Fatsoenlijk eten

boek vrijdag 07 december 2012

Karen Duve

Ik was op een groot internationaal congres over duurzaamheid in Bazel, waar ik om mijn ecologische voetafdruk niet onnodig te vergroten met de trein naar was afgereisd. Er waren zo’n 200 specialisten over duurzaamheid uit de hele wereld. Op een avond was er het conferentiediner in het fraaie restaurant. Tot mijn verbazing waren er slechts een handjevol vegetariërs en ik bleek de enige veganist. De vegetariërs dienden zich aan de obers kenbaar te maken en kregen een kaartje met ‘vegetarisch’ boven hun bord. Ik kreeg een kaartje met ‘spezial’. Ook kwam de manager bij me om te vragen wat ik dan niet wilde eten: Geen vis? Geen ei? Geen kaas? ‘Niks van dieren’, antwoordde ik. Ik kreeg een kale salade, als hoofdgerecht risotto rijst met wat groenten en als dessert een schaaltje met vruchten. Niet echt haute cuisine.

Dit roept veel vragen op: waarom denken koks vanuit de dode dieren en dierlijke producten? En, hoe kan het dat al deze academici gespecialiseerd in duurzaamheid hun eigen gedrag niet of nauwelijks aangepast hebben, in ieder geval niet zover dat ze veganist zijn, terwijl veeteelt en met name intensieve veehouderij een zeer grote druk op het milieu legt? Daarnaast is er het dierenleed en het doden van dieren. Op de conferentie had ik geïnteresseerd geluisterd naar voordrachten over behavioral change, over hoe duurzaamheid in de praktijk te verwerkelijken. Maar het blijkt academisch gebazel. Ik vind het frustrerend. Verbijsterend. Ik voel machteloze woede, zoals in Rushies boek Woede. En walging zoals in Sartres boek. Bij Sartre gaat het om existentiële walging; wat ik voel is morele walging. Maar dat is niet fatsoenlijk om te zeggen. Ik word geacht te doen alsof het normaal is, of het helemaal niet moreel verwerpelijk is.

Het is alsof het zou gaan over een congres over mensenrechten in een land als Syrië en dan niks zeggen of vragen, maar je lekker laten fêteren door de dictator. Alsof het wel fatsoenlijk is om dieren te laten martelen en doden en ook nog eens toekomstige generaties en het milieu daarmee schade te doen. Ik weet dat het zinloos is om te fulmineren. Ik doe het toch. Ik ben ook maar een mens. Als filosoof ben ik op zoek naar waarheid en het goede. Als het blijkt dat ik het verkeerd heb - dus dat a) het niet erg is dat dieren onnodig leed wordt aangedaan, b) dieren helemaal niet lijden of kunnen lijden en c) er geen grote milieu impact is van de veehouderij - dan ben ik bereid om door het stof te gaan. Maar de sociale normen van fatsoen dekken een afschuwelijke gruwelijke wrede waarheid toe. De sociale normen van fatsoen maken het onmogelijk om de harde werkelijke uit te spreken. Ook ik houd me over het algemeen aan de sociale normen van fatsoen en spreek mij niet uit over het eten. Nog een ding over het conferentiediner: ik vond het ergerlijk dat ik mij bekend moet maken als veganist met een bordje ‘spezial’. Ik vind dat de mensen die zo nodig dode dieren willen daar ook ronduit voor uit moeten komen.

Dat iedereen zijn vinger op moet steken die dode dieren wil! Tijdens het congres was ik de enige die de intensieve veehouderij überhaupt ter sprake bracht! Een groot deel van het academische discours over duurzaamheid is een farce. Een doekje voor het bloeden. Sinds het Club van Rome Rapport, The Limits to Growth (1972) of, twintig jaar later, sinds Rio 1992 zijn de milieuproblemen alleen maar groter geworden, inclusief de wereldwijde veehouderij. Ook de academische onderzoekers over duurzaamheid dragen daar vrolijk aan bij met hun grote ecologische voetafdruk die vlees, zuivel en wereldwijd vliegen omvat. Mijn tirades helpen niet om veel mensen te overtuigen en tot gedragsverandering te brengen. Wellicht zijn er andere strategieën. Er zijn inspirerende boeken die mensen tot nadenken zetten over voeding en hoe wij ons tot dieren verhouden. Voorbeelden daarvan zijn Eating Animals van de Amerikaan Jonathan Safran Foer, The Way We Eat: Why Our Food Choices Matter van Peter Singer en Jim Mason en Fatsoenlijk eten van de Duitse schrijfster Karen Duve. Over dat laatste boek zal ik nu schrijven.

‘Op de dag waarop ik besloot een beter mens te worden, stond ik ’s ochtends in een supermarkt en hield een platte doos met het opschrift “gebraden kip” in mijn hand.’ Zo begint Duitse schrijfster Karen Duve haar boek Fatsoenlijk eten. Mijn leven als proefkonijn waarin ze verslag doet van haar ervaringen met vier morele diëten. Ze besluit steeds twee maanden lang een ander moreel dieet te proberen en daar verslag van te leggen, van alleen biologische producten eten, naar vegetarisch, veganistisch tot uiteindelijk fruitarisch eten. Het is haar vriendin Kerstin, die ze Japie noemt (naar Japie Krekel die het geweten van Pinoccio is), die de oorzaak is van Duves eet-experiment. Japie spreekt Karen namelijk aan als zij in de supermarkt staat met die doos gebraden kip in haar hand: ‘Hoe kun je nou zulk martelvlees kopen? Je weet toch wel wat voor leven die kippen hebben gehad?’

Duve woont met een hond, muildier, een ezel en kippen op een boerderij bij Brandenburg, Berlijn. Ze schrijft dat iedereen haar als een grote dierenvriend beschouwt, omdat ze bijvoorbeeld voor haar hond Bulli kosten nog moeite spaart voor medische zorg, inclusief chemotherapie. Door haar vriendin Japie merkt Duve haar eigen morele blinde vlekken op, namelijk dat ze door haar consumptie deel uitmaakt van een immense dierenindustrie die niet diervriendelijk is en bovendien een zeer grote impact heeft op het milieu. Duve vraagt zichzelf af waarom ze niet handelde naar de kennis die zij had. Immers, ze was al sinds haar jeugd op de hoogde van het geïndustrialiseerde dierenleed (Bio-industrie betekent dierenkwellerij ten behoeve van maximaal geldelijk profijt). Maar toch had het geen invloed op haar handelen:

“En als ik op televisie of in een tijdschrift afschuwelijke foto’s van melkveehouderijen zag, besefte ik heel goed dat het niet om misdaden van een paar criminelen en gewetenloze sadisten ging die de wet op de bescherming van dieren overtraden, maar om heel gewone handelingen van nette burgers die binnen wettelijke grenzen hun winsten maximaliseerden. Dat maakt het ook zo verschrikkelijk: dat wreedheid niet als wreedheid wordt bestraft, maar gewoon binnen de normen valt. […] In een beschaafd land zou je erop moeten kunnen vertrouwen dat de controle op de wijze van produceren al gedaan is voordat het vlees in de supermarkt belandt.”

Kennis leidt dus lang niet altijd tot gedragsverandering. Mensen zijn blijkbaar in staat om te leven met een grote mate van morele en cognitieve dissonantie. Een grote tekortkoming van samenlevingen is dat wat moreel goed is niet samenvalt met dat wat juridisch wordt getolereerd. Industriële veeteelt is legaal, maar niet moreel. De argumenten daarvoor zijn wijdverbreid. Toch dammen de meeste mensen hun eigen handelen niet in tot het moreel goede. Sommige mensen wel, maar slechts een kleine minderheid. ‘Om de een of andere manier komt bijna niemand op het voor de hand liggende idee zelf de verantwoordelijkheid te nemen en gewoon geen vlees meer te eten.’ Duve maakt een treffende vergelijking met kinderarbeid: ‘Kinderarbeid is in dit land ook verboden, daarbij zeg je tenslotte ook niet dat de consument het zelf maar moet uitmaken. Het kan in een modern land toch niet de bedoeling zijn dat een groot deel van de dieren wordt gemarteld’. Idealiter zou de overheid het mishandelen, martelen van dieren moeten verbieden en uitbannen, niet alleen in het eigen land, maar ook de invoer van dergelijke producten moeten verbieden en daarenboven moeten lobbyen voor andere landen om dat ook te doen – analoog aan het mensenrechtenbeleid dus. In een non-ideale wereld ligt de morele verantwoordelijkheid geheel op de schouders van de consument, of beter gezegd: het is de vork van de consument die kiest.

Maar er is geen staat in de wereld die me van de verantwoordelijkheid ontslaat zelf te beslissen over wat goed en wat slecht is. Mensen zoals ik, die heel goed begrijpen wat er mis is, die de gruwelen wel hebben gezien maar hun kop in het zand steken, doen gedachteloos en zichzelf een rad voor ogen draaiend boodschappen zoals ze altijd hebben gedaan en houden daarmee de intensieve veehouderij en de legbatterijen in stand. Duve analyseert bij zichzelf vier redenen waarom ze al die jaren vlees is blijven eten terwijl zij wel kennis had van het leed van de dieren in de intensieve veehouderij: 1) gewoonte, 2) iedereen doet het, 3) het leed is uit het zicht, en 4) vlees is lekker. Als reden voor de uitbuiting van dieren door mensen noemt Duve: de wreedheid, grofheid en gemeenheid waaraan mensen zoals ik zich iedere dag schuldig maken, zijn het gevolg van een biologisch principe dat we met alle andere soorten op deze planeet gemeen hebben: egoïsme. We willen voor onszelf het beste – als het moet ten koste van anderen.

Duves boek is een mooi voorbeeld van existentiële literatuur. Zij reflecteert over hoe zij moreel in het leven staat en of haar eigen levensstijl morele analyse kan doorstaan. Die persoonlijke ontdekkingstocht gelardeerd met onderzoeksresultaten leiden tot een mooi boek. Het scheelt dat Duve een mooie, directe, schrijfstijl heeft: ‘Van alle onthutsende ontdekkingen die je in de loop van je leven doet […] was deze ontdekking het ergste: dat achter de lichte, vriendelijke wereld van supermarkten en apotheken een onbarmhartige, beangstigende leedfabriek verborgen zit, een hel waarin dieren de gekwelde zielen zijn en mensen de duivels door wie ze worden gefolterd.’ Doordat Duve zich steeds meer verdiept in de uitbuiting van dieren door mensen, is de overstap naar veganisme niet meer dan logisch, maar wel een stuk moeilijker. Dierlijke producten zitten in tal van producten verwerkt, van leren schoenen tot donzen dekbedden. ‘Als ik leren schoenen draag, zeg ik daarmee dat ik dieren doden acceptabel vind. Het getuigt van een houding die van een dier een voorwerp maakt – het is te koop, je kunt het uitbuiten en je hoeft er geen medelijden mee te hebben. Bij die houding plaats een veganist vraagtekens.’ Door haar eigen morele speurtocht loopt ze aan tegen de morele onverschilligheid van het merendeel der mensen, inclusief familie en vrienden:

Hoe kan het dat zoveel op zich aardige en intelligente mensen zo weinig bereidheid tonen de grote samenhang te zien als het hun vleesconsumptie betreft? Waarom denken mensen die de wereld verder heel kritisch en genuanceerd bekijken dat het goed is om uitgerekend bij zoiets existentieels als eten de overtuigingen en gewoontes van hun ouders over te nemen zonder die eerst aan een kritisch onderzoek te onderwerpen? Sommigen lijken er zelfs trots op te zijn dat ze vlees eten. Alsof kritiekloos boodschappen doen en gedachteloos consumeren een prestatie is. Als een schandaal de normaalste zaak van de wereld is, is het verleidelijk te denken dat je om die reden geen aandacht aan hoeft te schenken. Maar feitelijk komt het erop neer dat ons dagelijks leven een schandaal is en dat er iets fundamenteels fout is aan de manier waarop we leven.

Veganisme heeft sociale consequenties. Het is een levensstijl die zover af staat van de sociale standaard dat het kan leiden tot sociale vervreemding. Ik moet zeggen dat het mij alles meevalt. Ik maak zelfs nieuwe vrienden, en ik ben niet verder van mijn familie, vrienden en collega’s vervreemd dan ik al was. De sociale media (zoals Facebook) geven mogelijkheden tot het ontmoeten van gelijkgestemden, en veel van mijn virtuele vrienden zijn dan ook veganistische milieu- en mensenrechten- en dieractivisten. Duve schrijft hierover: ‘In de ogen van mijn familie is veganisme geen dringende noodzakelijke manier van leven om milieurampen te voorkomen en wreedheid tegen te gaan, maar mijn persoonlijke betreurenswaardige probleem.’ Over haar eigen ervaring met veganisme schrijft zij: ‘[…] ik ervaar het als bevrijding uit het moeras van uitbuiting, verwoesting, onrecht en wreedheid waar ik mijn leven lang in vastzit. […] Het automatisme van mishandelen en doden gaat weliswaar gewoon door, maar gelukkig niet meer voor mij.’

Duve komt ook met een filosofische fundering voor haar pleidooi om te leven zonder dieren onnodig te schaden: ‘Er bestaat ook een eenvoudige lakmoesproef als je niet zeker weet of het in orde is om dieren iets bepaalds aan te doen: je hoeft je alleen maar af te vragen of je het oké zou vinden als mensen op dezelfde manier behandeld zouden worden.’ Dit komt overeen met de theorie van universeel subjectivisme zoals ik die heb uiteengezet in mijn boeken Filosofie voor een betere wereld (2009) en Harming Others. Universal Subjectivism and the Expanding Moral Circle (2011). Als ik mijzelf verplaats in de positie van een varken, zou ik het dan erg vinden om, zonder verdoving, van mijn krulstaart ontdaan te worden met een heet ijzer?, om maar een voorbeeld te noemen.

Na haar twee maanden veganistische voeding, gaat Duve nog een stap verder, namelijk naar een fruitarisch dieet. Dit gaat uit van de opvatting dat levende wezens geen schade moet worden aangedaan. Alleen fruit en zaden die kunnen worden geoogst zonder dat de plant doodgaat mogen worden gegeten. De vraag is waarom het slecht zou zijn als planten sterven om te worden opgegeten. Hier komt de fundamentele ethische vraag op tot hoever de cirkel van de moraal reikt. Ik ben geneigd, met Peter Singer, om in de traditie van Jeremy Bentham de grens te trekken bij het vermogen tot lijden: alleen wezens die kunnen lijden hebben morele status. Dit wordt sentientisme genoemd. Het vermogen tot lijden kan op een schaal geplaatst worden. Volgens de meeste biologen kunnen planten niet lijden, want er ontbreekt een centraal zenuwstelsel.

Wel kunnen ze reageren op prikkels. Insecten scoren al wat hoger op deze schaal, ongewervelde dieren vrij laag, maar de meeste gewervelde dieren hoog. Honden, katten, koeien, varkens, kippen, mensen, nertsen, kalkoenen: allemaal hebben ze een centraal zenuwstelsel dat hen in staat stelt pijn te voelen. Daarmee hebben ze, volgens Singer, morele status. En planten niet – totdat biologen aantonen dat (sommige) planten wel kunnen lijden. Als dat zo is, dan word ik fruitarier. Tot nu toe voel ik geen morele wroeging wanneer ik een aardappel opeet, waarmee ik de plant dus verwoest. Opvallend is dat Duve vertelt dat het fruitarisch dieet haar energiek maakt; ze gaat zelfs hardlopen, iets wat ze nooit deed. Ook een voordeel van fruitarisch eten is dat je er niet voor hoeft te koken. Nadeel is dat veel fruit wordt geïmporteerd, waarmee de ecologische voetafdruk wordt vergroot.

Wie de morele cirkel uitdijt tot alle levende wezens zal de morele consequentie moeten volgen en fruitarier moeten worden. Ik vertrouw toch maar op de biologische wetenschap dat planten niet kunnen lijden en blijf (voorlopig) veganist en probeer lokaal en biologische te eten. Dat eten uit de regio vind ik moeilijk. Het lezen van het boek van Karen Duve drukt mij weer eens met de neus op de feiten en ik zie dat het beter kan. Voor mij geldt: meer lokale producten eten en verse seizoensgroenten, liefst niet verpakt in grote hoeveelheden plastic (zoals het zomerfruit bij de AH!). Duve probeert, in lijn met het biocentrisme, het gebruik van hout (waarvoor bomen geveld zijn), zoveel mogelijk te beperken.

Fascinerend vond ik de verslagen van haar deelname aan nachtelijke dierenbevrijdingsacties van kippen! Met dierenactivisten bezoekt ze enkele keren ’s nachts illegaal kippenboerderijen, als officieuze inspectie over hoe het er met het dierenwelzijn is gesteld. Er worden dan foto’s en video’s gemaakt die openbaar worden gemaakt. In Nederland bestaat iets dergelijks, op de website www.ongehoord.nl staat fotomateriaal van dierenstallen, met naam en adres van de betreffende boer. Wat shockerend is dat ook bij biologische kippenboerderijen het dierenwelzijn verre van optimaal is. Het is er beter dan bij de legbatterijen, maar nog steeds niet ideaal. Loslopende scharrelkippen pikken elkaar kaal, zelfs als hun snavel is afgebrand – er zijn gewoon teveel soortgenoten om een natuurlijk pikorde te kunnen vormen. De dierenactivisten nemen dan een paar exemplaren mee die zij een betere leven geven. Het is een symbolische actie. Maar een goede actie. Het belangrijkst is dat het grote publiek met eigen ogen kan zien wat er in de veeteelt gebeurt.

In een filosofische cultuuranalyse aan het eind van haar boek merkt Duve op: ‘Qua intelligentie zijn primaten niet in staat te begrijpen dat we een punt hebben bereikt waarop economische groei alleen nog op zeer korte termijn voor meer welvaart zorgt, maar op de lange termijn tot een grotere opwarming van de aarde en de daarmee verbonden kosten leidt – onvoorstelbaar hoge kosten, die uiteindelijk door ons allemaal moeten worden gedragen. […] Intelligentie zonder bijbehorende sociale en ecologische competentie is als evolutiemodel niet erg geslaagd.’ Het boek gaat om de conclusie. Welke morele gefundeerde life style change maakt Duve op basis van haar proefkonijnperiode? Ze schrijft terecht dat het zelf ervaren iets heel anders is dan erover horen of lezen. Iedereen kent het gevoel wanneer iemand enthousiast over haar vakantie begint te vertellen – dat is iets heel anders dan het zelf meemaken: ‘[…] helaas is het iets heel anders om een weg te bewandelen dan hem alleen maar te kennen.’ Dit zijn de vijf morele richtlijnen die Duve zich stelt na haar jaar van moreel diëten:

1. ‘Als het mogelijk is, doe ik mijn boodschappen alleen nog in natuurwinkels. 2. Ik eet geen vlees meer afkomstig uit de bio-industrie. 3. Ik zal hoogstens nog 10 procent eten van wat ik vroeger aan vlees, vis en zuivelproducten heb geconsumeerd. 4. Ik koop geen leren spullen meer en geen producten waarin dons is verwerkt. 5. Ik ga consuminderen. En als ik het doe, koop ik bij voorkeur tweedehands spullen. Bovendien zal ik gedurende het komende jaar iedere dag afstand doen van een voorwerp in mijn bezit.’

Haar tweede en derde richtlijnen is wat mij het meest verbaasd. Ze heeft zich dus niet ‘bekeerd’ tot veganisme. Toch schrijft ze in haar toelichting over deze zelf opgelegde leefregel: ‘Eens moet het afgelopen zijn. Het is onacceptabel dat dieren in zeer wrede omstandigheden worden gehouden en op gruwelijke wijze worden gedood met als doel dat ik voor weinig geld worst en vlees kan eten. Een misdaad blijft ook een misdaad als iedereen hem begaat. […] En dat ik tot dusverre geen goede argumenten voor het eten van vlees heb kunnen bedenken, komt waarschijnlijk doordat die argumenten er niet zijn. Melk van gelukkige koeien is eveneens moeilijk voorstelbaar. Melk maakt koeien nu eenmaal niet gelukkig als je de kalveren van ze afpakt.’ Bovenstaande argumenten lijken mij een pleidooi voor veganisme. Ze zegt het ook zelf: ‘Een ethisch consequente houding begint pas bij het veganisme.’ Maar dan volgt er een vreemde hersenkronkel van Duve, namelijk dat wat zoveel weldenkende mensen (impliciet) zeggen: ‘Ik vrees dat ik dat [veganisme] niet kan.’ Toch lijkt het wel mee te vallen met de dierconsumptie van Duve, ze schrijft even verder: ‘[ik verwacht] mijn vleesconsumptie nagenoeg op nul procent zal kunnen houden, terwijl ik wat zuivelproducten betreft waarschijnlijk in de buurt van 10 procent kom. Melk zit namelijk is verdomd veel producten.’ Wellicht had Duve beter kunnen schrijven dat ze er naar streeft om veganistische te leven, ze schrijft dan ook: ‘Ik zal niet consequent zijn, maar wel waakzaam.’ Duve heeft een fraaie conclusie aan het eind van haar boek:

Vrijheid betekent niet alleen doen wat je wilt, maar ook weten wat je doet, vrijheid betekent overtuigingen hebben en daarnaar handelen. Anders blijft alleen onwetendheid over, een toestand waarin we ons opwinden over onbelangrijke zaken en in alle gemoedsrust dingen accepteren die gruwelijk zijn.


Recensie door Floris van den Berg

Dr. Floris van den Berg is als milieufilosoof verbonden aan de Universiteit Utrecht. Hij is auteur van o.a. ‘Filosofie voor een betere wereld’. Hij streeft ernaar te leven als veganist.

Karen Duve, Fatsoenlijk eten. Mijn leven als proefkonijn, Cossee, 2012

Links
mailto:florisvandenberg@dds.nl
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be