Dossier K.

boek vrijdag 18 januari 2008

Imre Kertész

De man die het meest met Auschwitz wordt geïdentificeerd is Imre Kertész, de winnaar van de Nobelprijs voor Literatuur in 2002. Kertész is een Joods-Hongaarse schrijver, geboren in 1929 in Boedapest. Op veertienjarige leeftijd werd hij verplicht tewerkgesteld en moest hij meehelpen aan het herstellen van een door een bombardement getroffen raffinaderij. Als jood droeg hij een gele jodenster op zijn kledij, maar met een speciale pas waarin een stempel stond van de ‘commandant der bewapeningsindustrie’, kon hij met de bus van huis naar werk gaan en omgekeerd. Op een dag werd de bus tegengehouden en sommeerde een agent alle joden uit te stappen. Het pasje bleek van geen tel meer. Ze werden in een treinwagon gestopt en afgevoerd naar Auschwitz-Birkenau. Over zijn deportatie en kampleven schreef Kertész in 1975 zijn indrukwekkende boek Onbepaald door het lot. Maar ook in zijn andere werken zoals Het Fiasco, Kaddisj voor een ongeboren kind, Ik, de ander, Dagboek van een Galeislaaf, Liquidatie en De verbannen taal komen Auschwitz, het noodlot van de joden en de barbaarsheid van het totalitarisme voortdurend aan bod. In al zijn werken zitten tal van autobiografische gegevens, al geeft de auteur dat niet graag toe. Waarschijnlijk bedoelt hij dat hij weigert mee te stappen in de clichématige anekdotiek rond de Holocaust, een begrip dat hij grondig trouwens verafschuwt.

Die autobiografie is er nu wel. Dossier K. is de weerslag van interviews die de auteur had met zijn vriend Zoltán Hafner in de loop van 2003 en 2004. Kertész zelf noemt dit het enige boek dat hij eerder door een externe aanleiding dan door een innerlijke drang heeft geschreven, waarmee hij tegelijk aangeeft dat hijzelf de pen hield, zelfs in de vraagstelling. Het resultaat is een soort socratische dialoog vol diepzinnige, maar ook retorische vragen die de auteur toelaat datgene te zeggen wat hij in zijn literaire schrijfsels niet kwijt kon. Misschien wel de meest pregnante kwestie is die van het leven als overlevende van de kampen. ‘Het geheim van overleven is collaboratie’, zegt Kertész, want uiteindelijk hebben alleen de doden gelijk en getuigt iedere overlevende van een eenmalige bedrijfsstoring. Het is dát knagende besef dat ook Primo Levi kwelde en dat hij zo gruwelijk neerschreef in zijn boek De verdronkenen en de geredden. ‘Nu, jaren later, kan men wel zeggen dat de geschiedenis van de Lager bijna uitsluitend geschreven is door wie, zoals ik, de diepste diepten ervan niet heeft gepeild. Wie dat wel heeft gedaan, is niet teruggekomen, of was door zijn lijden en zijn onbegrip onmachtig om iets waar te nemen’. Hij heeft het over de ‘grijze laag’, de gevangenen met privileges – een minderheid in de kampen, maar een grote meerderheid onder de overlevenden.’ Primo Levi kon het niet uitstaan en pleegde, net zoals Jean Améry, uiteindelijk zelfmoord.

Ook Kertész dacht aan zelfmoord. Alleen de troostende gedachte daaraan heeft hem paradoxaal genoeg geholpen in leven te blijven. Wat hem in Auschwitz (en later Buchenwald en Zeitz) rechthield, was een vorm van Weltvertrauen, vertrouwen in de wereld. Nogal bizar gezien de omgeving en de omstandigheden waarin hij toen leefde, maar het heeft veeleer te maken met een soort fatalisme, het besef om op elk willekeurig moment doodgeschoten te kunnen worden en dat lot ook aanvaarden. Dat maakte hem ook mogelijk om niet alleen de mensonterende gruwel en slavernij in het kamp te zien, maar het ook te aanvaarden en zo betekenis te geven aan zijn joodse lotsbestemming. Zo was hij ‘onbepaald door het lot’, hoewel hij ook verwijst naar een bijzondere gebeurtenis op het einde van de jaren negentig toen hij in het gevangenisregister van Buchenwald in de rubriek Abgänge de aantekening ‘Kertész, gevangene 64921, Hongaarse jood, gestorven op 18 februari 1945’, vond. Een duidelijk spoor dat iemand hem van de lijst had geschrapt ‘om te voorkomen dat ik bij een eventuele ontruiming van het kamp als joodse gevangene gedood zou worden’. Het doet denken aan die passage in de autobiografie Verder leven. Een jeugd van Ruth Klüger waarin ze beschrijft dat ze op aanraden van een verpleegster, die een officier bijstond bij een selectie, loog over haar leeftijd, namelijk vijftien jaar of twee jaar ouder, zodat ze gered werd. ‘Bijna elke gevangene heeft zijn “toeval”, het bijzondere, specifieke, dat hem of haar onverwacht in leven heeft gehouden’, aldus Klüger.

Dat hij de gruwel overleefd heeft, lijkt Kertész compleet irrationeel. Het feit dat hij het redde kan hij niet rationeel verklaren, want als hij dat zou doen ‘dan moet ik ook het idee van een voorzienigheid aanvaarden’. Maar als de voorzienigheid rationeel is ‘waarom gold die dan niet voor de andere zes miljoen, die omgebracht zijn?’ zo vraagt hij zich af. Waarmee hij de vraag stelt naar de ‘zin’ van de Holocaust, al wijst hij dit begrip (‘volledige verbranding’) af, juist omdat hij het kamp overleefde. Dit begrip, zo zegt hij, kan ‘alleen betrekking hebben op degenen die verbrand zijn: de doden en dus niet de overlevenden’. In die zin beschouwt hij het begrip Holocaust als een eufemisme, een laffe en fantasieloze verzachting. Zo keerde hij zich tegen de inflatie van de Holocaust – hij spreekt zich vernietigend uit over de film Schindlers List van Steven Spielberg – en de schandelijke banalisering ervan, bijvoorbeeld door José Saramago die de Israëlische behandeling van de Palestijnen vergeleek met Auschwitz. Begin april 2000 bezocht de auteur voor het eerst Auschwitz-Birkenau, maar dat beviel hem niet. ‘Ik had de geest van de doden ernstig gekwetst’, zegt Kertész en hij verklaart ook zijn afkeer voor al die monumenten en herdenkingen die hem juist confronteren met zijn overleven.

Na de bevrijding keerde hij terug naar Hongarije waar hij lid werd van de communistische partij, als een ‘noodzaak om ergens bij te horen’. Van het zionisme moest hij niets weten, het joodse zelfmedelijden vond hij zelfs weerzinwekkend. Uiteindelijk beleefde hij in die periode de meest intensieve jaren van zijn leven. Vanaf 1948 kreeg hij het opnieuw lastig met een andere vorm van totalitarisme, namelijk het communisme. ‘Een van de meest destructieve obsessies van de twintigste was het opgeven van het individu en de collectieve aanklacht tegen volkeren en bevolkingsgroepen’, schrijft Kertész. Hij weigerde zich in te passen in een vorm van een collectieve identiteit, ook niet in de joodse. ‘Ik was uit de geschiedenis gestapt en moest tot mijn schrik vaststellen dat ik alleen was’, aldus de auteur. Het tekent zijn absolute eenzaamheid op een ogenblik dat hij in contact kwam met grote auteurs zoals Albert Camus, Thomas Mann en Jean Améry. Ondanks de censuur besloot Kertész in Hongarije te blijven dat hij zelfs als een veilige schuilplaats beschouwde. Dat neemt niet weg dat hij de acceptatie van de realiteit door zoveel Hongaren aan de kaak stelt als ‘het goedkope conformisme dat elke morele en intellectuele houding ondermijnde, de kleinburgerlijke politiestaat die zichzelf socialistisch noemde maar in werkelijkheid de autoritaire, geaffecteerde, zieldodende, half-feodale, half-Europese, maatschappij als voorbeeld zag’.

Om in zijn levensonderhoud te voorzien schreef hij samen met een vriend muzikale komedies (die het regime prima vond) als een vorm van onschuldig vermaak van de burgers, maar tegelijk schreef hij romans die werden afgewezen door de bevoegde autoriteiten. Ook die periode beschouwt de auteur nu als een vorm van collaboratie. De ene dag geestelijk demonstreren tegen hét systeem, en de andere dag flauwekul schrijven ten behoeve van datzelfde systeem. Hij was ervan overtuigd dat aan dit totalitaire regime ooit een einde zou komen, al twijfelde hij of hij dat zelf nog zou meemaken. En toen het in 1989 gebeurde zag hij tot zijn verbazing hoe leugen, haat, racisme en domheid om hem heen uitbraken ‘als uit een veertig jaar lang gerijpte etterbuil’ die eindelijk werd geopend. Waarop hij zich opnieuw keerde tegen de ‘politieke deformaties, nieuw antisemitisme, historische amnesie en dergelijke’. In 2002 kreeg hij met de Nobelprijs de hoogste literaire onderscheiding ‘voor zijn werk dat de broze ervaring van het individu hooghoudt tegen de barbaarse willekeur van de geschiedenis’. In zijn acceptatietoespraak had Kertész het zoals steeds over zijn centrale onderwerp: Auschwitz. ‘In de holocaust heb ik de situatie van de mens herkend, het eindstation waar Europese mensen na tweeduizend jaar ethische en morele cultuur aangekomen zijn. (...) Het echte probleem van Auschwitz is dat het gebeurd is en dat wij aan dat feit met de beste, maar ook met de slechtste wil ter wereld niets kunnen veranderen.’ Dat is ook de reden waarom hij in Dossier K. stelt dat men in elk gesprek over de Europese cultuur al snel op het onderwerp ‘moord’ uitkomt. Natuurlijk wisten we voordien al dat de mens tot alles in staat is, maar Auschwitz leverde daartoe het finale bewijs. Daarmee toont de auteur ook aan dat wat gebeurd is opnieuw kan gebeuren.

‘Thus, in thinking about Auschwitz, I reflect, paradoxically, not on the past but the future’ zo sprak Kertzész bij de aanvaarding van zijn Nobelprijs. Hij krijgt, spijtig genoeg, gelijk.


Recensie door Dirk Verhofstadt

Imre Kertész, Dossier K., Vertaling door Mari Alföldy, De Bezige Bij, 2007, 224 blz.

Links
mailto:verhofstadt.dirk@pandora.be
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be