Duizelingen

boek vrijdag 12 juni 2009

W.G. Sebald

Zowat het stomste wat je kunt doen als je een prachtig schilderij, beeld of zelfs landschap ziet en je dit in je herinneringen wil bewaren is er een foto van nemen of een postkaart kopen waar het op staat. Wanneer je later terugdenkt aan de schoonheid die je toen ervoer, zul je immers niet het origineel voor ogen krijgen, maar wel die foto of kaart. De realiteit zal voorgoed onbereikbaar zijn. Hoe onze geest het verleden vervormt of zelfs helemaal in zijn tegengestelde verandert is een van de grote thema’s uit de wereldliteratuur, maar geen boek gaat er zo diepgravend en direct op in als W.G. Sebalds Duizelingen, de vertaling van zijn uit 1990 daterende debuut Schwindel. Gefühle.

Zoals steeds bij Sebald is ook in dit boek niet helemaal duidelijk waar de feiten stoppen en waar de fictie begint. Het wordt gepresenteerd als een roman, maar er staan foto’s in van reële documenten, waaronder een paspoort van de schrijver zelf. In hoeverre is wat je leest echt gebeurd, vraag je je daardoor constant af, wat natuurlijk perfect aansluit bij het thema van het boek: in hoeverre is wat je je herinnert inderdaad echt gebeurd? Sebald geeft al op pagina tien een antwoord op die vraag: “In werkelijkheid is alles altijd heel anders”.

Duizelingen bestaat uit een centrale verhaallijn waarin de verteller in 1980 en nog een keer in1987 vanuit Norfolk via Wenen, Venetië, Verona en Milaan naar zijn Zuid-Duitse geboorteplaatsje W. reist, en vervolgens weer door naar Engeland. Daarnaast bevat het twee terzijdes. Een over Henri Beyle, een van Napoleons 36.000 rekruten die in 1800 met kannonnen, tenten, voedsel en wat een leger nog zoal nodig heeft de Sint-Bernhardpas overstaken om zo Italië te kunnen overrompelen. De toen nog zeventienjarige Henri beleefde in dat jaar niet allen zijn vuurdoop, maar hij ging ook voor het eerst naar de hoeren om er ontmaagd te worden, een ervaring die hem zo in extase bracht dat ze iedere herinnering te niet deed. Hoe de vrouw heette waar hij het toen mee aanlegde wist hij nadien niet meer, maar dat hij dolverliefd was op Angela Pietragrua, de maîtresse van een lelijke dragonder kon hij zich veertig jaar later herinneren als had hij haar de dag voordien nog gezien.

Een ander terzijde gaat over Kafka, die in 1913 - weggevlucht van een Weens congres over reddingsdiensten en hygiëne in de verzekeringswereld - Riva bezocht en daar in een watergeneeskundig kuuroord aan de praat raakte met een uiterst verleidelijk meisje, al even ziekelijk als hijzelf. De twee praatten over koetjes en kalfjes en ontdekten geleidelijk aan dat ze wonderwel met elkaar konden opschieten. Het gesprek raakte zelfs de liefde aan, zo schreef Kafka in zijn dagboeken, en samen kwamen ze tot het besluit dat het menselijk lichaam - en de seksuele liefde die het kan beleven - in feite te ver van de natuur was afgedreven om nog gelukkig te kunnen maken. Vandaar dat vrijende mensen hun ogen sluiten of ze integendeel uit begeerte wijd opensperren, of zoals Kafka schreef: “Nooit waren de mensen hulpelozer en irrationeler dan in die toestand”. Met het meisje oversteeg Kafka dit lichamelijk gewriemel en beleefde hij een lichaamsloze, natuurlijke liefde die het onderscheid tussen intimiteit en afstand wegnam. Omdat ze dit geestelijke geluk niet bedreigd wilden zien door hun wereldse toestand spraken ze zelfs af dat ze niets over elkaar mochten weten, zelfs niet hoe ze heetten, en daardoor zag Kafka zijn grote geliefde een paar weken later per schip over het Gardameer afreizen, beseffend dat hij haar nooit of te nimmer terug zou kunnen vinden.

Dat deze twee terzijdes niet los staan van elkaar is duidelijk en dat wordt het nog meer wanneer we beseffen dat Beyle na zijn Napoleontische tijd de geschiedenis is ingegaan als de schrijver van het uit 1820 daterende De l’amour, een boekje dat geïnspireerd werd door net zo’n liefde als die van Kafka, die de auteur had opgevat - en ook deze naam wist hij zich later te herinneren - voor ene Mme Gherardi.

Beyle zelf was trouwens niet vies van de lichamelijke liefde. Dat mag bijvoorbeeld blijken uit het feit dat hij aan syfilis stierf, en wel in de rue Casanova, en dat is dan weer een naam die ons bij de verteller van Duizelingen brengt, want wanneer hij in Venetië verblijft kan hij niet om het verhaal van Casanva’s ontsnapping uit zijn cel in het dogenpaleis heen natuurlijk, een verhaal dat hem weer bij een andere histoire brengt, of bij een schilderij, een kerk of een vage herinnering aan iets wat hij ooit gelezen of gezien heeft, en alles blijkt met alles verband te houden. In Duizelingen loop je samen met Sebald verloren in het artistieke verleden van Europa en hoe meer je ontdekt, hoe minder je met zekerheid blijkt te weten. Hoe toepasselijk, bedenkt hij, wanneer hij in Milaan een stadsplan koopt en merkt dat er op de kaft ervan een labyrint afgedrukt staat.

En ook voor het persoonlijk verleden van de verteller lijkt op zo’n labyrint. Eens in het plaatsje W., waar hij sinds zijn kindertijd niet meer is geweest, legt hij contact met een van de weinige mensen die hij er nog herkent, Lukas. Samen klimmen ze de trap op naar diens zolder, op zoek naar relieken uit een ver verleden. Voor de verteller is het trouwens de eerste keer dat hij op die zolder komt. Vroeger werd hij er door zijn ouders weggehouden met de bezwering dat er een jager huisde. Hij stelde zich daar altijd een woesteling bij voor die op Schlag leek, de lokale jager, met een woeste baard, lederen riemen om zijn borst en een vreselijk mes aan de zij.

In 1987 ontdekt hij echter dat het om een uniform van een Tirolse Jager gaat, een voorvader van Lukas die in 1800 in het Noorden van Italië gesneuveld is, wat ons natuurlijk weer bij Beyle brengt, en onrechtstreeks ook bij Kafka, want na de dood van Schlag ontdekte men dat hij een tatoeage van een schip op zijn arm had staan, een verwijzing naar de Dode Jager - een Duitse versie van de Vliegende Hollander - die net na het uitvaren van het ziekelijke meisje aanmeerde aan dezelfde kade. “Hoe meer beelden uit het verleden ik verzamel,” schrijft Sebald, “hoe onwaarschijnlijker ik het vind dat het verleden zich op die manier zou hebben afgespeeld, want niets ervan is normaal te noemen, het meeste is belachelijk, en als het niet belachelijk is, is het ontstellend”.


Recensie door Marnix Verplancke



Deze recensie verscheen eerst in ‘Uitgelezen’, de boekenbijlage van De Morgen.


W.G. Sebald, Duizelingen, oorspronkelijke titel: Schwindel. Gefühle, vertaald door Ria van Hengel, Amsterdam, De Bezige Bij, 2008, 208 p., €18,90.

Links
mailto:marnixverplancke@skynet.be
Share |

De Arabische Revolutie:

tussen droom en werkelijkheid

Op woensdag 5 april 20.00 uur

Afspraak in De Markten (Oude graanmarkt 5, 1000 Brussel) voor een avond met Koert Debeuf,

schrijver, columnist, directeur van het Tahrir Institute for Middle East Policy Europe en onderzoeker aan de Universiteit van Oxford.

Zijn recentste boek is "Inside the Arab Revolution. Three Years on the Front Line of the Arab Spring".

Koert zal gebaseerd op zijn persoonlijke ervaringen de Arabische Revolutie trachten te kaderen door parallellen te trekken met de Franse Revolutie en door een aantal inzichten te bieden in het Midden Oosten.

Uw aanmeldingsmail aan info@liberales.be geldt als inschrijving.

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be