is een illusie’. Het gaat niet alleen om vuilnismensen, schoonmakers en verzorgers van bejaarden en dementen, maar ook om vakmensen zoals schilders, loodgieters en timmermannen. Tal van hen werken momenteel in de illegaliteit, gewoon omdat de Nederlanders er niet aan denken om dergelijke klussen officieel te laten uitvoeren. De mythe dat nieuwkomers op die manier het werk afpakken van ‘eigen’ mensen is dus vals. Het is alvast een sterk argument tegen de ‘Eigen Volk Eerst’ gedachte van het Vlaams Belang die deze mythe in stand trachten te houden.

Meer nog, volgens de auteurs bewijzen ook illegale immigranten de Nederlandse economie een dienst. En dat geldt ook voor hun bedrijvigheden in andere Europese lidstaten. Zo zou de tuinbouw in Spanje en de wegenbouw in Frankrijk onmogelijk zijn zonder de inzet van immigranten. Net een scherpere controle op illegale arbeid zou dodelijk zijn voor tal van kleine en middelgrote bedrijven. Maar waarom nemen Nederlandse bedrijven dan geen eigen werklozen in dienst? Ook hierop geven de auteurs een politiek incorrect maar waarschijnlijk eerlijk antwoord. Omdat de ‘eigen’ werklozen weigeren het vuile werk van de vreemdelingen te doen. Uit onderzoek blijkt dat van de 1,5 miljoen uitkeringsgerechtigden nauwelijks 275.000 plaatsbaar zijn op de arbeidsmarkt. Migranten nemen dus niet de plaats in van de eigen werklozen, maar zorgen ervoor dat de economie verder draait.

Een veel gehoord argument tegen immigratie is dat het schadelijk zou zijn voor de landen van herkomst. De beruchte ‘braindrain’ zou arme landen arm houden. Ook dit argument klopt niet. De transfers van gelden van immigranten naar hun familieleden bedraagt officieel 60 miljard dollar (in werkelijkheid is het veel meer) en dat is een veelvoud van al de officiële ontwikkelingshulp van Noord naar Zuid. Dit geld komt - in tegenstelling tot heel wat ontwikkelingsgeld - niet terecht bij corrupte leiders maar bij de mensen zelf die er duurzame producten en machines voor kopen die henzelf en hun gemeenschap tot voordeel strekken. Het beste voorbeeld is India dat zijn studenten aanzet om te emigreren. Ze zorgen niet alleen voor een enorme terugstroom van gelden, maar tevens voor nieuwe werkgelegenheid in eigen land. In tegenstelling tot tal van andere landen beschouwt India zijn emigranten niet als ‘volksverraders’ maar als de beste ambassadeurs voor hun land. India beseft dat hun uitgeweken landgenoten niet alleen geld terugsturen maar ook expertise. Vaardigheden die nadien van grote waarde zijn voor de ontwikkeling van het land van herkomst.

De toestroom van migranten is één van de meest gevoelige politieke onderwerpen in Europa. Steeds meer lidstaten pogen via een strengere grenscontrole en asielprocedure de stroom in te dijken. Het is een hopeloze strijd. Zolang mensen in erbarmelijke omstandigheden leven zonder enig perspectief zullen ze blijven komen. En dan vooral de meest getalenteerden uit de betrokken landen van herkomst. Vaak spaart een gans dorp of gemeenschap om haar meest belovende jongeren in Europa te krijgen teneinde later geld te ontvangen. Het leidt tot een vicieuze cirkel. Zolang er grote verschillen bestaan tussen de westerse inkomens en die van Latijns-Amerika, Afrika en Azië zullen mensen hun kans wagen om naar hier te komen. De enige duurzame oplossing is dan ook een verdere spreiding van de welvaart door het stopzetten van alle vormen van protectionisme van de rijke landen zoals de Europese landbouwsubsidies (die een grote beperking betekenen voor de ontwikkeling van de boeren in het Zuiden), het daadwerkelijk openstellen van de Europese markten voor producten uit de derde wereld en het ondersteunen van de basisinfrastructuur, het rechtssysteem, het onderwijs en de gezondheidszorg in arme landen. Pas als mensen in arme landen uitzicht hebben op beterschap zullen ze niet langer om economische redenen op de vlucht slaan naar het Westen.

Emmer en Wansink kiezen duidelijk voor een arbeidsmigratie waarbij alleen diegenen die een bijdrage kunnen leveren aan de economie van het ontvangende land legaal kunnen binnenkomen. Daarbij kijken ze vooral naar de Oost-Europese arbeiders en vakmensen. Ze vinden dat de Nederlandse overheid een grote fout heeft gemaakt door aan de immigratie van Oost-Europeanen een maximum te verbinden en te eisen dat hun intrede niet één Nederlander werkloos zou maken. ‘Daardoor hebben we een kans gemist om de beste Oost-Europese immigranten aan Nederland te binden’, zo schrijven ze. Landen als de VS, Canada en zelfs Duitsland hebben de macro-economische voordelen van dergelijke migratie wel al ingezien en hanteren systemen waarin bepaalde criteria voor legale intrede worden toegepast. Daarnaast wijzen de auteurs op een ander manco in het Nederlandse systeem: de onderwaardering van het praktijkonderwijs dat beschouwd wordt als een vergaarbak van mislukkelingen. In Duitsland wordt die leerweg gestimuleerd en volgen tal van jongeren de zogenaamde Volksschulen waar ze een ‘vak’ leren waarmee ze vlot tot de arbeidsmarkt kunnen toetreden.

‘Migratie gaat door, of we nu willen of niet’, aldus Emmer en Wansink, en dat klopt. De illusie van sommige politici dat we de grenzen van Europa hermetisch kunnen afgrendelen, is vals. Meer nog, we zullen in de toekomst veel meer migranten nodig hebben. Zij hoeven geen last te zijn voor een land maar kunnen juist zorgen voor nieuwe ideeën, meer creativiteit, meer productiviteit, meer consumptie en uiteindelijk ook voor een grotere markt. Het moeten echter wel migranten zijn die bereid zijn de handen uit de mouwen te steken en geen mensen die rechtstreeks in de bijstand terecht komen omdat ze door een gebrek aan vaardigheden en taalkennis geen kans maken op de arbeidsmarkt. Met hun boek plaatsen de auteurs alle verantwoordelijken voor de keuze of we ‘een gesloten, vergrijsde renteniersmaatschappij’ worden zonder nieuwkomers of ‘een dynamisch, zich verjongend land met immigranten’. In feite hebben we geen keuze. Willen we onze welvaart verzekeren dan moeten we de migratiestop opheffen en arbeidsmigratie in plaats van asielmigratie aanmoedigen. Tegelijk moeten we echter ook de fundamentele oorzaken van de asielmigratie aanpakken, namelijk het gebrek aan perspectief in de arme landen. Het opheffen van de nefaste protectionistische economische politiek van de rijke landen is daarbij van essentieel belang.


Recensie door Dirk Verhofstadt

Piet Emmer en Hans Wansink, Wegsturen of binnenlaten?, Arbeiderspers, 2005

Links
mailto:verhofstadt.dirk@pandora.be
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be