De begraafplaats van Praag

boek vrijdag 18 februari 2011

Umberto Eco

In 1905 verscheen in Rusland het ultieme bewijs dat er van Joden niets goeds te verwachten viel. De protocollen van de wijzen van Zion heette het pamflet en het was zogezegd het verslag van een bijeenkomst van Joodse leiders uit 1897 waarop vastgelegd was hoe de macht van de Christenen tenietgedaan en de wereldwijde Joodse heerschappij ingevoerd kon worden. Het plan was eenvoudig: het overnemen van spoorwegen, mijnen, bosbouw, grootgrondbezit en belastinginning, het infiltreren in de rechterlijke macht, de advocatuur en het openbaar onderwijs en doorslaggevend worden in filosofie, kunst en wetenschap, om de politiek niet te vergeten natuurlijk. Om hun ideeën te verspreiden zouden de Joden de pers in handen moeten krijgen, Christelijke godsdienst weren op school en het vrije denken propageren. Kijk om je heen, zeiden de Protocollen, en je zult zien dat ze al een heel eind gevorderd zijn.

In Umberto Eco’s nieuwste roman, De begraafplaats van Praag, staan die Protocollen centraal. Meer zelfs, hij voert er de auteur van dat schandelijk stukje haatproza in op. De man in kwestie is Simone Simonini, genoemd naar Simon van Trente, de martelaar die als kind door Joden werd geroofd en vermoord, waarna ze zijn lijk in stukken sneden en zijn bloed gebruikten voor religieuze riten. Met zo’n naam kun je natuurlijk niet anders worden dan een Jodenhater, al heeft hij voor de rest van de mensheid amper betere gedachten in petto. Duitsers vindt hij bijvoorbeeld beneden alles. De gemiddelde Duitser produceert twee keer zoveel feces dan andere mensen, weet hij, en dat is een duidelijk bewijs van een hyperactiviteit van de darmen die ten koste gaat van die van de hersenen. En bovendien stinkt hun zweet verschrikkelijk.

Hun grote probleem is hun taal, die hen niet in staat stelt iets duidelijk te benoemen waardoor ze eeuwig zwijmelen en dat verwarren met het uiten van diepzinnigheid. Nee, geef hem dan maar de Fransen, ook al zijn dat hoogmoedige, onwetende en gierige figuren die met het uitvinden van de guillotine bewezen hebben dat zij de enige natie vormen die zich jarenlang bezig heeft gehouden met het afhakken van de hoofden van de eigen burgers. En toch is dat de nationaliteit die Simonini uiteindelijk aangenomen heeft, omdat hij de Italiaanse die hij bij zijn geboorte had helemaal niet de doen vond. Italianen zijn immers onbetrouwbaar, leugenachtig en achterbaks, en als we er even bij stilstaan, merken we dat Simonini daar zelf het duidelijkste voorbeeld van is.

Opgevoed door zijn reactionaire grootvader omdat zijn vader vocht in het leger van Garibaldi - wat opa trouwens verfoeide - kreeg hij de Jodenhaat met de paplepel naar binnen, en eens volwassen ging hij in de leer bij een malafide notaris die uitblonk in het vervalsen van akten en Simonini de kneepjes van het vak bijbracht. Zo goed dat zijn leerling hem na een paar jaar zijn zaak ontfutselde. Gedreven door de politiek - en vooral door de macht en het geld die daarmee gepaard gingen - wou Simonini echter meer dan zomaar om het even wat vervalsen, en zo kwam hij in de spionage terecht, wat hem een rol gaf in het ondermijnen van de opmars van Garibaldi, de Frans-Duitse oorlog en zelfs de Dreyfus-affaire.

U merkt het al, Simonini is niet alleen een bijzonder grappig personage waarmee Eco enthousiast aan de haal gaat, hij is ook een man die van op de zijlijn de wereldgeschiedenis bepaalt en in die zin lijkt hij veel op Baudolino, het hoofdpersonage uit Eco’s gelijknamige roman van elf jaar geleden. Ook die was een onopvallende machtswellusteling in wiens buurt je maar beter niet kon verkeren als je een respectabele leeftijd wou bereiken. In het riool onder Simonini’s huis liggen er op het einde van de roman vier lijken, en bijhouden hoeveel hij er op een andere manier heeft laten verdwijnen is ons niet gelukt.

Maar De Begraafplaats van Praag is meer dan Baudolino in de negentiende eeuw. Daarvoor vertoont de roman te veel thematische gelijkenissen met De slinger van Foucault, het boek dat stijf stond van de esoterische genootschappen die ook in de geschiedenis van de Protocollen een grote rol hebben gespeeld. In het nawoord van zijn roman wijst Eco erop dat alle personages met uitzondering van Simonini echt hebben bestaan, en wie even de boeken – of het internet – induikt, zal inderdaad vernemen dat de Protocollen veel van doen hebben met de Tempeliers die vrijmetselaars werden en zich voor de kar lieten spannen van de Illuminati van Beieren, zoals dit door Abt Barruel is beschreven.

Maar Eco zou Eco niet zijn als hij niet meer zou doen dan de geschiedenis netjes navertellen – al zijn er een paar hoofdstukken die zich daartoe lijken te beperken, wat het lezen soms stroef doet verlopen. Nee, hij geeft een kolossale draai aan het verhaal door ene dokter Froïd op te voeren, een Weense zenuwarts – “niets erger dan een Duitse Jood, en zeg nu niet dat het een Oostenrijker is, want dat is hetzelfde” – die in Parijs op bezoek is bij zijn collega Charcot en in Chez Magny aan een tafeltje naast dat van Simonini komt te zitten. De twee raken aan de praat en de Italiaan slaagt er zelfs in Froïds cocaïnedealer te worden, maar wat van doorslaggevend belang is voor Eco’s roman is dat Simonini het nut van een analyse uitgelegd krijgt, wat hij zich later, wanneer hij denkt een gespleten persoonlijkheid te hebben en ook abt Dalla Piccola te zijn, opnieuw herinnert.

Ergens moet er iets fout gelopen zijn, beseft de auteur van de Protocollen, en hij besluit alles wat hij zich herinnert op te schrijven, tot hij bij het traumatische voorval zal komen wat zijn persoonlijkheid ondermijnd heeft. En dat is dan Eco’s roman: één lange, succesvol afgesloten zelfanalyse die ons ook heel wat bijleert over onze eigen complotgeile psyche die ons aanzet tot fabuleren over de moord op JFK en leidt tot het succes van allerlei pulpblaadjes.


Recensie door Marnix Verplancke

Deze tekst verscheen eerst in 'Uitgelezen', de boekenbijlage van De Morgen.

Umberto Eco is de hoofdspreker op het boekenfestival ‘Mind the Book’, op zondag 6 maart om 20 uur in deSingel, Desguinlei 25 te Antwerpen. Inkomticket 10 euro.


Umberto Eco, De begraafplaats van Praag, vertaald door Yond Boeke en Patty Krone, Prometheus, 2010, 496 p., 19,95 euro.

Links
mailto:marnixverplancke@skynet.be
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be